Rechtspraak
Rechtbank Overijssel
2025-02-04
ECLI:NL:RBOVE:2025:690
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,157 tokens
Inleiding
RECHTBANK OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer : 11455836 \ CV EXPL 24-4471
Vonnis van 4 februari 2025
in de zaak van
de stichting
WONINGSTICHTING SWZ,
gevestigd te Zwolle, hierna te noemen SWZ,
eisende partij, hierna te noemen: mr. Th. van Wijngaarden,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats],
gedaagde partij, hierna te noemen [gedaagde],
procederend in persoon.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord
- de brief van de griffier van de rechtbank van 24 december 2024
- de akte van SWZ van 10 januari 2025
- de e-mail van SWZ van 17 januari 2025
1.2.
De mondelinge behandeling is gehouden op 21 januari 2025. Beide partijen zijn verschenen. Van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling aan de orde is gekomen heeft de griffier aantekeningen gemaakt.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Beoordeling
2.1.
[gedaagde] huurt van SWZ een woning gelegen aan de [adres] tegen een huurprijs van op dit moment € 635,12 per maand, bij vooruitbetaling te voldoen.
2.2.
Vast staat dat er een achterstand bestaat in de huurbetalingen die ten tijde van de mondelinge behandeling € 3.810,72 bedroeg, berekend tot en met januari 2025.
Geschil
3.1.
SWZ vordert – kort gezegd – ontbinding van de huurovereenkomst tussen partijen en ontruiming van het gehuurde, en ook betaling van de huurachterstand met nevenvorderingen.
3.2.
Aan deze vordering legt SWZ ten grondslag dat [gedaagde] de huur, die hij moet betalen op grond van de huurovereenkomst, niet heeft betaald. De huurachterstand bedraagt zes maanden.
3.3.
[gedaagde] heeft de huurachterstand erkend. Eerder heeft hij altijd zijn huur betaald. De achterstand is ontstaan omdat hij door iemand wordt afgeperst. [gedaagde] is voornemens om beschermingsbewind aan te vragen. Hij wil graag in de woning blijven wonen.
3.4.
SWZ heeft tijdens de mondelinge behandeling aangevoerd dat zij begrip heeft voor de situatie, maar omdat de lopende huur niet betaald wordt en er sprake is van een forse huurachterstand wenst zij haar vordering te handhaven. [gedaagde] heeft inmiddels veel hulp van verschillende instanties, maar hij aanvaardt deze hulp nauwelijks, zodat dit moeilijk van de grond komt. Ook heeft hij enkel inkomen uit een bijstandsuitkering. Voor een eventueel voorwaardelijk vonnis ziet zij daarom te weinig perspectief en zijn er onvoldoende waarborgen.
Beoordeling
Ambtshalve toetsing.
4.1.
De kantonrechter heeft ambtshalve beoordeeld of in de overeenkomst en/of de daarop van toepassing zijnde algemene voorwaarden bepalingen zijn opgenomen ten aanzien van de gevorderde hoofdsom, de gevorderde vergoeding voor gemaakte buitengerechtelijke incassokosten en/of de gevorderde vergoeding van rente, die zodanig afwijken van de wettelijke regelingen dat de consument daardoor aanzienlijk wordt benadeeld en door de kantonrechter vernietigd moeten worden. Dat is niet het geval.
De huurachterstand
4.2.
Omdat [gedaagde] erkent dat hij de huurachterstand van € 3.810,72 moet betalen, kan de vordering tot betaling daarvan worden toegewezen.
De ontbinding en ontruiming
4.3.
Op grond van artikel 6:265 lid 1 BW geeft iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Deze rechtsregel brengt tot uitdrukking dat slechts een tekortkoming van voldoende gewicht recht geeft op (gehele of gedeeltelijke) ontbinding van de overeenkomst (ECLI:NL:HR:2018:1810). Bij de beantwoording van de vraag of ontbinding van deze huurovereenkomst gerechtvaardigd is kunnen alle omstandigheden van het geval van belang zijn.
4.4.
De kantonrechter is van oordeel dat de betalingsachterstand, waarvan in deze zaak sprake is, van zodanige omvang is, dat deze de vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt. Dat [gedaagde] na de mondelinge behandeling via e-mail heeft laten weten dat hij de huur voor februari heeft betaald, is niet genoeg voor een ander oordeel. SWZ heeft in reactie daarop haar eis gehandhaafd en de reeds bestaande huurachterstand is voldoende grond voor toewijzing van de vordering. De termijn voor ontruiming zal op 14 dagen worden gesteld.
4.5.
SWZ vordert naast de al becijferde huurachterstand betaling van de achterstallige huurpenningen vanaf 1 december 2024 tot aan de datum van de ontruiming. In de akte is de huurachterstand vervolgens begroot tot en met eind januari 2025. Nu op dit punt geen verweer is gevoerd, zal de vordering worden toegewezen zoals in de beslissing is vermeld.
De bijkomende kosten
4.6.
De kantonrechter zal de wettelijke rente toewijzen, zoals in de beslissing is vermeld.
4.7.
SWZ heeft een bedrag van € 115,21 aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is. SWZ heeft aan [gedaagde] een aanmaning gestuurd die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten komt overeen met het in het Besluit bepaalde tarief en zal worden toegewezen.
De proceskosten
4.8.
[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten (inclusief nakosten) worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van SWZ worden begroot op:
- dagvaarding € 137,38
- griffierecht € 496,00
- salaris gemachtigde € 476,00 (2 punten x tarief € 238,00)
- nakosten € 119,00
Totaal € 1.228,38.
Dictum
De kantonrechter
5.1.
ontbindt de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot de onroerende zaak gelegen aan de [adres];
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om deze onroerende zaak met al wie en al wat zich daarin vanwege [gedaagde] bevindt binnen 14 dagen na de betekening van dit vonnis te ontruimen en te verlaten en met overgifte van de sleutels geheel ter vrije beschikking van SWZ te stellen;
5.3.
veroordeelt [gedaagde] om tegen bewijs van kwijting te betalen aan SWZ:
€ 3.810,72 aan opeisbaar geworden en onbetaald gelaten huurtermijnen berekend tot en met de maand januari 2025, te vermeerderen met de wettelijke rente zoals bedoeld in art. 6:119 BW hierover vanaf 10 december 2024 tot de dag der algehele voldoening;
€ 115,21 aan buitengerechtelijke incassokosten,
een bedrag gelijk aan de maandelijkse huurprijs, zoals deze zonder ontbinding van de huurovereenkomst zou hebben gegolden voor elke maand of gedeelte van een maand, gelegen tussen 1 februari 2025 en de daadwerkelijke ontruiming, berekend tegen € 635,12 per maand, zulks vermeerderd met een percentage gelijk aan de wettelijke toegestane jaarlijkse huurverhoging en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW vanaf de respectievelijke vervaldata van de onderliggende huurtermijnen tot aan de dag der algehele voldoening;
5.4.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van SWZ tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 1.228,38 te betalen binnen veertien dagen na de betekening van dit vonnis, te vermeerderen met de kosten van betekening;
5.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.N.R. Wegerif, kantonrechter, en is in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2025. (jjm)