Rechtspraak
Rechtbank Overijssel
2025-09-16
ECLI:NL:RBOVE:2025:5627
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,696 tokens
Inleiding
fRECHTBANK
OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: 11535592 \ CV EXPL 25-436
Vonnis van 16 september 2025
in de zaak van
[eiser] V.O.F.,
gevestigd te [vestigingsplaats],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: mr. D. Warnink,
tegen
[gedaagde],
zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland of daarbuiten,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
gemachtigde: mr. D. van der Wal.
1De verdere procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 24 juni 2025 (hierna: het tussenvonnis) en de daarin genoemde stukken,
- het bericht van [gedaagde] van 8 juli 2025, waarin hij aangeeft ervan af te zien om bewijs te leveren.
1.2.
Het vonnis is nader bepaald op vandaag.
2De zaak in het kort
2.1.
[eiser] heeft betaling gevorderd van het onbetaalde restant van een factuur voor reparatie- en onderhoudswerkzaamheden aan de auto van [gedaagde]. [gedaagde] stelt zich op het standpunt dat hij geen opdracht heeft gegeven voor een deel van deze werkzaamheden.
2.2.
De kantonrechter heeft [gedaagde] bij tussenvonnis van 24 juni 2025 een bewijsopdracht gegeven om tegenbewijs te leveren tegen de voorshands aannemelijk geachte stelling van [eiser] dat [gedaagde] opdracht geeft gegeven voor de door [eiser] verrichte werkzaamheden. [gedaagde] is, door af te zien van bewijslevering, niet geslaagd in het leveren van dat bewijs. De vorderingen van [eiser] tot betaling van haar facturen, te vermeerderen met rente en kosten, zullen daarom worden toegewezen.
3De verdere beoordeling van het geschil
3.1.
In het tussenvonnis heeft de kantonrechter [gedaagde] opgedragen om te bewijzen dat [gedaagde] geen opdracht heeft gegeven voor de door [eiser] verrichte werkzaamheden.
3.2.
[gedaagde] heeft de kantonrechter op 8 juli 2025 bericht dat hij afziet van het leveren van tegenbewijs.
3.3.
De kantonrechter is gelet op het bovenstaande van oordeel dat vast is komen te staan dat [gedaagde] opdracht heeft gegeven voor de door [eiser] verrichte en gefactureerde werkzaamheden aan de auto van [gedaagde]. [gedaagde] moet daarom de facturen van [eiser] betalen. De vordering van [eiser] tot betaling van haar facturen zal daarom worden toegewezen.
Buitengerechtelijke incassokosten
3.4.
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. [eiser] heeft aan [gedaagde] een of meer aanmaningen gestuurd die voldoen aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. Daarom zal een bedrag van € 104,15 worden toegewezen.
Proceskosten
3.5.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
113,54
- griffierecht
€
340,00
- salaris gemachtigde
€
270,00
(2 punten × € 135,00)
- nakosten
€
67,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
791,04
3.6.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Dictum
De kantonrechter
4.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 694,31, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 17 november 2023, tot de dag van volledige betaling,
4.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 104,15 aan buitengerechtelijke kosten,
4.3.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 9,80 aan kosten wegens een aangetekende brief,
4.4.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 791,04, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.5.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten, de buitengerechtelijke incassokosten en de kosten ter zake de aangetekende brief, als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
4.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.F. van Aalst en in het openbaar uitgesproken op
16 september 2025.