Rechtspraak
Rechtbank Overijssel
2025-04-03
ECLI:NL:RBOVE:2025:5478
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
9,300 tokens
Inleiding
RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 24/3360
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser,
gemachtigde: mr. M.J.H. Mühlstaff,
en
het college van burgemeester en wethouders van Deventer (het college),
gemachtigde: I. Aslan.
Inleiding
1.1
Bij besluit van 5 februari 2024 (primair besluit) heeft het college besloten tot beëindiging van de maatwerkvoorziening ‘ondersteuning bij een schoon huis’ op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) in de vorm van zorg in natura (ZIN) bij Solis met onmiddellijke ingang.
1.2
Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar ingesteld. Met het bestreden besluit van 16 juli 2024 op het bezwaar van eiser is het college bij dat besluit gebleven.
1.3
Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4
De rechtbank heeft het beroep op 21 november 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, bijgestaan door zijn neef [neef van eiser], de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college, bijgestaan door [naam]. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om het college in de gelegenheid te stellen de aantekeningen van de hoorzitting in bezwaar in te dienen en eiser in de gelegenheid te stellen een afschrift van zijn pleitaantekeningen in te dienen. Na ontvangst van de aantekeningen van de hoorzitting, waar het college een begeleidend schrijven bij had gevoegd, heeft eiser gebruik gemaakt van de gelegenheid hierop te reageren. De rechtbank heeft partijen in de gelegenheid gesteld mede te delen of zij behandeling van het beroep op een nadere zitting wensten. Eiser heeft de rechtbank verzocht het beroep op een nadere zitting te behandelen.
1.5
De rechtbank heeft het beroep vervolgens op de zitting van 29 januari 2025 behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, bijgestaan door zijn neef [neef van eiser], de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college, bijgestaan door [naam]. De gemachtigde van eiser, de gemachtigde van het college en [naam] hebben via een beeldverbinding deelgenomen aan de zitting.
Totstandkoming van het besluit
2. Het college heeft eiser een indicatie verleend voor hulp in de huishouding (150 minuten per week) in de vorm van zorg in natura en persoonlijke ondersteuning (begeleiding) basis plus (180 minuten per week) in de vorm van zorg in natura. De hulp in de huishouding werd verleend door zorgaanbieder Solis en de persoonlijke ondersteuning (begeleiding) werd en wordt nog verleend door zorgaanbieder Interakt Contour. Na een incident op 24 januari 2024 heeft besluitvorming plaatsgevonden, zoals vermeld in de Inleiding.
Standpunten van partijen
3.1
Het college stelt zich op het standpunt dat gebleken is dat de veiligheid van de medewerkers, die de huishoudelijke hulp hebben verleend vanwege de beperkingen van eiser, niet gewaarborgd kan worden. Daarom heeft het college eisers indicatie beëindigd. Aanleiding is een incident op 24 januari 2024, waarbij twee medewerkers van Solis door eiser zijn opgesloten in een kamer. De medewerkers konden de woning niet verlaten. Er ontstond een onveilige situatie en angstige momenten voor deze medewerkers. Solis is niet meer bereid om de ondersteuning in huishoudelijke hulp voor eiser voort te zetten.
Volgens het college is het besluit tot beëindiging van de indicatie niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel.
3.2
Eiser bestrijdt dat sprake is geweest van een incident, zoals beschreven door de medewerkers van Solis. Hij heeft nooit iemand opgesloten. Het waren juist de medewerkers van Solis die oneigenlijk handelden tegen eiser en hem onder druk zetten, waarbij spullen uit zijn huis werden meegenomen. Als op het gedrag van eiser al iets valt aan te merken, is dit geheel en alleen te wijten aan zijn CVA. In oktober 2020 heeft eiser een zwaar herseninfarct gekregen en als gevolg daarvan is zijn gedrag veranderd. Het college heeft steken laten vallen. Eisers neef heeft geholpen om een zorgverlener in [plaats] te vinden. Eiser heeft emotioneel en financieel schade geleden en is van mening dat de gemeente de kosten van de ingeschakelde hulp zou moeten vergoeden.
3.3
Het college heeft in het aangevoerde geen aanleiding gezien zijn standpunt te wijzigen.
Het college is van mening dat het college zorgvuldig heeft gehandeld, aangezien hier de veiligheid van de hulpverleners in het geding was en het college in de tussentijd (juist om eiser te compenseren) de uren voor persoonlijke ondersteuning heeft opgehoogd met als doel dat deze professional eiser helpt met het opruimen van zijn woning. Eiser heeft zich niet gehouden aan de afspraak zich te melden bij de Wmo-coach om de inzet van huishoudelijke hulp opnieuw te bespreken, zodra de situatie was gestabiliseerd. Bij een huisbezoek op 16 oktober 2024 bleek dat eiser op eigen initiatief een particuliere hulp in de huishouding had ingeschakeld. Hij heeft toen verklaard dat hij geen aanspraak meer wilde maken op Wmo-ondersteuning voor hulp in de huishouding. Bij een huisbezoek op 6 november 2024 heeft eiser verklaard dat hij een persoonsgebonden budget (PGB) voor de huishoudelijke hulp wil. Eiser kan een pgb worden toegekend per 1 augustus 2024 indien is voldaan aan de voorwaarden en eiser een PGB budgetbeheerder kan aanwijzen.
Beoordeling
4.1
Artikel 2.3.2, vierde lid, onderdeel d, van de Wmo 2015 bepaalt dat het college een toekenningsbesluit kan herzien dan wel intrekken, indien het college vaststelt dat de cliënt niet voldoet aan de aan de maatwerkvoorziening of het persoonsgebonden budget verbonden voorwaarden.
4.2
In artikel 14 van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Deventer 2024 (de Verordening) zijn voorwaarden en weigeringsgronden vastgesteld.
Ingevolge artikel 14, eerste lid, onderdeel j, van de Verordening wordt geen maatwerkvoorziening verstrekt, als deze als gevolg van de beperkingen van de cliënt voor zichzelf of voor derden onveilig is.
Beoordeling
Tijdigheid van het beroep
5. De rechtbank stelt vast dat de beroepstermijn is overschreden met één dag. In het beroepschrift heeft eiser hierover opgemerkt:
“Dat het beroep laat wordt ingediend is een gevolg van de CVA van cliënt en het feit dat hij niet kan lezen. Dat lezen wordt gedaan door een neef van cliënt, die net terug is van vakantie. Ook wordt aangegeven dat de post - sinds jaar en dag - niet meer op tijd wordt bezorgd en dat daar dagen tussen zitten. Dat is eerder regel dan uitzondering.”
Eiser heeft beperkingen ten aanzien van lezen en schrijven als gevolg van het CVA dat hij heeft doorgemaakt. Dit is de rechtbank ook gebleken tijdens de zitting. Gelet hierop en gelet op de geringe overschrijding van de beroepstermijn, is de rechtbank van oordeel dat de overschrijding van de beroepstermijn verschoonbaar is.
Ten aanzien van de beëindiging van de indicatie
6. De rechtbank beoordeelt of het bestreden besluit zorgvuldig tot stand is gekomen en in beroep kan worden gehandhaafd. Zij doet dit aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
6.1
De rechtbank is van oordeel dat het college voldoende onderzoek heeft gedaan naar hetgeen is voorgevallen op 24 januari 2024. Duidelijk is dat de medewerkers van Solis en eiser verschillende lezingen hebben gegeven van hetgeen is gebeurd. De Algemene Bezwaarschriftencommissie heeft het college daarom om een nadere reactie gevraagd.
Het college heeft nader telefonisch contact opgenomen met de Wmo-coach. De Wmo-coach heeft in notities vermeld dat hij telefonisch en via een e-mail contact heeft gehad met eisers begeleider bij Interakt Contour. De begeleider heeft vermeld dat eiser agressief kan reageren op derden. Ook was de begeleider aanwezig in de woning nadat het incident heeft plaatsgevonden en heeft hij met partijen gepraat. De begeleider beaamt hierin dat er een incident heeft plaatsgevonden bij eiser thuis.
6.2
De rechtbank is van oordeel dat het college hiermee voldoende zorgvuldig onderzoek heeft gedaan. Zonder dat de rechtbank hierbij de details van het incident kan vaststellen, en dus ook niet kan vaststellen of eiser de betrokken medewerkers heeft ingesloten, of dat de medewerkers eiser op een oneigenlijke wijze onder druk zette, is duidelijk dat er zich een incident heeft voorgedaan. Zowel de medewerkers van Solis als eisers begeleider hebben hiervan melding gemaakt. Aangezien Solis heeft gesteld dat sprake was een onveilige situatie voor haar medewerkers, zij verdere zorgverlening weigerde en de zorg in natura in de toekenningsbesluiten was gekoppeld aan Solis als uitvoerder van de te verlenen zorg, kon verweerder niet anders dan besluiten de zorg in natura, voor zover deze werd geleverd door Solis, te beëindigen. In zoverre heeft het college in redelijkheid tot beëindiging van de maatwerkvoorziening ‘ondersteuning bij een schoon huis’ kunnen overgaan.
6.3
De rechtbank stelt echter vast dat tussen partijen niet in geschil is dat eiser ten tijde van het incident en daarna een zorgbehoefte bij hulp in de huishouding bleef hebben en dat de beëindiging enkel gelegen is in het incident met de medewerkers van Solis. Dat sprake is van een incident waardoor de maatwerkvoorziening in de vorm van ZIN, uitgevoerd door Solis, is beëindigd, ontslaat het college daarom niet van zijn compensatieplicht op grond van de Wmo 2015. Tussen partijen is immers niet in geschil dat eiser nog steeds was en is aangewezen op een maatwerkvoorziening voor huishoudelijke ondersteuning. Desalniettemin is niet gebleken dat bij de primaire besluitvorming is onderzocht of in die zorgbehoefte op een andere manier, bijvoorbeeld door verstrekking van een PGB, kon worden voorzien.
6.4
Het college heeft in bezwaar wel onderzocht of eiser op een andere manier geholpen/gecompenseerd kon worden. Het college stelt te hebben onderzocht of het verstrekken van een Persoonsgebonden budget (PGB) een oplossing is. Volgens het college is uit onderzoek gebleken dat eiser ten tijde van bezwaar niet aan de voorwaarden voor een PGB kon voldoen, omdat hij de aan een PGB verbonden taken niet kon uitvoeren, in het bijzonder omdat hij niet over een netwerk kon beschikken en zelf niet PGB-vaardig zou zijn. Het college heeft, gelet op de problematiek van eiser, een melding gedaan bij het Bijzonder Zorgteam. Het Bijzonder Zorgteam heeft op 28 maart 2024 een multidisciplinair overleg georganiseerd in aanwezigheid van eiser en zijn persoonlijke ondersteuner van Interakt Contour. Hierbij is een aantal afspraken gemaakt met eiser, waaronder de afspraak dat eerst zal worden overgegaan (met behulp van het Bijzonder zorgteam) tot het opruimen van zijn woning. Nadat zijn woning is opgeruimd, zal onderzocht worden of het mogelijk is om op een veilige manier ondersteuning bij een schoon huis te kunnen bieden. In beroep heeft het college zich op het standpunt gesteld dat een PGB (inmiddels) wel tot de mogelijkheden behoort, als een PGB-budgetbeheerder kan worden aangewezen. Volgens het college had eiser echter na de beslissing op bezwaar zelf aangegeven geen PGB te willen.
6.5
De rechtbank is van oordeel dat het college te kort is geschoten in zijn compensatieplicht door in bezwaar in het kader van de heroverweging naar aanleiding van de hoorzitting niet (kenbaar) de mogelijkheid van de verstrekking van de maatwerkvoorziening in de vorm van een PGB te onderzoeken. De rechtbank stelt vast dat tijdens de zitting van deze rechtbank is gebleken dat de neef van eiser ondersteuning aan eiser verleent. Hij is in beginsel ook bereid als PGB-budgetbeheerder op te treden, zodat daarmee, gelet ook op de reactie van het college in beroep, geen belemmering lijkt te bestaan voor het verlenen van een PGB aan eiser. Verder was de neef van eiser ook aanwezig tijdens de hoorzitting in bezwaar van 14 mei 2024. Tijdens de hoorzitting is de mogelijkheid van een PGB in het geheel niet besproken. In de beslissing op bezwaar is deze mogelijkheid vervolgens afgewezen, zonder dat is gebleken dat daadwerkelijk naar het netwerk van eiser onderzoek was gedaan, getuige het feit dat de beschikbaarheid van de neef niet in de afwegingen is betrokken. Dat het college stelt dat zij meende dat eiser niet over een netwerk beschikte en daarom de mogelijkheid tot een PGB niet verder heeft onderzocht, getuigt van onzorgvuldig handelen van het college. Het komt de rechtbank voor dat als het college tijdens de hoorzitting in bezwaar die mogelijkheid zou hebben besproken, de neef van eiser ook destijds kenbaar zou hebben gemaakt hierin ondersteuning te kunnen verlenen. Dat eiser voorts na de beslissing op bezwaar in overleg met het college te kennen zou hebben gegeven geen PGB te willen, doet aan het voorgaande geen afbreuk. Van die stelling bevindt zich geen enkele bevestiging in de stukken in de vorm van – bijvoorbeeld – een schriftelijk verslag waarop eiser had kunnen reageren. Bovendien, zelfs al zou eiser zulks hebben medegedeeld, dan had het college, rekening houdend met het CVA van eiser, moeten onderzoeken of eiser wel daadwerkelijk de gevolgen van een dergelijke weigering begreep, bijvoorbeeld door een en ander met eiser in aanwezigheid van de neef of de gemachtigde van eiser te bespreken. Nu tijdens de gerechtszitting is gebleken dat eiser juist open staat voor een PGB acht de rechtbank ook niet aannemelijk dat eiser, indien hij volledig geïnformeerd en door zijn neef of gemachtigde ondersteund was, de mogelijkheid van een PGB zou hebben afgewezen.
Conclusie
7. Uit 6.3 tot en met 6.6 volgt dat het bestreden besluit van 16 juli 2024 in strijd moet worden geacht met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb.
8. Het beroep is gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit van 16 juli 2024 vernietigen. De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb bepalen dat het college binnen zes weken een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. Daarbij zal het college in het bijzonder ook moeten onderzoeken of aan eiser een PGB ten behoeve van hulp in de huishouding kan worden verstrekt.
8.1
Eiser heeft nog verzocht om een schadevergoeding. Eiser heeft zijn verzoek om schadevergoeding evenwel hoofdzakelijk mondeling toegelicht en, anders dan het overleggen van kwitanties van door hemzelf ingeschakelde hulp, niet middels een schriftelijk verzoek ingediend. Daarnaast staat (de omvang van) de schade nog niet vast, zolang het college nog geen nieuw besluit op bezwaar in overeenstemming met deze uitspraak heeft genomen. Aldus is het verzoek in strijd met artikel 8:92 Awb en prematuur ingediend. De rechtbank zal eiser in zijn verzoek daarom niet-ontvankelijk verklaren. Het staat eiser vrij om, nadat een nieuw besluit op bezwaar is genomen, alsnog een verzoek tot schadevergoeding conform titel 8.4 van de Awb in te dienen, voor zover het college met de nieuw te nemen beslissing op bezwaar niet reeds zelf tot vergoeding van geleden schade overgaat.
9. Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 907,- per punt.
De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend (1 punt) en heeft aan de zitting (1 punt) en de nadere zitting (0,5 punt) van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 2.267,50.
De rechtbank acht het aangewezen dat het college bij het nieuw te nemen besluit op bezwaar tevens een besluit neemt ten aanzien van het verzoek om vergoeding van de proceskosten in bezwaar.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 16 juli 2024;
- draagt het college op binnen zes weken een nieuw besluit op het bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- verklaart eiser in zijn verzoek om schadevergoeding niet-ontvankelijk;
- veroordeelt het college in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.267,50;
- bepaalt dat het college aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 51,-vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.J. Thurlings-Rassa, rechter, in aanwezigheid van
W. Veldman, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Inleiding
RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 24/3360
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser,
gemachtigde: mr. M.J.H. Mühlstaff,
en
het college van burgemeester en wethouders van Deventer (het college),
gemachtigde: I. Aslan.
Inleiding
1.1
Bij besluit van 5 februari 2024 (primair besluit) heeft het college besloten tot beëindiging van de maatwerkvoorziening ‘ondersteuning bij een schoon huis’ op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) in de vorm van zorg in natura (ZIN) bij Solis met onmiddellijke ingang.
1.2
Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar ingesteld. Met het bestreden besluit van 16 juli 2024 op het bezwaar van eiser is het college bij dat besluit gebleven.
1.3
Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4
De rechtbank heeft het beroep op 21 november 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, bijgestaan door zijn neef [neef van eiser], de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college, bijgestaan door [naam]. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om het college in de gelegenheid te stellen de aantekeningen van de hoorzitting in bezwaar in te dienen en eiser in de gelegenheid te stellen een afschrift van zijn pleitaantekeningen in te dienen. Na ontvangst van de aantekeningen van de hoorzitting, waar het college een begeleidend schrijven bij had gevoegd, heeft eiser gebruik gemaakt van de gelegenheid hierop te reageren. De rechtbank heeft partijen in de gelegenheid gesteld mede te delen of zij behandeling van het beroep op een nadere zitting wensten. Eiser heeft de rechtbank verzocht het beroep op een nadere zitting te behandelen.
1.5
De rechtbank heeft het beroep vervolgens op de zitting van 29 januari 2025 behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, bijgestaan door zijn neef [neef van eiser], de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college, bijgestaan door [naam]. De gemachtigde van eiser, de gemachtigde van het college en [naam] hebben via een beeldverbinding deelgenomen aan de zitting.
Totstandkoming van het besluit
2. Het college heeft eiser een indicatie verleend voor hulp in de huishouding (150 minuten per week) in de vorm van zorg in natura en persoonlijke ondersteuning (begeleiding) basis plus (180 minuten per week) in de vorm van zorg in natura. De hulp in de huishouding werd verleend door zorgaanbieder Solis en de persoonlijke ondersteuning (begeleiding) werd en wordt nog verleend door zorgaanbieder Interakt Contour. Na een incident op 24 januari 2024 heeft besluitvorming plaatsgevonden, zoals vermeld in de Inleiding.
Standpunten van partijen
3.1
Het college stelt zich op het standpunt dat gebleken is dat de veiligheid van de medewerkers, die de huishoudelijke hulp hebben verleend vanwege de beperkingen van eiser, niet gewaarborgd kan worden. Daarom heeft het college eisers indicatie beëindigd. Aanleiding is een incident op 24 januari 2024, waarbij twee medewerkers van Solis door eiser zijn opgesloten in een kamer. De medewerkers konden de woning niet verlaten. Er ontstond een onveilige situatie en angstige momenten voor deze medewerkers. Solis is niet meer bereid om de ondersteuning in huishoudelijke hulp voor eiser voort te zetten.
Volgens het college is het besluit tot beëindiging van de indicatie niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel.
3.2
Eiser bestrijdt dat sprake is geweest van een incident, zoals beschreven door de medewerkers van Solis. Hij heeft nooit iemand opgesloten. Het waren juist de medewerkers van Solis die oneigenlijk handelden tegen eiser en hem onder druk zetten, waarbij spullen uit zijn huis werden meegenomen. Als op het gedrag van eiser al iets valt aan te merken, is dit geheel en alleen te wijten aan zijn CVA. In oktober 2020 heeft eiser een zwaar herseninfarct gekregen en als gevolg daarvan is zijn gedrag veranderd. Het college heeft steken laten vallen. Eisers neef heeft geholpen om een zorgverlener in [plaats] te vinden. Eiser heeft emotioneel en financieel schade geleden en is van mening dat de gemeente de kosten van de ingeschakelde hulp zou moeten vergoeden.
3.3
Het college heeft in het aangevoerde geen aanleiding gezien zijn standpunt te wijzigen.
Het college is van mening dat het college zorgvuldig heeft gehandeld, aangezien hier de veiligheid van de hulpverleners in het geding was en het college in de tussentijd (juist om eiser te compenseren) de uren voor persoonlijke ondersteuning heeft opgehoogd met als doel dat deze professional eiser helpt met het opruimen van zijn woning. Eiser heeft zich niet gehouden aan de afspraak zich te melden bij de Wmo-coach om de inzet van huishoudelijke hulp opnieuw te bespreken, zodra de situatie was gestabiliseerd. Bij een huisbezoek op 16 oktober 2024 bleek dat eiser op eigen initiatief een particuliere hulp in de huishouding had ingeschakeld. Hij heeft toen verklaard dat hij geen aanspraak meer wilde maken op Wmo-ondersteuning voor hulp in de huishouding. Bij een huisbezoek op 6 november 2024 heeft eiser verklaard dat hij een persoonsgebonden budget (PGB) voor de huishoudelijke hulp wil. Eiser kan een pgb worden toegekend per 1 augustus 2024 indien is voldaan aan de voorwaarden en eiser een PGB budgetbeheerder kan aanwijzen.
Beoordeling
4.1
Artikel 2.3.2, vierde lid, onderdeel d, van de Wmo 2015 bepaalt dat het college een toekenningsbesluit kan herzien dan wel intrekken, indien het college vaststelt dat de cliënt niet voldoet aan de aan de maatwerkvoorziening of het persoonsgebonden budget verbonden voorwaarden.
4.2
In artikel 14 van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Deventer 2024 (de Verordening) zijn voorwaarden en weigeringsgronden vastgesteld.
Ingevolge artikel 14, eerste lid, onderdeel j, van de Verordening wordt geen maatwerkvoorziening verstrekt, als deze als gevolg van de beperkingen van de cliënt voor zichzelf of voor derden onveilig is.
Beoordeling
Tijdigheid van het beroep
5. De rechtbank stelt vast dat de beroepstermijn is overschreden met één dag. In het beroepschrift heeft eiser hierover opgemerkt:
“Dat het beroep laat wordt ingediend is een gevolg van de CVA van cliënt en het feit dat hij niet kan lezen. Dat lezen wordt gedaan door een neef van cliënt, die net terug is van vakantie. Ook wordt aangegeven dat de post - sinds jaar en dag - niet meer op tijd wordt bezorgd en dat daar dagen tussen zitten. Dat is eerder regel dan uitzondering.”
Eiser heeft beperkingen ten aanzien van lezen en schrijven als gevolg van het CVA dat hij heeft doorgemaakt. Dit is de rechtbank ook gebleken tijdens de zitting. Gelet hierop en gelet op de geringe overschrijding van de beroepstermijn, is de rechtbank van oordeel dat de overschrijding van de beroepstermijn verschoonbaar is.
Ten aanzien van de beëindiging van de indicatie
6. De rechtbank beoordeelt of het bestreden besluit zorgvuldig tot stand is gekomen en in beroep kan worden gehandhaafd. Zij doet dit aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
6.1
De rechtbank is van oordeel dat het college voldoende onderzoek heeft gedaan naar hetgeen is voorgevallen op 24 januari 2024. Duidelijk is dat de medewerkers van Solis en eiser verschillende lezingen hebben gegeven van hetgeen is gebeurd. De Algemene Bezwaarschriftencommissie heeft het college daarom om een nadere reactie gevraagd.
Het college heeft nader telefonisch contact opgenomen met de Wmo-coach. De Wmo-coach heeft in notities vermeld dat hij telefonisch en via een e-mail contact heeft gehad met eisers begeleider bij Interakt Contour. De begeleider heeft vermeld dat eiser agressief kan reageren op derden. Ook was de begeleider aanwezig in de woning nadat het incident heeft plaatsgevonden en heeft hij met partijen gepraat. De begeleider beaamt hierin dat er een incident heeft plaatsgevonden bij eiser thuis.
6.2
De rechtbank is van oordeel dat het college hiermee voldoende zorgvuldig onderzoek heeft gedaan. Zonder dat de rechtbank hierbij de details van het incident kan vaststellen, en dus ook niet kan vaststellen of eiser de betrokken medewerkers heeft ingesloten, of dat de medewerkers eiser op een oneigenlijke wijze onder druk zette, is duidelijk dat er zich een incident heeft voorgedaan. Zowel de medewerkers van Solis als eisers begeleider hebben hiervan melding gemaakt. Aangezien Solis heeft gesteld dat sprake was een onveilige situatie voor haar medewerkers, zij verdere zorgverlening weigerde en de zorg in natura in de toekenningsbesluiten was gekoppeld aan Solis als uitvoerder van de te verlenen zorg, kon verweerder niet anders dan besluiten de zorg in natura, voor zover deze werd geleverd door Solis, te beëindigen. In zoverre heeft het college in redelijkheid tot beëindiging van de maatwerkvoorziening ‘ondersteuning bij een schoon huis’ kunnen overgaan.
6.3
De rechtbank stelt echter vast dat tussen partijen niet in geschil is dat eiser ten tijde van het incident en daarna een zorgbehoefte bij hulp in de huishouding bleef hebben en dat de beëindiging enkel gelegen is in het incident met de medewerkers van Solis. Dat sprake is van een incident waardoor de maatwerkvoorziening in de vorm van ZIN, uitgevoerd door Solis, is beëindigd, ontslaat het college daarom niet van zijn compensatieplicht op grond van de Wmo 2015. Tussen partijen is immers niet in geschil dat eiser nog steeds was en is aangewezen op een maatwerkvoorziening voor huishoudelijke ondersteuning. Desalniettemin is niet gebleken dat bij de primaire besluitvorming is onderzocht of in die zorgbehoefte op een andere manier, bijvoorbeeld door verstrekking van een PGB, kon worden voorzien.
6.4
Het college heeft in bezwaar wel onderzocht of eiser op een andere manier geholpen/gecompenseerd kon worden. Het college stelt te hebben onderzocht of het verstrekken van een Persoonsgebonden budget (PGB) een oplossing is. Volgens het college is uit onderzoek gebleken dat eiser ten tijde van bezwaar niet aan de voorwaarden voor een PGB kon voldoen, omdat hij de aan een PGB verbonden taken niet kon uitvoeren, in het bijzonder omdat hij niet over een netwerk kon beschikken en zelf niet PGB-vaardig zou zijn. Het college heeft, gelet op de problematiek van eiser, een melding gedaan bij het Bijzonder Zorgteam. Het Bijzonder Zorgteam heeft op 28 maart 2024 een multidisciplinair overleg georganiseerd in aanwezigheid van eiser en zijn persoonlijke ondersteuner van Interakt Contour. Hierbij is een aantal afspraken gemaakt met eiser, waaronder de afspraak dat eerst zal worden overgegaan (met behulp van het Bijzonder zorgteam) tot het opruimen van zijn woning. Nadat zijn woning is opgeruimd, zal onderzocht worden of het mogelijk is om op een veilige manier ondersteuning bij een schoon huis te kunnen bieden. In beroep heeft het college zich op het standpunt gesteld dat een PGB (inmiddels) wel tot de mogelijkheden behoort, als een PGB-budgetbeheerder kan worden aangewezen. Volgens het college had eiser echter na de beslissing op bezwaar zelf aangegeven geen PGB te willen.
6.5
De rechtbank is van oordeel dat het college te kort is geschoten in zijn compensatieplicht door in bezwaar in het kader van de heroverweging naar aanleiding van de hoorzitting niet (kenbaar) de mogelijkheid van de verstrekking van de maatwerkvoorziening in de vorm van een PGB te onderzoeken. De rechtbank stelt vast dat tijdens de zitting van deze rechtbank is gebleken dat de neef van eiser ondersteuning aan eiser verleent. Hij is in beginsel ook bereid als PGB-budgetbeheerder op te treden, zodat daarmee, gelet ook op de reactie van het college in beroep, geen belemmering lijkt te bestaan voor het verlenen van een PGB aan eiser. Verder was de neef van eiser ook aanwezig tijdens de hoorzitting in bezwaar van 14 mei 2024. Tijdens de hoorzitting is de mogelijkheid van een PGB in het geheel niet besproken. In de beslissing op bezwaar is deze mogelijkheid vervolgens afgewezen, zonder dat is gebleken dat daadwerkelijk naar het netwerk van eiser onderzoek was gedaan, getuige het feit dat de beschikbaarheid van de neef niet in de afwegingen is betrokken. Dat het college stelt dat zij meende dat eiser niet over een netwerk beschikte en daarom de mogelijkheid tot een PGB niet verder heeft onderzocht, getuigt van onzorgvuldig handelen van het college. Het komt de rechtbank voor dat als het college tijdens de hoorzitting in bezwaar die mogelijkheid zou hebben besproken, de neef van eiser ook destijds kenbaar zou hebben gemaakt hierin ondersteuning te kunnen verlenen. Dat eiser voorts na de beslissing op bezwaar in overleg met het college te kennen zou hebben gegeven geen PGB te willen, doet aan het voorgaande geen afbreuk. Van die stelling bevindt zich geen enkele bevestiging in de stukken in de vorm van – bijvoorbeeld – een schriftelijk verslag waarop eiser had kunnen reageren. Bovendien, zelfs al zou eiser zulks hebben medegedeeld, dan had het college, rekening houdend met het CVA van eiser, moeten onderzoeken of eiser wel daadwerkelijk de gevolgen van een dergelijke weigering begreep, bijvoorbeeld door een en ander met eiser in aanwezigheid van de neef of de gemachtigde van eiser te bespreken. Nu tijdens de gerechtszitting is gebleken dat eiser juist open staat voor een PGB acht de rechtbank ook niet aannemelijk dat eiser, indien hij volledig geïnformeerd en door zijn neef of gemachtigde ondersteund was, de mogelijkheid van een PGB zou hebben afgewezen.
Conclusie
7. Uit 6.3 tot en met 6.6 volgt dat het bestreden besluit van 16 juli 2024 in strijd moet worden geacht met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb.
8. Het beroep is gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit van 16 juli 2024 vernietigen. De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb bepalen dat het college binnen zes weken een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. Daarbij zal het college in het bijzonder ook moeten onderzoeken of aan eiser een PGB ten behoeve van hulp in de huishouding kan worden verstrekt.
8.1
Eiser heeft nog verzocht om een schadevergoeding. Eiser heeft zijn verzoek om schadevergoeding evenwel hoofdzakelijk mondeling toegelicht en, anders dan het overleggen van kwitanties van door hemzelf ingeschakelde hulp, niet middels een schriftelijk verzoek ingediend. Daarnaast staat (de omvang van) de schade nog niet vast, zolang het college nog geen nieuw besluit op bezwaar in overeenstemming met deze uitspraak heeft genomen. Aldus is het verzoek in strijd met artikel 8:92 Awb en prematuur ingediend. De rechtbank zal eiser in zijn verzoek daarom niet-ontvankelijk verklaren. Het staat eiser vrij om, nadat een nieuw besluit op bezwaar is genomen, alsnog een verzoek tot schadevergoeding conform titel 8.4 van de Awb in te dienen, voor zover het college met de nieuw te nemen beslissing op bezwaar niet reeds zelf tot vergoeding van geleden schade overgaat.
9. Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 907,- per punt.
De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend (1 punt) en heeft aan de zitting (1 punt) en de nadere zitting (0,5 punt) van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 2.267,50.
De rechtbank acht het aangewezen dat het college bij het nieuw te nemen besluit op bezwaar tevens een besluit neemt ten aanzien van het verzoek om vergoeding van de proceskosten in bezwaar.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 16 juli 2024;
- draagt het college op binnen zes weken een nieuw besluit op het bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- verklaart eiser in zijn verzoek om schadevergoeding niet-ontvankelijk;
- veroordeelt het college in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.267,50;
- bepaalt dat het college aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 51,-vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.J. Thurlings-Rassa, rechter, in aanwezigheid van
W. Veldman, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.