Rechtspraak
Rechtbank Overijssel
2026-02-20
ECLI:NL:RBOVE:2026:1039
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,733 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBOVE:2026:1039 text/xml public 2026-02-27T12:00:30 2026-02-26 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Overijssel 2026-02-20 12001402 \ CV EXPL 25-3984 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Kort geding NL Zwolle Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:1039 text/html public 2026-02-26T16:09:39 2026-02-27 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBOVE:2026:1039 Rechtbank Overijssel , 20-02-2026 / 12001402 \ CV EXPL 25-3984 Vordering betaling achterstallig salaris. Vordering wordt afgewezen. RECHTBANK OVERIJSSEL Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Zwolle Zaaknummer: 12001402 \ CV EXPL 25-3984 Vonnis in kort geding van 20 februari 2026 in de zaak van [eiser] , te [woonplaats], eisende partij, hierna te noemen: [eiser], gemachtigde: mr. L. Laken-Steehouwer, tegen PRAKTIJK VOOR NATUURGENEESKUNDE DRS. [naam] B.V. , te [vestigingsplaats], gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde], gemachtigde: mr. H. Scheper. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding - de producties van [eiser] - de producties van [gedaagde] - de mondelinge behandeling van 6 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt - de pleitnota van [eiser] - de pleitnota van [gedaagde]. 2 De feiten 2.1. Directeur-grootaandeelhouder van [gedaagde] is [naam], de ex-echtgenoot van [eiser]. 2.2. [eiser] heeft als productie 2 een salarisspecificatie over juni 2025 overgelegd met daarop vermeld [gedaagde] als werkgever. Als datum in dienst is vermeld 1 april 1995, als salaris € 1.854,28 bruto per maand voor een arbeidsomvang van 22,19 uren per week. 2.3. [eiser] heeft bij brief van 23 juli 2025 het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) verzocht te bepalen dat zij met ingang van 1 april 1995 verplicht verzekerd is ingevolge de werknemersverzekeringen. Bij besluit van 4 november 2025 heeft het UWV besloten dat [eiser] sinds 1 april 1995 niet verplicht is verzekerd voor de Werkloosheidswet (WW), Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) en Ziektewet (WW). 2.4. Na oktober 2025 heeft [eiser] geen salaris meer ontvangen. 3 Het geschil 3.1. [eiser] vordert, samengevat, veroordeling van [gedaagde] tot betaling van een bedrag van (3 × € 1.854,28 =) € 5.562,84 bruto aan achterstallig salaris over de periode november 2025 tot en met januari 2026, vermeerderd met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente, alsmede tot betaling van het salaris vanaf februari 2026 tot aan het rechtsgeldige einde van de arbeidsovereenkomst. Verder vordert zij dat [gedaagde], op straffe van verbeurte van een dwangom, wordt veroordeeld tot verstrekking van deugdelijke salarisspecificaties vanaf juli 2025 en dat zij wordt veroordeeld tot betaling van incassokosten en proceskosten. 3.2. Volgens [eiser] is zij op 30 juni 2023 arbeidsongeschikt geraakt (en sindsdien gebleven) en is [gedaagde] onverminderd gehouden haar loon door te betalen. Aan deze verplichting houdt [gedaagde] zich niet, aldus [eiser]. 3.3. [gedaagde] voert verweer. Zij concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser], met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4 De beoordeling 4.1. Het spoedeisend belang vloeit voort uit de stellingen van [eiser]. Arbeidsovereenkomst? 4.2. Volgens [eiser] is voldaan aan alle elementen om de met [gedaagde] gesloten overeenkomst te kwalificeren als een arbeidsovereenkomst. [gedaagde] betwist dit. Zij heeft aangevoerd dat sprake was van een (destijds door haar accountant geadviseerde) constructie om [eiser] te voorzien van geld, die niet kon (en kan) worden gekwalificeerd als een arbeidsovereenkomst. Er is (dus) volgens haar sprake van een zogenaamd “gefingeerd dienstverband”. 4.3. In artikel 7:610 BW is bepaald dat de arbeidsovereenkomst de overeenkomst is waarbij de ene partij, de werknemer, zich verbindt in dienst van de andere partij, de werkgever, tegen loon gedurende zekere tijd arbeid te verrichten. Het element “in dienst van” wordt wel aangeduid als de gezagsverhouding. 4.4. Om te kunnen beoordelen of een overeenkomst als een arbeidsovereenkomst moet worden aangemerkt, moet door uitleg aan de hand van de Haviltexmaatstaf worden vastgesteld welke rechten en verplichtingen partijen zijn overeengekomen. Als de overeengekomen rechten en verplichtingen voldoen aan de wettelijke omschrijving van de arbeidsovereenkomst, moet de overeenkomst als zodanig worden aangemerkt. Voor deze kwalificatie is niet van belang of partijen de bedoeling hadden de overeenkomst onder de wettelijke regeling van de arbeidsovereenkomst te laten vallen. Of een overeenkomst moet worden aangemerkt als arbeidsovereenkomst, hangt af van alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien. 4.5. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is in deze procedure – waarin voor bewijslevering (in beginsel) geen plaats is – niet voldoende aannemelijk geworden dat de tussen partijen gesloten overeenkomst moet worden aangemerkt als arbeidsovereenkomst. Weliswaar heeft [eiser] gesteld dat zij “structureel en omvangrijk onafgebroken (sinds 1 april 1995) arbeid heeft verricht” (volgens haar zelfs gedurende (veel) meer uren dan het verloonde aantal (48 uren per week versus 22,19 uren per week), maar daar staat tegenover dat [gedaagde], onder verwijzing naar diverse producties, heeft aangevoerd dat [eiser] slechts incidenteel, bijvoorbeeld bij ziekte van personeelsleden, werkzaamheden verrichtte ten behoeve van de praktijk en dat hier, om diverse redenen, een eind aan is gekomen in 2020. De stelling dat tussen [eiser] en [gedaagde] altijd sprake is geweest van een gezagsverhouding heeft [gedaagde] eveneens gemotiveerd betwist. Zo heeft de zoon van partijen hierover schriftelijk verklaard dat [eiser] “altijd vrij was om te gaan en staan waar zij wilde” en heeft [gedaagde] ter zitting (onbetwist) opgemerkt dat, anders dan voor personeelsleden gold, voor [eiser] geen vakantiedagen werden geadministreerd, zij haar tijden niet ‘klokte’ in “[website]” en met haar geen functioneringsgesprekken werden gevoerd en gedocumenteerd. Tot slot geldt dat is gesteld noch gebleken dat sinds de gestelde arbeidsongeschiktheid (sinds juni 2023) op enigerlei wijze vorm is gegeven aan de door de wetgever bij arbeidsongeschiktheid wegens ziekte voorgeschreven handelwijze. 4.6. [eiser] heeft, desgevraagd, ter zitting laten weten haar vorderingen (alleen) te stoelen op de loondoorbetalingsverplichting van [gedaagde]. De vraag of [gedaagde] op andere gronden gehouden zou zijn de met [eiser] gesloten overeenkomst (op grond waarvan zij gedurende vele jaren maandelijks een bedrag ontving) gestand zou moeten doen, kan dan ook onbeantwoord blijven. 4.7. De conclusie is dat het gevorderde wordt afgewezen. In het feit dat partijen gewezen echtgenoten zijn, wordt aanleiding gezien de kosten van deze procedure te compenseren. 5 De beslissing De kantonrechter 5.1. wijst de vorderingen van [eiser] af, 5.2. compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Dit vonnis is gewezen door mr. E. Horsthuis en in het openbaar uitgesproken door mr. D.N.R. Wegerif op 20 februari 2026. HR 6 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1746 HR 24 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:443
Volledig
ECLI:NL:RBOVE:2026:1039 text/xml public 2026-03-10T11:23:30 2026-02-26 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Overijssel 2026-02-20 12001402 \ CV EXPL 25-3984 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Kort geding NL Zwolle Civiel recht Rechtspraak.nl AR-Updates.nl 2026-0355 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:1039 text/html public 2026-03-02T10:10:06 2026-02-27 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBOVE:2026:1039 Rechtbank Overijssel , 20-02-2026 / 12001402 \ CV EXPL 25-3984 In dit kort geding is niet aannemelijk geworden dat de tussen partijen gesloten overeenkomst moet worden aangemerkt als arbeidsovereenkomst. De vorderingen van eiseres, die alleen gebaseerd zijn op de loondoorbetalingsverplichting van gedaagde, worden dan ook afgewezen RECHTBANK OVERIJSSEL Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Zwolle Zaaknummer: 12001402 \ CV EXPL 25-3984 Vonnis in kort geding van 20 februari 2026 in de zaak van [eiseres] , te [woonplaats] , eisende partij, hierna te noemen: [eiseres] , gemachtigde: mr. L. Laken-Steehouwer, tegen [gedaagde] B.V. , te [vestigingsplaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , gemachtigde: mr. H. Scheper. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding- de producties van [eiseres]- de producties van [gedaagde]- de mondelinge behandeling van 6 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt- de pleitnota van [eiseres]- de pleitnota van [gedaagde] . 2 De feiten 2.1. Directeur-grootaandeelhouder van [gedaagde] is [naam] , de ex-echtgenoot van [eiseres] . 2.2. [eiseres] heeft als productie 2 een salarisspecificatie over juni 2025 overgelegd met daarop vermeld [gedaagde] als werkgever. Als datum in dienst is vermeld 1 april 1995, als salaris € 1.854,28 bruto per maand voor een arbeidsomvang van 22,19 uren per week. 2.3. [eiseres] heeft bij brief van 23 juli 2025 het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) verzocht te bepalen dat zij met ingang van 1 april 1995 verplicht verzekerd is ingevolge de werknemersverzekeringen. Bij besluit van 4 november 2025 heeft het UWV besloten dat [eiseres] sinds 1 april 1995 niet verplicht is verzekerd voor de Werkloosheidswet (WW), Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) en Ziektewet (WW). 2.4. Na oktober 2025 heeft [eiseres] geen salaris meer ontvangen. 3 Het geschil 3.1. [eiseres] vordert, samengevat, veroordeling van [gedaagde] tot betaling van een bedrag van (3 × € 1.854,28 =) € 5.562,84 bruto aan achterstallig salaris over de periode november 2025 tot en met januari 2026, vermeerderd met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente, alsmede tot betaling van het salaris vanaf februari 2026 tot aan het rechtsgeldige einde van de arbeidsovereenkomst. Verder vordert zij dat [gedaagde] , op straffe van verbeurte van een dwangom, wordt veroordeeld tot verstrekking van deugdelijke salarisspecificaties vanaf juli 2025 en dat zij wordt veroordeeld tot betaling van incassokosten en proceskosten. 3.2. Volgens [eiseres] is zij op 30 juni 2023 arbeidsongeschikt geraakt (en sindsdien gebleven) en is [gedaagde] onverminderd gehouden haar loon door te betalen. Aan deze verplichting houdt [gedaagde] zich niet, aldus [eiseres] . 3.3. [gedaagde] voert verweer. Zij concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres] , met veroordeling van [eiseres] in de kosten van deze procedure. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4 De beoordeling 4.1. Het spoedeisend belang vloeit voort uit de stellingen van [eiseres] . Arbeidsovereenkomst? 4.2. Volgens [eiseres] is voldaan aan alle elementen om de met [gedaagde] gesloten overeenkomst te kwalificeren als een arbeidsovereenkomst. [gedaagde] betwist dit. Zij heeft aangevoerd dat sprake was van een (destijds door haar accountant geadviseerde) constructie om [eiseres] te voorzien van geld, die niet kon (en kan) worden gekwalificeerd als een arbeidsovereenkomst. Er is (dus) volgens haar sprake van een zogenaamd “gefingeerd dienstverband”. 4.3. In artikel 7:610 BW is bepaald dat de arbeidsovereenkomst de overeenkomst is waarbij de ene partij, de werknemer, zich verbindt in dienst van de andere partij, de werkgever, tegen loon gedurende zekere tijd arbeid te verrichten. Het element “in dienst van” wordt wel aangeduid als de gezagsverhouding. 4.4. Om te kunnen beoordelen of een overeenkomst als een arbeidsovereenkomst moet worden aangemerkt, moet door uitleg aan de hand van de Haviltexmaatstaf worden vastgesteld welke rechten en verplichtingen partijen zijn overeengekomen. Als de overeengekomen rechten en verplichtingen voldoen aan de wettelijke omschrijving van de arbeidsovereenkomst, moet de overeenkomst als zodanig worden aangemerkt. Voor deze kwalificatie is niet van belang of partijen de bedoeling hadden de overeenkomst onder de wettelijke regeling van de arbeidsovereenkomst te laten vallen. Of een overeenkomst moet worden aangemerkt als arbeidsovereenkomst, hangt af van alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien. 4.5. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is in deze procedure – waarin voor bewijslevering (in beginsel) geen plaats is – niet voldoende aannemelijk geworden dat de tussen partijen gesloten overeenkomst moet worden aangemerkt als arbeidsovereenkomst. Weliswaar heeft [eiseres] gesteld dat zij “structureel en omvangrijk onafgebroken (sinds 1 april 1995) arbeid heeft verricht” (volgens haar zelfs gedurende (veel) meer uren dan het verloonde aantal (48 uren per week versus 22,19 uren per week), maar daar staat tegenover dat [gedaagde] , onder verwijzing naar diverse producties, heeft aangevoerd dat [eiseres] slechts incidenteel, bijvoorbeeld bij ziekte van personeelsleden, werkzaamheden verrichtte ten behoeve van de praktijk en dat hier, om diverse redenen, een eind aan is gekomen in 2020. De stelling dat tussen [eiseres] en [gedaagde] altijd sprake is geweest van een gezagsverhouding heeft [gedaagde] eveneens gemotiveerd betwist. Zo heeft de zoon van partijen hierover schriftelijk verklaard dat [eiseres] “altijd vrij was om te gaan en staan waar zij wilde” en heeft [gedaagde] ter zitting (onbetwist) opgemerkt dat, anders dan voor personeelsleden gold, voor [eiseres] geen vakantiedagen werden geadministreerd, zij haar tijden niet ‘klokte’ in “ [website] ” en met haar geen functioneringsgesprekken werden gevoerd en gedocumenteerd. Tot slot geldt dat is gesteld noch gebleken dat sinds de gestelde arbeidsongeschiktheid (sinds juni 2023) op enigerlei wijze vorm is gegeven aan de door de wetgever bij arbeidsongeschiktheid wegens ziekte voorgeschreven handelwijze. 4.6. [eiseres] heeft, desgevraagd, ter zitting laten weten haar vorderingen (alleen) te stoelen op de loondoorbetalingsverplichting van [gedaagde] . De vraag of [gedaagde] op andere gronden gehouden zou zijn de met [eiseres] gesloten overeenkomst (op grond waarvan zij gedurende vele jaren maandelijks een bedrag ontving) gestand zou moeten doen, kan dan ook onbeantwoord blijven. 4.7. De conclusie is dat het gevorderde wordt afgewezen. In het feit dat partijen gewezen echtgenoten zijn, wordt aanleiding gezien de kosten van deze procedure te compenseren. 5 De beslissing De kantonrechter 5.1. wijst de vorderingen van [eiseres] af, 5.2. compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Dit vonnis is gewezen door mr. E. Horsthuis en in het openbaar uitgesproken door mr. D.N.R. Wegerif op 20 februari 2026. HR 6 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1746 HR 24 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:443