Rechtspraak
Rechtbank Overijssel
2025-07-16
ECLI:NL:RBOVE:2025:4943
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,671 tokens
Inleiding
RECHTBANK Overijssel
Civiel recht
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: C/08/331793 / HA ZA 25-121
Vonnis van 16 juli 2025
in de zaak van
1
[eiser 1],
te [woonplaats 1],2. [eiser 2],
te [woonplaats 2],
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eiser 1] en [eiser 2],
advocaat: mr. D.F. Fransen,
tegen
[gedaagde]
,
te [woonplaats 3],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
advocaat: mr. J. Engels.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
2.1.
[gedaagde] had tot 24 maart 2023 een eenmanszaak onder de naam [bedrijf]. De eenmanszaak had als activiteiten onder meer algemene burgerlijke en utiliteitsbouw en groothandel gespecialiseerd in overige bouwmaterialen.
2.2.
Op 23 augustus 2021 is tussen partijen een overeenkomst tot stand gekomen over de (op)levering van meerdere zeecontainers die tezamen een woning zouden vormen. De zeecontainerwoning zou geplaatst worden in Deventer voor 22 mei 2023 en de definitieve afwerking zou klaar zijn voor 16 juni 2023.
2.3.
Op 13 februari 2023 hebben partijen een overeenkomst gesloten ten aanzien van meerwerk.
2.4.
[eiser 1] en [eiser 2] hebben op grond van deze overeenkomsten een bedrag van € 247.232,47 betaald aan [gedaagde].
2.5.
[gedaagde] heeft niets opgeleverd of terugbetaald.
2.6.
Op 24 maart 2023 is het faillissement van [gedaagde] uitgesproken.
2.7.
Op 15 mei 2023 heeft de curator in het faillissement van [gedaagde] per e-mail te kennen gegeven dat de overeenkomst niet meer nagekomen kon worden.
2.8.
Op 5 juni 2023 is de vordering ingediend in het faillissement en zijn de overeenkomsten ontbonden.
2.9.
Op 21 januari 2025 is het faillissement opgeheven vanwege gebrek aan baten.
Geschil
3.1.
[eiser 1] en [eiser 2] vorderen – samengevat – veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 247.232,47, vermeerderd met rente en kosten.
3.2.
[gedaagde] voert geen verweer.
Beoordeling
Hoofdsom
4.1.
De stellingen van [eiser 1] en [eiser 2] kunnen het gevorderde dragen en zijn door [gedaagde] niet weersproken. Het gevorderde moet daarom worden toegewezen.
Buitengerechtelijke incassokosten
4.2.
[eiser 1] en [eiser 2] vorderen vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De rechtbank stelt vast dat [gedaagde] is gedagvaard als een natuurlijk persoon die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf. Daarom moet de rechtbank controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. [eiser 1] en [eiser 2] hebben aan [gedaagde] een aanmaning verstuurd die niet voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. In de aanmaning is namelijk geen betalingstermijn van veertien dagen gegeven die ingaat op de dag na ontvangst van de aanmaning door [gedaagde]. Dit is wel vereist op grond van artikel 6:96 lid 6 BW. De gevorderde vergoeding zal daarom worden afgewezen.
Proceskosten
4.3.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser 1] en [eiser 2] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
146,14
- griffierecht
€
2.723,00
- salaris advocaat
€
2.714,00
(1 punt × € 2.714,00)
- nakosten
€
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
5.761,14
4.4.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Dictum
De rechtbank
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser 1] en [eiser 2] te betalen een bedrag van € 247.232,47, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 16 mei 2023, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 5.761,14, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst af en meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.F. van Aalst en in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2025.