Rechtspraak
Rechtbank Overijssel
2025-06-24
ECLI:NL:RBOVE:2025:4088
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,042 tokens
Inleiding
RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 24/3955
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
en
de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen
(hierna: het CBR), verweerder (gemachtigde: [gemachtigde]).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de ongeldigverklaring van eisers rijbewijs wegens alcoholmisbruik. Eiser is het niet eens met deze ongeldigverklaring. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het CBR eisers rijbewijs terecht ongeldig heeft verklaard.
1.1.
De rechtbank oordeelt in deze uitspraak dat het CBR het rijbewijs van eiser terecht ongeldig heeft verklaard. Het CBR mocht zich baseren op het psychiatrisch rapport, waarin de diagnose “alcoholmisbruik” is gesteld. Deze diagnose is onder meer gebaseerd op de omstandigheid dat bij het bloedonderzoek bij eiser een verhoogde CDT-waarde is vastgesteld. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de verhoogde CDT-waarde een andere oorzaak heeft dan alcoholgebruik. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Met een besluit van 11 april 2024 heeft het CBR eisers rijbewijs ongeldig verklaard. Met een besluit van 30 september 2024 (hierna: het bestreden besluit) heeft het CBR eisers bezwaar tegen het besluit van 11 april 2024 ongegrond verklaard en is het CBR bij de ongeldigverklaring van het rijbewijs gebleven.
2.1.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep (hierna: de CRvB). De CRvB heeft het beroep doorgezonden naar de rechtbank. Het CBR heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 23 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van het CBR.
Beoordeling
De niet betwiste feiten
3. De rechtbank stelt vast dat de volgende feiten tussen partijen niet betwist zijn.
3.1.
Op 17 juli 2023 is eiser als bestuurder van een auto betrokken geweest bij een ongeval. Hij is daarna aangehouden op verdenking van rijden onder invloed. Bij de daarop volgende alcoholcontrole is een ademalcoholgehalte van 1.025 μg/l (2,358 ‰) vastgesteld, terwijl maximaal 220 µg/l is toegestaan. Naar aanleiding daarvan heeft het CBR eiser in een besluit van 15 september 2023 verplicht om mee te werken aan een onderzoek naar zijn rijgeschiktheid. Ook heeft het CBR de geldigheid van eisers rijbewijs geschorst.
3.2.
Eiser is op 13 januari 2024 onderzocht door een psychiater. Het onderzoek bestond uit een anamnese, lichamelijk en psychiatrisch onderzoek en een laboratoriumonderzoek. De resultaten daarvan zijn neergelegd in een verslag van bevindingen. In dat psychiatrisch rapport is de diagnose “alcoholmisbruik” gesteld. Deze diagnose is met name gebaseerd op eisers verklaring over zijn alcoholgebruik en op een laboratoriumonderzoek waaruit is gebleken dat bij eiser sprake was van een CDT-waarde van 4,9%. Op 14 maart 2024 heeft de psychiater op basis van een telefonisch contact met eiser enkele aanvullende vragen van het CBR beantwoord. Eiser heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om een tweede onderzoek aan te vragen.
3.3.
In het besluit van 11 april 2024 heeft het CBR eisers rijbewijs ongeldig verklaard, omdat hij vanwege alcoholmisbruik ongeschikt is voor het besturen van een motorrijtuig. Aan dat oordeel heeft het CBR het hiervoor genoemde psychiatrisch rapport ten grondslag gelegd. Het CBR heeft het besluit gebaseerd op artikel 134, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de Wvw), in samenhang met artikel 27, aanhef en onder b, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 (hierna: de Regeling) en paragraaf 8.8 van de Regeling eisen geschiktheid 2000.
3.4.
In het bestreden besluit heeft het CBR het bezwaar van eiser tegen het besluit van 11 april 2024 ongegrond verklaard en is het CBR gebleven bij de ongeldigverklaring.
Toetsingskader
4. Het CBR besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs, indien de uitslag van het onderzoek inhoudt dat betrokkene niet voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijk en geestelijke geschiktheid voor het besturen van een of meer categorieën motorrijtuigen. Dit staat in artikel 134, tweede lid, van de Wvw, gelezen in samenhang met artikel 27, aanhef en onder b, van de Regeling.
4.1.
Personen die misbruik maken van alcohol zijn zonder meer ongeschikt voor het besturen van motorrijtuigen. Voor de beoordeling of sprake is van misbruik van alcohol is een specialistisch rapport vereist. Een strenge opstelling van de keurend arts is aangewezen, gezien de gevaren die het gebruik van deze middelen oplevert voor de verkeersveiligheid. Dit staat in hoofdstuk 2 en paragraaf 8.8 van de Regeling eisen geschiktheid 2000.
Heeft het CBR eisers rijbewijs terecht ongeldig verklaard?
5. Eiser stelt zich op het standpunt dat het CBR zijn rijbewijs ten onrechte ongeldig heeft verklaard. Hij voert aan dat het onderzoek door de psychiater niet volgens de richtlijnen van het CBR heeft plaatsgevonden. Het onderzoek werd uitgevoerd door een stagiaire en duurde slechts 25 tot 30 minuten, terwijl 60 minuten gebruikelijk is. Er heeft geen algemeen internistisch onderzoek, noch een oriënterend neurologisch onderzoek plaatsgevonden. Eiser stelt dat hij overdag nooit alcohol drinkt en al helemaal geen sterke drank. Ook stelt hij dat hij zelden naar een café gaat en op een feestje nooit alcohol drinkt als hij nog moet rijden. Verder voert eiser aan dat zijn aan alcoholgebruik gerelateerde bloedwaarden ASAT, ALAT, GAMMA GT en LDH prima zijn. De afwijkende bloedwaarde CDT is hiermee niet te rijmen. Mogelijke redenen daarvoor zouden volgens eiser kunnen zijn dat hij in het najaar van 2023 een bloedtransfusie heeft gehad of dat hij sinds 2008 de ziekte van Lyme heeft. De ziekte van Lyme kan leiden tot verhoogde CDT-niveaus. Eiser beschrijft zijn persoonlijke omstandigheden en voert aan dat hij in de 45 jaar dat hij zijn rijbewijs had nooit eerder positief is bevonden bij een alcoholtest.
6. De rechtbank is van oordeel dat het CBR het rijbewijs van eiser terecht ongeldig heeft verklaard. Zij zal dit hierna toelichten.
6.1.
Het CBR heeft de ongeldigverklaring van eisers rijbewijs gebaseerd op het rapport van de psychiater. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) dat slechts aanleiding bestaat om een op een psychiatrisch rapport gebaseerd besluit van het CBR niet in stand te laten, indien het psychiatrisch rapport naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont, inhoudelijk tegenstrijdig of anderszins niet of niet voldoende concludent is, dat het CBR zich daarop niet heeft mogen baseren.
6.2.
In een uitspraak van 24 april 2019 heeft de Afdeling de volgende algemene uitgangspunten geformuleerd voor de beoordeling van een psychiatrisch rapport in het kader van CBR-keuringen.
Het diagnosticeren van stoornissen in het gebruik van alcohol in het kader van CBR-keuringen is gericht op het algemene belang van de verkeersveiligheid. De diagnose “alcoholmisbruik in ruime zin” ten behoeve van CBR-zaken is een beschrijvende diagnose waarbij alle gegevens worden gebruikt die wijzen in de richting van problemen rond alcoholgebruik, terwijl aanwijzingen dat het onwaarschijnlijk is dat bij betrokkene sprake is van met alcoholgebruik gerelateerde problemen niet aanwezig zijn. Om tot een diagnose te kunnen komen heeft de psychiater de anamnese, het lichamelijk en psychiatrisch onderzoek, en het laboratoriumonderzoek als instrumenten tot zijn beschikking.
Het ademalcoholgehalte is steeds een momentopname. Daarom kan de diagnose “alcoholmisbruik in ruime zin” alleen worden verkregen met de hulp van meerdere aanwijzingen die deze diagnose ondersteunen en die een aanwijzing kunnen vormen voor aanwezigheid van alcoholproblemen. Deze aanwijzingen kunnen onder meer worden gevonden in de omstandigheden van de aanhouding. Daarbij valt te denken aan contextuele zaken of observaties van de verbalisanten. Daarnaast is het goed of langdurig kunnen functioneren met hoge promillages alcohol een aanwijzing voor alcoholtolerantie en daarmee voor de aanwezigheid van problemen met het gebruik van alcohol. In dat verband kan worden gedacht aan het kunnen besturen van een auto onder invloed van hoge promillages alcohol.
Voorts zijn afwijkende bloedwaarden die voorkomen bij mensen met een chronisch hoge alcoholconsumptie een aanwijzing voor de aanwezigheid van alcoholproblemen.
6.3.
Naar het oordeel van de rechtbank is er geen reden om te oordelen dat het psychiatrisch rapport naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont, inhoudelijk tegenstrijdig of anderszins niet of niet voldoende concludent is, dat het CBR zich daarop niet heeft mogen baseren. In de bijlage van de Regeling eisen geschiktheid 2000 is in hoofdstuk 2 bepaald dat waar voor de beoordeling van de geschiktheid een specialistisch rapport nodig is, daarmee is bedoeld een rapport dat is opgesteld en ondertekend door een medisch specialist, waarbij het is toegestaan dat delen van het onderzoek onder supervisie en verantwoordelijkheid van de specialist zijn uitgevoerd door een derde. Hieruit volgt dat het niet in strijd met deze regeling is dat delen van het onderzoek zijn uitgevoerd door de stagiair, nu deze onder supervisie stond van de psychiater en de psychiater ook aanwezig was bij het hele onderzoek.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de ongeldigverklaring van eisers rijbewijs in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.P.K. van Rosmalen, rechter, in aanwezigheid van mr. F.F. van Emst, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
de griffier is verhinderd om
deze uitspraak te ondertekenen
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 27 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2124, rechtsoverweging (hierna: r.o.) 8.1.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 24 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1339, r.o. 22 en 23.
Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 21 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1620, r.o. 3.2.
Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 14 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2685, r.o. 8.2.