Rechtspraak
Rechtbank Overijssel
2025-10-24
ECLI:NL:RBOVE:2025:6215
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,002 tokens
Inleiding
RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/1446
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser, hierna: [eiser]
en
het college van burgemeester en wethouders van Almelo, verweerder, hierna: het college
(gemachtigden: mr. M. Ichoh en [gemachtigde]).
Procesverloop
1. [eiser] heeft op 4 september 2024 een verzoek tot verwijdering van gegevens bij het college ingediend. Het college heeft dit verzoek met het besluit van 9 oktober 2024 afgewezen.
1.1.
[eiser] heeft op 18 oktober 2024 bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
1.2.
[eiser] heeft op 18 februari 2025 een ingebrekestelling naar het college gestuurd wegens het niet tijdig nemen van een beslissing op het bezwaar.
1.3.
Het college heeft op 29 april 2025 een dwangsom van €1.442,- aan [eiser] toegekend wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar.
1.4.
[eiser] heeft op 19 mei 2025 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op het bezwaar.
1.5.
Het college heeft op 16 juni 2025 een – naar eigen zeggen – gewijzigd primair besluit genomen.
1.6.
De rechtbank heeft het beroep op 17 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser], bijgestaan door mr. P. Engelsman en [naam], en de gemachtigden van het college.
Beoordeling
2. Tussen partijen is allereerst in geschil of het besluit van 16 juni 2025 als een primair besluit of als een beslissing op bezwaar moet worden aangemerkt.
3. Volgens het college is het besluit van 16 juni 2025 in de plaats gekomen van het besluit van 9 oktober 2024 en daarmee een vervangend primair besluit. Ter zitting heeft het college hierbij toegelicht dat op een zeker moment bleek dat het besluit van 9 oktober 2024 ontoereikend was en beter gemotiveerd moest worden. In zo'n geval kan een besluit vervangen of gewijzigd worden. Het college heeft daarom op 16 juni 2025 een nieuw primair besluit genomen. Het college heeft hier mede voor gekozen om [eiser] de gelegenheid te geven gehoord te worden. Ter zitting heeft het college verder meegedeeld dat de gegevens, waarop het verzoek van [eiser] betrekking heeft, na verloop van drie jaren verwijderd zullen worden, tenzij zich iets voordoet waardoor een andere afweging moet worden gemaakt.
4. [eiser] is van mening dat het besluit van 16 juni 2025 een beslissing op zijn bezwaar is en dat hij ten onrechte niet is gehoord. Volgens [eiser] is artikel 6:20 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) van toepassing in deze procedure.
5. Mede gelet op de toelichting van het college is de rechtbank van oordeel dat het besluit van 16 juni 2025 hier als een nieuw primair besluit moet worden aangemerkt. Dit betekent dat er nog geen beslissing op bezwaar is genomen en het beroep tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op het bezwaar gegrond is. De termijn om op het bezwaar van [eiser] te beslissen is immers ruimschoots overschreden en het college heeft niet binnen twee weken na ontvangst van de ingebrekestelling een beslissing op bezwaar genomen.
6. Bij een gegrond beroep tegen het niet-tijdig beslissen moet de rechtbank bepalen binnen welke termijn het college alsnog een besluit bekend moet maken. Het wettelijke uitgangspunt is op grond van het bepaalde in artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb een termijn van twee weken. In bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen of een andere voorziening treffen. Omdat het in deze procedure aangewezen is om [eiser] nog te horen in het kader van het ingediende bezwaar, ziet de rechtbank aanleiding om de termijn om alsnog een beslissing op bezwaar bekend te maken te bepalen op acht weken vanaf de datum van verzending van de uitspraak.
7. De rechtbank bepaalt, in overeenstemming met het landelijke beleid van de rechtbanken hierover, dat het college een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door het college. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.
8. Aan een bespreking van de overige gronden van beroep komt de rechtbank niet toe.
Conclusie
9. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat [eiser] terecht beroep heeft ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op het bezwaar, dat het college acht weken de tijd krijgt om alsnog een beslissing op het bezwaar te nemen en aan het college een dwangsom wordt opgelegd ter hoogte van € 100,- per dag met een maximum van
€ 15.000,-.
10. Omdat het beroep gegrond is, moet het college het griffierecht aan [eiser] vergoeden en krijgt [eiser] een vergoeding voor de proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. [eiser] heeft verzocht om een vergoeding van reiskosten à € 42,96 (€ 21,48 x 2), vergoeding van verletkosten à € 169,48 en kinderopvang à € 33,34. In artikel 1, aanhef en onder c, van het Besluit proceskosten bestuursrecht is bepaald dat een veroordeling in de kosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb uitsluitend betrekking kan hebben op reis- en verblijfkosten van een partij. De reiskosten van [naam] (de partner van [eiser]) komen dan ook niet voor vergoeding in aanmerking. De kosten voor kinderopvang vallen niet binnen de limitatieve opsomming van kostenposten die voor vergoeding in aanmerking komen (artikel 8:75 van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht). De rechtbank zal daarom het verzoek tot veroordeling in de proceskosten toewijzen tot een bedrag van € 190,96 (€ 21,48 voor de reiskosten van [eiser] en € 169,48 voor de verletkosten van [eiser]).
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt het college op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak
alsnog een besluit op het bezwaar van [eiser] bekend te maken;
- bepaalt dat het college aan [eiser] een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag
waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 194,- aan [eiser] moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 190,96 aan proceskosten aan [eiser].
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Oosterveld, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Richart, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
griffier
de rechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.
Dit is het “Beleid extra dwangsom”, te vinden op www.rechtspraak.nl.
De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraak van 15 februari 2018 van de Centrale Raad van Beroep, ECLI:NL:CRVB:2018:434.