Rechtspraak
Rechtbank Overijssel
2025-06-17
ECLI:NL:RBOVE:2025:3922
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
5,910 tokens
Inleiding
RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 71.143114.23 (P)
Datum vonnis: 17 juni 2025
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte]
,
geboren op [geboortedatum] 1980 in [geboorteplaats],
wonende aan [woonplaats].
1Het onderzoek op de terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 27 mei 2025 en 17 juni 2025.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadslieden mr. M.M.H. Zuketto en mr. L.A. van Essen, advocaten in Maastricht, naar voren is gebracht.
2De tenlastelegging
De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
feit 1: zich, in de periode van 1 juni 2019 tot en met 18 maart 2020, schuldig heeft gemaakt aan het (medeplegen van het) vervaardigen van en/of handelen in amfetamine en/of MDMA;
feit 2: in de periode van 1 juni 2019 tot en met 12 juni 2020 heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, die gericht was op de productie van synthetische harddrugs en de voorbereiding daarvan.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
1
Hij in of omstreeks de periode van 1 juni 2019 tot en met 18 maart 2020 te [plaats 1], gemeente Utrechtse Heuvelrug, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft vervaardigd, althans opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende amfetamine en/of MDMA, zijnde (telkens) (een) middel(en) als vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2
Hij in of omstreeks de periode van 1 juni 2019 tot en met 12 juni 2020 te [plaats 1] en/of te [plaats 2] en/of te [plaats 3] en/of te [plaats 4], althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie bestond uit een samenwerkingsverband van hem, verdachte, en een of meer perso(o)n(en), te weten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2], [medeverdachte 3], [medeverdachte 4], [medeverdachte 5], [medeverdachte 6], [medeverdachte 7], [medeverdachte 8], [medeverdachte 9] en/of [medeverdachte 10] en/of een of meer anderen, en welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten:
- het vervaardigen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen
en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig hebben van (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst 1 (synthetische harddrugs, te weten amfetamine en/of MDMA) en/of
- misdrijven als bedoeld in artikel 10a, eerste lid van de Opiumwet, te weten het plegen van voorbereidingshandelingen zoals bedoeld in laatstgenoemd artikel.
3. De bewijsmotivering
3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het procesdossier onvoldoende aanwijzingen en identificerende gegevens bevat aan de hand waarvan bewezen kan worden verklaard dat verdachte de gebruiker is van het EncroChat-account [accountnaam 1].
De verdediging heeft verder verzocht verdachte integraal vrij te spreken, wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs, ook indien wel aangenomen zou worden dat verdachte gebruik heeft gemaakt van het hiervoor genoemde EncroChat-account.
3.3
Beoordeling
Feit 1
Productie synthetische drugs in [plaats 1]
Op 18 maart 2020 werd [medeverdachte 8] (hierna: [medeverdachte 8]) aangehouden in een Fiat Ducato. Bij inspectie van de laadruimte van de Fiat Ducato zag de verbalisant meerdere vuilniszakken liggen en rook hij een chemische geur. In de vuilniszakken zaten gele schoonmaakdoekjes, een filterbus voor een zuurstofmasker, meerdere doosjes van latex handschoenen, een kartonnen doos met een aantal aluminium buizen en een paar laarzen, die een chemische geur afgaven. De aangetroffen goederen in combinatie met de chemische geur die werd waargenomen, hebben het vermoeden doen ontstaan dat [medeverdachte 8] zich bezighield met het vervaardigen van harddrugs.
Naar aanleiding daarvan is het perceel van [medeverdachte 8] aan de [adres 1] te [plaats 1] op 18 maart 2020 doorzocht. Bij die doorzoeking werd een openstaande zeecontainer aangetroffen met daarin meerdere jerrycans en een kookstel. Ook werden op het perceel meerdere gevulde 1000 liter containers (hierna: IBC’s) aangetroffen die voor het merendeel waren afgedekt met zeil of camouflagenetten.
Naast deze aangetroffen goederen werden op verschillende andere plaatsen op het perceel, in verschillende ruimtes, goederen aangetroffen, waaronder:
ongeveer 735 liter vloeistof, die met behulp van een elektronisch identificatieapparaat, de First Defender (hierna: FD), indicatief werd vastgesteld als BMK;
ongeveer 20 liter vloeistof, met behulp van de FD indicatief vastgesteld als amfetamine;
209 sealpakketten van elk ongeveer 2,6 kilogram met tabletten (in totaal 1.500.000 tabletten);
ongeveer 1100 kilo witte/gele poeder en brokken, met behulp van de FD indicatief vastgesteld als MAPA en APAA;
veel verschillende soorten hardware, onder meer ketels, scheitrechters, emmers, klemdekselvaten, jerrycans, en IBC's.
De aangetroffen goederen en chemicaliën zijn onderzocht en bemonsterd. Het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) heeft in de aangetroffen 20 liter vloeistof amfetamine aangetoond en dat de monsters van de 1.500.000 tabletten MDMA bevatten.
Verder zijn op de locatie in [plaats 1] (grond)stoffen aangetroffen waarvan zowel de LFO als het NFI hebben gerapporteerd dat deze worden gebruikt bij de productie van amfetamine. Op basis van de aangetroffen chemicaliën, productieapparatuur en afvalstoffen concludeert de LFO dat op deze locatie op grote schaal BMK en amfetamine werden geproduceerd.
Identificatie verdachte als [accountnaam 1]
Bij het onder 1 ten laste gelegde komt het voor de bewijsvoering in belangrijke mate aan op de inhoud van de ter beschikking gekomen EncroChat-berichten. De politie heeft aan verdachte en zijn medeverdachten bepaalde EncroChat-accounts toegeschreven die zij in verschillende perioden zouden hebben gebruikt. Voor het antwoord op de vraag of een verdachte als gebruiker van een bepaald account kan worden geïdentificeerd, heeft de politie onder meer gekeken naar onderlinge verbanden tussen de inhoud van chatberichten, paallocaties van EncroChat- en telefoontoestellen, in beslag genomen goederen en naar dat wat men wist over de persoonlijke omstandigheden van de in het onderzoek naar voren gekomen verdachten. De politie en het Openbaar Ministerie hebben ten aanzien van een aantal accounts geconcludeerd dat op basis van de gevonden aanwijzingen de identiteit van de gebruiker kan worden vastgesteld.
Verdachte is door de politie geïdentificeerd als de gebruiker van het EncroChat-account “[accountnaam 1]” en als de persoon met de bijnaam “[alias 1]”. De feiten en omstandigheden die aan deze identificaties ten grondslag hebben gelegen, zijn opgenomen in het proces-verbaal van bevindingen van notities van de encro-gebruiker “[accountnaam 1]”, het aanvullend proces-verbaal van bevindingen over encro-gebruiker “[accountnaam 1]” en het proces-verbaal identificatie van “[alias 1]”. Uit deze processen-verbaal komt naar voren dat verdachte ook wel “[alias 1]” genoemd wordt, hetgeen overeenkomt met het beroep van verdachte, en dat de EncroChat-gebruiker “[accountnaam 1]” verbleef op het adres “[adres 2] te [plaats 5]”, wat het adres is van de vriendin van verdachte en hun twee kinderen en op welk adres verdachte ook ingeschreven heeft gestaan. Verder is EncroChat-gebruiker “[accountnaam 1]” door zijn contacten opgeslagen als “[alias 1]” en “[alias 2]”, terwijl de voornaam van verdachte [verdachte] is, verdachte geboren is in [geboorteplaats] en zijn beroep [alias 1] is.
Gelet op het voorgaande kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders dan dat verdachte de gebruiker is van het EncroChat-account [accountnaam 1].
Identificatie medeverdachten [medeverdachte 9] en [medeverdachte 8]
De rechtbank komt op grond van de feiten en omstandigheden, die door de politie in het ‘proces-verbaal identificatie Encro-gebruiker [accountnaam 2] als [medeverdachte 9] ’ en het ‘proces-verbaal identiteit [accountnaam 3] en beschrijving historische notities [accountnaam 3]’ zijn opgenomen, tot de conclusie dat [medeverdachte 9] (hierna: [medeverdachte 9]) de bijnaam ‘[alias 3]’ had en dat hij gedurende de tenlastegelegde periode de gebruiker is geweest van de accounts ‘[accountnaam 2]’ en ‘[accountnaam 3]’. Uit het ‘proces-verbaal van bevindingen over bijnamen in de aangetroffen en in beslag genomen notities [adres 1] te [plaats 1]’ leidt de rechtbank verder af dat [medeverdachte 9] ‘[alias 4]’ en ‘[alias 4]’ wordt genoemd.
Verder komt de rechtbank op grond van de feiten en omstandigheden die door de politie zijn opgenomen in voornoemd ‘proces-verbaal bevindingen over bijnamen in de aangetroffen en in beslag genomen notities [adres 1] te [plaats 1]’ tot de conclusie dat [medeverdachte 8] ‘[alias 5]’ en ‘[alias 5]’ werd genoemd.
EncroChatberichten en documenten uit de woning van [medeverdachte 8]
De politie heeft een gesprek aangetroffen tussen de EncroChat-accounts [accountnaam 4] en [accountnaam 5], gedateerd op 9 april 2020, waarin [accountnaam 5] zegt “ze zeggen dat er bij de dom ketels met daarop DNA gevonden is” en “zolang jou dna of dat van [alias 1] en [alias 6] niet gevonden wordt interesseert mij het geen reet”. De rechtbank is van oordeel dat, nu “[alias 5]” een bijnaam is van [medeverdachte 8] en op het perceel van [medeverdachte 8] aan de [adres 1] te [plaats 1] een drugslab is aangetroffen, het aannemelijk is dat het gesprek tussen [accountnaam 4] en [accountnaam 5] over dit lab ging. Uit het gesprek volgt dat er DNA van verdachte (namelijk [alias 1]) kan worden aangetroffen in dit lab, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank duidt op betrokkenheid van verdachte bij dit lab.
Bovendien zijn er tijdens de doorzoeking in de woning van [medeverdachte 8] documenten aangetroffen met de titels “De Pot” en “Totale opbrengst”, waarin berekeningen staan en overzichten van kosten en opbrengsten, waarin diverse keren de naam “[alias 1]” wordt genoemd. Ook de namen “[alias 4]”, [alias 5] en [alias 5] komen in de aangetroffen documenten met de titels “De Pot” en “Totale opbrengst” prominent naar voren.
In de berekeningen staat “liters verkocht”, winst en bedragen die uit en in “de pot” gaan. De rechtbank overweegt, gelet op het voorgaande, dat deze berekeningen betrekking hebben op (opbrengsten uit) synthetische drugs en dat hieruit blijkt dat verdachte meedeelde in de winst.
Conclusie
Gelet op de hiervoor genoemde EncroChat-berichten en de documenten met de titels “De Pot” en “Totale opbrengst” is de rechtbank van oordeel dat verdachte betrokken was bij de productie van synthetische drugs in het lab in [plaats 1]. Gezien het feit dat enerzijds kennelijk DNA van verdachte zou kunnen worden aangetroffen op de productielocatie en verdachte anderzijds meedeelde in de winst van de productie, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een zodanig nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en onder meer [medeverdachte 8] en [medeverdachte 9], dat sprake is van medeplegen in de zin van artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht (Sr).
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan.
Feit 2
De vraag is vervolgens of verdachte ook heeft deelgenomen aan een criminele organisatie in de zin van artikel 11b van de Opiumwet (OW), die gericht was op de productie van synthetische harddrugs en de voorbereiding daarvan in [plaats 1] en/of te [plaats 2] en/of te [plaats 3] en/of te [plaats 4].
Artikel 11b OW betreft een lex specialis van de lex generalis uit artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Als specifieke aanvullende eis ten opzichte van de strafbaarstelling in artikel 140 Sr geldt dat de criminele organisatie het oogmerk heeft tot het plegen van Opiumwetmisdrijven. Voor de betekenis, strekking en reikwijdte van de verschillende bestanddelen in artikel 11b OW moet dan ook aansluiting worden gezocht bij de rechtspraak over artikel 140 Sr.
Om te komen tot een bewezenverklaring op grond van het bepaalde in artikel 11b OW moet aan de volgende drie voorwaarden worden voldaan:
er moet sprake zijn geweest van een organisatie;
die organisatie moet tot oogmerk hebben gehad het plegen van Opiumwetmisdrijven;
verdachte moet opzettelijk aan die organisatie hebben deelgenomen.
De rechtbank is onder verwijzing naar hetgeen is overwogen onder feit 1 van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat sprake is geweest van een criminele organisatie die tot oogmerk had het produceren van amfetamine en MDMA en het treffen van voorbereidingshandelingen daartoe. Uit de documenten met de titels “De Pot” en “Totale opbrengst” en de genoemde EncroChat-berichten concludeert de rechtbank dat verdachte deel uitmaakte van een groep personen die investeerden in het aanschaffen van benodigdheden voor de productie van synthetische drugs in het lab in [plaats 1] en die samen deelden in de opbrengst. Verdachte had derhalve een aandeel in gedragingen die strekten tot óf rechtstreeks verband hielden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie, zodat hij heeft deelgenomen aan de organisatie. De gedragingen van verdachte zijn daarnaast van zodanige aard dat daarin naar het oordeel van de rechtbank ook het opzet op de deelneming aan de criminele organisatie ligt besloten.
Uit het dossier blijkt niet dat de betrokkenheid van verdachte zich verder heeft uitgestrekt dan tot de productielocatie van synthetische drugs in [plaats 1]. Er zijn weliswaar meerdere productielocaties van synthetische drugs aangetroffen, onder andere in [plaats 2], [plaats 3] en [plaats 4], die mogelijk te linken zijn aan de productielocatie in [plaats 1], maar de rechtbank is van oordeel dat niet kan worden bewezen verklaard dat verdachte ook bij deze locaties betrokken is geweest.
3.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:
1
hij in de periode van 1 juni 2019 tot en met 18 maart 2020 te [plaats 1], gemeente Utrechtse Heuvelrug, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft vervaardigd, een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde telkens een middel als vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;
2
hij in de periode van 1 juni 2019 tot en met 18 maart 2020 te [plaats 1], heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie bestond uit een samenwerkingsverband van hem, verdachte en [medeverdachte 8], [medeverdachte 9] en anderen, en welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten:
- het vervaardigen en/of bereiden van middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst 1 (synthetische harddrugs, te weten amfetamine en MDMA).
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
4De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 2, 10, 10a en 11b OW. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op:
feit 1
het misdrijf: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder D van de Opiumwet gegeven verbod;
feit 2
het misdrijf: deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, vierde lid, en artikel 10a, eerste lid, van de Opiumwet.
5De strafbaarheid van verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezen verklaarde feiten.
6De op te leggen straf of maatregel
6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte wordt opgelegd een taakstraf van 240 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één jaar met een proeftijd van drie jaren.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit van de ten laste gelegde feiten. Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat bij bewezenverklaring van de feiten de strafeis van de officier van justitie redelijk is.
6.3
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
Verdachte heeft zich gedurende een periode van ongeveer 10 maanden, in georganiseerd verband, bezig gehouden met het medeplegen van de productie van synthetische harddrugs. De organisatie waarvan verdachte deel uitmaakte heeft zich op professionele wijze bezig gehouden met het produceren van grote hoeveelheden amfetamine en MDMA. Het spreekt voor zich dat een organisatie met als doelstelling het plegen van misdrijven als hiervoor genoemd, een ernstige en ontoelaatbare ondermijning van de rechtsorde betekent. Hiertegen dient dan ook hard te worden opgetreden.
Dictum
De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feiten
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1
het misdrijf: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder D van de Opiumwet gegeven verbod;
feit 2
het misdrijf: deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, vierde lid, en artikel 10a, eerste lid, van de Opiumwet;
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1 en 2 bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) jaren;
- bepaalt dat deze gevangenisstraf in zijn geheel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien de verdachte voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen:
- stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Melaard, voorzitter, mr. M.J.A.L. Beljaars en
mr. M.W. Eshuis, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.C. van Druten, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2025.
Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie Landelijke eenheid Dienst Infrastructuur met nummer LEFCE20002 (onderzoek 26Berne) van 30 april 2021. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
ZD02; pagina 3; Proces-verbaalnummer PLO0900-2020081480-10
ZD02; pagina 24-37; Proces-verbaalnummer 2020-03-18- [plaats 1] - AvR
ZD02; pagina 104
ZD02; pagina 100-106
ZD02; pagina 24-37 en 100-106
ZD02; pagina 36
LEFCE20002-602 (Algemeen dossier Encrochat PV’s pagina 306-312), LEFCE20002-782 (persoonsdossier verdachte [verdachte] pagina 26-28) en LEFCE20002-498
Proces-verbaal van identificatie encrochat-gebruiker [accountnaam 2] als [medeverdachte 9] LEFCE20002-523 en proces-verbaal identiteit [accountnaam 3] en beschrijving historische notities [accountnaam 3]
Algemeen dossier Encrochat PV’s Pagina 9-15 (Proces-verbaal van bevindingen bijnamen in aantekeningen LEFCE20002-419)
Processen-verbaal van identiteit LEFCE20002-493 en LEFCE20002-456
LEFCE20002-91 met bijlagen (ZD02; pagina 402-484) en LEFCE20002-449 (pagina 492-502)
LEFCE20002-449 (pagina 492-502)
ZD02; pagina 723