Rechtspraak
Rechtbank Overijssel
2025-10-28
ECLI:NL:RBOVE:2025:6621
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,547 tokens
Inleiding
RECHTBANK OVERIJSSEL
Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Enschede
Zaaknummer : 11802603 \ CV EXPL 25-2027
Vonnis in incident van 28 oktober 2025
In de zaak van
1
[partij A 1],wonende te [woonplaats 1],
2. [partij A 2],wonende te [woonplaats 2],
eisende partij in de hoofdzaak, verwerende partij in het incident,
hierna te noemen [partij A],
gemachtigde: Leaseproces,
tegen
de besloten vennootschap DEXIA NEDERLAND B.V.,gevestigd en kantoorhoudende te Amsterdam,
gedaagde partij in de hoofdzaak, eisende partij in het incident,
hierna te noemen Dexia,
gemachtigde: USG Legal Amsterdam.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 8 juli 2025;
- de conclusie van antwoord tevens houdende conclusie tot oproeping in vrijwaring;
- de antwoord conclusie in het incident tot oproeping in vrijwaring.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
Feiten
2.1.
[partij A] stellen in de hoofdzaak kort samengevat dat zij via een tussenpersoon, [bedrijf] vof te [vestigingsplaats], met (de rechtsvoorgangster van) Dexia een effectenleaseovereenkomst hebben afgesloten en dat Dexia in dat verband onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld en/of toerekenbaar jegens hen is tekortgeschoten. Zij maken Dexia een viertal verwijten en willen dat Dexia wordt veroordeeld tot het betalen van de door hen geleden schade. De verwijten zijn:
- Dexia had [partij A] moeten waarschuwen voor het risico van een restschuld;
- Dexia had moeten informeren naar de financiële situatie van [partij A] om te kunnen vaststellen of [partij A] de lasten uit de overeenkomst zou kunnen dragen en, indien zulks niet het geval was, had Dexia het aangaan van de overeenkomst moeten ontraden;
- Dexia had op grond van artikel 25 NR 1995 en/of artikel 41 NR 1999 de onderhavige overeenkomst niet mogen aangaan omdat er sprake was van advisering door een tussenpersoon die niet beschikte over de ingevolge de Wte vereiste vergunning;
- Dexia had op grond van artikel 25 NR 1995 en/of artikel 41 NR 1999 de onderhavige overeenkomst niet mogen aangaan omdat er sprake was van meer dan aanbrengen (verboden bemiddeling) door een tussenpersoon die niet beschikte over de ingevolge de Wte vereiste vergunning.
2.2.
Dexia heeft de vorderingen van [partij A] in de hoofdzaak betwist en een vordering in reconventie ingesteld. Naast een ander incident, waarover later in de hoofdzaak zal worden geoordeeld, heeft Dexia in dit incident verzocht om de vennoten van de toenmalige vof [bedrijf], [naam 1] en [naam 2], in vrijwaring te mogen oproepen en te dagvaarden tegen een door de kantonrechter te bepalen zitting, teneinde op de eis tot vrijwaring te antwoorden. Volgens Dexia brengen de stellingen van [partij A] mee dat de tussenpersoon [bedrijf] eveneens aansprakelijk is voor de schade die [partij A] zouden hebben geleden; de tussenpersoon zou immers zijn boekje te buiten zijn gegaan. Dexia en [bedrijf] zijn volgens Dexia hoofdelijk aansprakelijk voor dezelfde schade. Als Dexia wordt veroordeeld tot betaling van de schade van [partij A] dan heeft zij een regresvordering op de tussenpersoon. Daaraan doet niet af dat de grondslag van de aansprakelijkheid van Dexia en van de tussenpersoon niet exact hetzelfde is. Artikel 6:10 BW is van toepassing zodra twee partijen voor dezelfde schade aansprakelijk zijn. Dat [partij A] geen vordering op de tussenpersoon heeft ingesteld doet evenmin ter zake. Dexia zal in de vrijwaringsprocedure bepleiten dat de tussenpersoon in de onderlinge relatie met Dexia primair voor 100% draagplichtig is en subsidiair voor 50%. Een beroep op verjaring van de tussenpersoon zal niet opgaan omdat de verjaringstermijn van een regresvordering pas begint te lopen op het moment van betaling, aldus Dexia.
2.3.
[partij A] hebben in het incident geconcludeerd tot afwijzing van de incidentele vordering. Dexia heeft deze vordering onvoldoende onderbouwd, zij stelt niet welke rechtsverhouding er bestaat tussen Dexia en de tussenpersoon, die een verplichting tot vrijwaring met zich zou brengen. De beslissing over de rechtsverhouding tussen Dexia en [partij A] gaat over schending door Dexia van haar zorgplicht en de schending door Dexia van artikel 41 NR 1999. Dat is een geheel andere rechtsverhouding dan die tussen Dexia en de tussenpersoon. Het was de bedrijfsopzet van Dexia om voor de distributie van haar effectenleaseproducten tussenpersonen in te zetten die hun klanten zouden adviseren een effectenleaseproduct af te nemen. Dexia wist dat de bij haar aangesloten tussenpersonen de afnemers regelmatig niet slechts in het algemeen over de producten informeerden, maar de producten ook onderdeel lieten zijn van een specifiek op de persoon toegesneden advies. Eshuis betwist dan ook dat Dexia een schadevergoedingsvordering op de tussenpersoon heeft. De tussenpersoon is niet gehouden bij te dragen aan de schadevergoeding die Dexia in de hoofdzaak verschuldigd zal zijn. Volgens [partij A] is Dexia vooral uit op onredelijke/nodeloze vertraging en mogelijk meent Dexia wat te kunnen winnen door te dreigen de tussenpersoon te laten opdraaien voor de schade die Dexia moet betalen (vermoedelijk omdat Dexia hoopt dat de tussenpersoon dan misschien aangeeft dat hij en Dexia niets fout deden en [partij A] alle schade aan zichzelf heeft te wijten). Dit zijn geen rechtens te respecteren belangen van Dexia. Van tegenstrijdige uitspraken zal geen sprake kunnen zijn want het gaat in het incident om een geheel andere rechtsgrond en grondslag dan in de hoofdzaak. De tussenpersoon zelf zal bovendien niet kunnen verklaren over het gesprek met [partij A] omdat dit gesprek werd gevoerd door een medewerkster van de tussenpersoon, aldus [partij A]
Beoordeling
3.1.
in het incident
Voor toewijzing van een incidentele vordering tot oproeping in vrijwaring is vereist dat de gewaarborgde (in dit geval Dexia) zich beroept op een rechtsverhouding met de derde (in dit geval de tussenpersoon) die meebrengt dat de derde verplicht is om de nadelige gevolgen van de beslissing tegen de gewaarborgde te dragen. Voor het toestaan van de oproeping in vrijwaring wordt niet de eis gesteld dat tussen de vordering in de hoofdzaak en de vordering in vrijwaring een rechtstreeks verband bestaat, bijvoorbeeld in die zin dat de waarborg naar het materiele recht heeft in te staan voor de afwezigheid van aanspraken van derden. Voldoende is dat de waarborg krachtens zijn rechtsverhouding tot de gewaarborgde, ook al is deze van geheel andere aard dan die waarop de vordering in de hoofdzaak is gegrond, verplicht is de nadelige gevolgen van een veroordeling van de gewaarborgde in de hoofdzaak te dragen (Hoge Raad 10 april 1992, NJ 1992, 446). Is aan dit vereiste voldaan dan dient de rechter zijn beslissing op de incidentele vordering te baseren op een afweging van de belangen van partijen en de eisen van een doelmatige procesvoering. Daarbij gaat het met name om een afweging van het belang van de gewaarborgde bij de vrijwaring en het antwoord op de vraag of in de omstandigheden van het geval als gevolg van de vrijwaring een onredelijke of onnodige vertraging van het geding te verwachten is.
3.2.
In de hoofdzaak gaat het om één van de vele tegen (of door) Dexia gevoerde procedures waarbij het inhoudelijk onder meer gaat om de verdeling van door afnemers geleden schade uit de met (de rechtsvoorgangster van) Dexia gesloten effectenleaseovereenkomsten. In dergelijke zaken staat, kort samengevat, vast dat Dexia jegens de afnemers niet aan haar zorgplicht heeft voldaan en onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld. Dexia had de afnemers moeten waarschuwen voor het risico voor een restschuld en zij had voldoende onderzoek moeten doen naar de financiële positie van afnemers, om te kunnen vaststellen of de afnemers de verplichtingen uit de overeenkomst(en) wel konden nakomen. Op grond van vaste jurisprudentie, tot stand gekomen na decennia van (proef)procedures, is Dexia in die gevallen in beginsel gehouden om van de schade van de afnemers twee derde van de restschuld te vergoeden. Als de afnemer een effectenleaseovereenkomst is aangegaan nadat de daarbij optredende tussenpersoon, zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning, tevens als financieel adviseur is opgetreden -en Dexia wist dat of behoorde dat te weten- dan heeft Dexia ook gecontracteerd in strijd met het verbod van art. 41 NR 1999, dan wel het daarmee materieel overeenkomende art. 25 NR 1995. In dat geval dient Dexia 100% van de schade van de afnemer te vergoeden. Die laatste vraag, of de tussenpersoon heeft geadviseerd en of Dexia daarvan wist of behoorde te weten, staat centraal in de hoofdzaak.
3.3.
Dexia stelt in het incident onder meer dat de tussenpersoon ook (deels) aansprakelijk is voor de schade die de afnemer heeft geleden en dat er sprake is van hoofdelijke aansprakelijkheid van de tussenpersoon en Dexia. Als Dexia wordt veroordeeld tot betaling van de schade van [partij A] dan stelt zij een regresvordering op de tussenpersoon te hebben. Dexia zal in de vrijwaringsprocedure stellen dat de tussenpersoon in de onderlinge relatie met Dexia primair voor 100% draagplichtig is en subsidiair voor 50%.
3.4.
Aan het eerste vereiste voor oproeping in vrijwaring is naar het oordeel van de kantonrechter voldaan. Dexia stelt gemotiveerd dat er sprake is van een rechtsverhouding tussen haar en de derde (de tussenpersoon) en dat de derde jegens Dexia is gehouden om (een deel van) de schade te dragen. Of er sprake is van verjaring, aansprakelijkheid, hoofdelijke verbondenheid en hoe het zit met de onderlinge verhouding en draagplicht moet worden uitgemaakt in de vrijwaringsprocedure. In beginsel is er sprake van hoofdelijkheid als verschillende personen aansprakelijk zijn voor dezelfde schade, art. 6:102 BW, en deze bepaling vestigt hoofdelijkheid ook al is er sprake van verschillende normschendingen door de verschillende personen.
3.5.
Het uitgangspunt bij vrijwaringszaken is dat in de hoofdzaak en in de vrijwaring gelijktijdig wordt beslist door dezelfde rechter, waardoor tegenstrijdige of niet met elkaar in overeenstemming zijnde uitspraken worden voorkomen en de gewaarborgde zelf ook direct over een executoriale titel beschikt jegens de waarborg. In deze zaak ziet de kantonrechter het belang van Dexia dat het hier in beide procedures gaat om onder meer de vraag of de tussenpersoon zijn boekje te buiten is gegaan. Het belang van [partij A] bestaat hierin dat bij toewijzing van de vrijwaringsvordering de procedure in de hoofdzaak wordt vertraagd, terwijl zij in beginsel buiten de vrijwaringsprocedure staan.
3.6.
In deze zaak is er geen sprake van een situatie waarin de gewaarborgde de gevolgen van verlies van de hoofdzaak zonder meer kan afwentelen op de waarborg (gelet op hun onderlinge rechtsverhouding). De hoofdzaak en de vrijwaringszaak hebben deels wel hetzelfde feitencomplex maar de juridische geschillen zijn complex en niet hetzelfde. Het geschil in de hoofdzaak betreft de afdoening van een massaschadezaak met een afwijkend procesregime; er wordt schriftelijk doorgeprocedeerd zonder mondelinge behandeling. Voor de hoofdzaak geldt voorts dat de jurisprudentie op het punt van de advisering door de tussenpersoon en de gevolgen daarvan voor de afnemer en Dexia uitgekristalliseerd is; doorgaans wordt de vordering direct bij eindvonnis toe- of afgewezen.
Dat is anders in de vrijwaringszaak. Jurisprudentie over onder andere de onderlinge draagplicht tussen de tussenpersoon en Dexia, mede gelet op hun contractuele verhouding, is schaars en niet uitgekristalliseerd. De procedures zullen niet gelijktijdig voor vonnis staan en het risico dat de vrijwaringszaak een vertragende werking zal hebben op de afdoening van de massaschadezaak in de hoofdzaak is reëel en ongewenst. Het risico op tegenstrijdige of niet met elkaar overeenstemmende uitspraken schat de kantonrechter verder als laag in omdat hier sprake is van verschillende geschillen, enerzijds de vraag of Dexia (ook) in strijd met artikel 41 NR 1999 heeft gehandeld jegens de afnemer en daardoor in het kader van 6:101 BW alle schade en niet slechts twee derde van de restschuld dient te dragen en anderzijds de vraag hoe de eventuele constatering dat de tussenpersoon zijn boekje te buiten is gegaan doorwerkt in de verhouding tussenpersoon-Dexia. In de belangen van partijen en de eisen van een doelmatige procesvoering ziet de kantonrechter aanleiding de incidentele vordering van Dexia af te wijzen. Het staat Dexia uiteraard vrij om de tussenpersoon in een afzonderlijke dagvaardingsprocedure te betrekken.
3.7.
De incidentele vordering zal worden afgewezen en Dexia zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van [partij A] begroot op € 82,00 gemachtigde salaris. De zaak zal worden verwezen naar de rol van dinsdag 25 november 2025 voor voortprocederen in de hoofdzaak.
Dictum
De kantonrechter
in het incident
4.1.
wijst het verzoek van Dexia af,
4.2.
veroordeelt Dexia in de kosten van de procedure in het incident, aan de zijde van [partij A] begroot op € 82,00 gemachtigdesalaris,
in de hoofdzaak
4.3.
verwijst de procedure naar de rolzitting van dinsdag 18 november 2025, teneinde [partij A] in staat te stellen voort te procederen,
4.4.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.L. Alers, kantonrechter-plaatsvervanger, en in het openbaar uitgesproken op 28 oktober 2025.