Rechtspraak
Rechtbank Overijssel
2025-02-25
ECLI:NL:RBOVE:2025:1145
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,578 tokens
Inleiding
RECHTBANK
OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: 11435609 \ CV EXPL 24-2399
Vonnis van 25 februari 2025
in de zaak van
[eiser]
,
te [woonplaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: mr. M.B. Bollen,
tegen
[gedaagde]
, handelend onder de naam [bedrijf],
te [woonplaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
procederend in persoon.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 3 december 2024 met producties,- de conclusie van antwoord,
- het bericht van 3 februari 2025 met producties van [gedaagde],- de brief waarin een mondelinge behandeling is bepaald,- de mondelinge behandeling van 12 februari 2025 waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De zaak in het kort
2.1.
[eiser] en [gedaagde] hebben een overeenkomst gesloten voor het leggen door [gedaagde] van een bij [gedaagde] gekochte vloer in de woning van [eiser]. In deze zaak vordert [eiser] dat de kantonrechter deze overeenkomst ontbindt en [gedaagde] veroordeelt tot het betalen van schadevergoeding. Partijen zijn het erover eens dat [gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst omdat de kwaliteit van de vloer niet aan de overeenkomst beantwoordt. Partijen verschillen van mening over de vraag of [gedaagde] die nog mag herstellen dan wel vervangen.
De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] [gedaagde] onvoldoende gelegenheid heeft gegeven om de vloer, in beginsel naar eigen inzicht, te herstellen of te vervangen. Dit betekent dat [gedaagde] niet in verzuim is. De kantonrechter wijst de vorderingen en nevenvorderingen van [eiser] af en veroordeelt [eiser] tot het betalen van de proceskosten.
Feiten
3.1.
[eiser] en [gedaagde] hebben in mei 2024 contact gehad over het aanschaffen en leggen van een PVC-vloer door [gedaagde] in de woning van [eiser].
3.2.
[gedaagde] heeft de woning van [eiser] op 15 juli 2024 opgemeten. Daarna zijn partijen overeengekomen dat [gedaagde] de door [eiser] uitgezochte vloer zou leggen voor een bedrag van € 3.900,00 incl. btw.
3.3.
In opdracht van [gedaagde] hebben twee zzp’ers de vloer op 26 en 31 juli 2024 gelegd. De plinten zijn op 31 juli en 3 augustus 2024 gemonteerd.
3.4.
De bouwvakvakantie was van 3 tot 25 augustus 2024.
3.5.
[eiser] en [gedaagde] hebben van 2 tot 24 september 2024 contact met elkaar gehad per e-mail. [eiser] heeft op 10 september 2024 aan [gedaagde] een e-mail gestuurd, waarin hij het volgende schrijft:
‘[…]
Op zaterdag 2 september heb je samen met mij de vloer bekeken en zijn we overeengekomen dat je de vloer er in de komende week uit zou halen echter laat je het dan afweten. […]
Vanmorgen zijn er hier twee vloerenleggers geweest die tegen de afspraak in de vloer kwamen repareren. Hiervan was ik niet op de hoogte.
De afspraak was dat de vloer eruit gehaald zou worden. Jij stond erop dat Roy de vloer zou bekijken en deze is vanmorgen ook langs geweest.
Hij heeft geadviseerd de vloer te verwijderen en de helemaal te egaliseren en vervolgens de nieuwe te plakken. […]
[…]’
3.6.
Univé heeft op 24 september 2024 namens [eiser] een brief gestuurd aan [gedaagde] inhoudende dat de vloer van een onaanvaardbare slechte kwaliteit is met het verzoek de vloer en de plinten te verwijderen binnen drie dagen na ontvangst van de brief.
3.7.
Partijen hebben van 16 juli tot 10 oktober 2024 via WhatsApp contact gehad over de vloer.
3.8.
[eiser] heeft een deskundige ingeschakeld om de vloer te beoordelen. De deskundige [naam 1] heeft op 29 oktober 2024 een rapport uitgebracht. Bij de inspectie ter plaatse, uitgevoerd door dhr. [naam 1], is [gedaagde] niet uitgenodigd.
3.9.
[eiser] heeft in de week van 4 november 2024 een keuken laten plaatsen in zijn woning.
3.10.
De vloer is nog niet verwijderd of vervangen. De vloer inclusief leggen is ook nog niet betaald.
Geschil
4.1.
[eiser] vordert – samengevat – dat de kantonrechter, uitvoerbaar bij voorraad, de overeenkomst ontbindt en [gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 3.844,00 aan schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van de dagvaarding tot de dag van betaling.
Verder vordert [eiser] dat [gedaagde] de kosten voor het deskundigenonderzoek van € 537,45 en de buitengerechtelijke incassokosten van € 500,00 betaalt, te vermeerderen met de wettelijke vanaf de datum van de dagvaarding tot de dag van betaling.
[eiser] vordert tot slot dat [gedaagde] de kosten van deze procedure betaalt inclusief de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
4.2.
[gedaagde] voert verweer.
Beoordeling
Wat hebben partijen afgesproken
5.1.
Partijen zijn overeengekomen dat [gedaagde] een door [eiser] bij [gedaagde] uitgekozen zwevende dryback PVC-vloer van Unifloor, een Smart Fix zelfklevende tussenvloer en wit geplastificeerde plinten zou leggen in de woning van [eiser]. [eiser] stelt dat onderdeel van deze overeenkomst was dat de vloer vóór de bouwvakvakantie zou worden gelegd. [eiser] zou in de bouwvakvakantie namelijk meehelpen met het plaatsen van de keuken en de meterkast. Deze reden is bij de totstandkoming van de overeenkomst uitdrukkelijk besproken.
5.2.
[gedaagde] betwist dat is overeengekomen dat de vloer vóór de bouwvakvakantie zou worden gelegd. [eiser] heeft hem niet verteld dat hij in de bouwvakvakantie zou meewerken aan het plaatsen van de keuken en de meterkast. Wel wist [gedaagde] dat [eiser] de vloer het liefst voor de bouwvakvakantie af wilde hebben. Dit heeft [eiser] na 15 juli 2024 vermeld.
[gedaagde] zou daarvoor zijn best doen, hetgeen hij ook heeft gedaan.
5.3.
De kantonrechter overweegt als volgt. [eiser] en [gedaagde] hebben een overeenkomst van aanneming van werk als bedoeld in artikel 7:750 BW gesloten waarbij [gedaagde] de vloer zowel zou leveren als zou leggen. Aan de orde is de vraag of er een termijn is overeengekomen waarbinnen de vloer diende te worden gelegd.
Beide partijen verwijzen voor hun stellingen naar de mondeling tot stand gekomen overeenkomst. Of het tijdstip van levering en leggen van de vloer een (essentieel) onderdeel was van die overeenkomst, kan niet uit de verklaringen van partijen en uit de overgelegde e-mails en WhatsAppberichten worden afgeleid. In geen enkel e-mail- of WhatsAppbericht wordt daar namelijk over gesproken.
5.4.
Dat een termijn is afgesproken blijkt evenmin uit de brief van 24 september 2024 van Univé namens [eiser]. In die brief wordt namelijk helemaal niet gesproken over een termijn waarbinnen de vloer klaar had moeten zijn. In die brief staat ook niet dat [eiser] een beroep doet op vergoeding van de door hem geleden schade doordat een termijn niet is gehaald.
5.5.
Dat deze termijn voor [eiser] essentieel was en dit kenbaar was voor [gedaagde] strookt ook niet met het WhatsAppbericht van 4 oktober 2024 waarin [eiser] aan [gedaagde] een voorstel doet om tot een oplossing te komen voor de vloer. [eiser] stelt voor dat [gedaagde] de vloer eruit haalt en [eiser] een ander bedrijf regelt die de nieuwe vloer erin legt voor rekening van [gedaagde]. Ook daar gaat het alleen om de kwaliteit van de vloer en niet over de termijn. Als het voor [eiser] essentieel was dat de vloer vóór de bouwvak was gelegd, is niet goed te begrijpen waarom [eiser] zich daar zowel in de brief als in het WhatsAppbericht niet over uit laat en alleen spreekt over de kwaliteit van de vloer.
5.6.
Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [eiser] gelet op bovenstaande onvoldoende gemotiveerd gesteld dat het leggen van de vloer vóór de bouwvakvakantie onderdeel was van de overeenkomst. Aan bewijslevering op dit punt wordt dan ook niet toegekomen.
Er is sprake van een tekortkoming
5.7.
Tussen partijen is niet in geschil dat de kwaliteit van de vloer niet aan de overeenkomst beantwoordt. Uit de e-mail van 10 september 2024 van [eiser] kan worden afgeleid dat partijen op 2 september 2024 samen de vloer hebben geïnspecteerd en tot de conclusie kwamen dat deze niet goed was. In zoverre staat tussen partijen niet ter discussie dat er sprake is van een tekortkoming.
Onvoldoende gelegenheid gekregen om een kwalitatief goede vloer te leggen
5.8.
[eiser] meent dat hij [gedaagde] voldoende gelegenheid heeft gegeven om een kwalitatief goede vloer te leggen. [gedaagde] meent van niet.
5.9.
Nadat partijen meerdere keren met elkaar hebben gesproken over de kwaliteit van de vloer en hebben geconstateerd dat deze niet goed was, zijn op 10 september 2024 in opdracht van [gedaagde] twee vloerenleggers en nog een derde persoon genaamd [naam 2] bij [eiser] gekomen. Partijen zijn er toen niet uitgekomen.
Op 24 september 2024 heeft [gedaagde] aan [eiser] gemaild dat hij de mogelijkheid moet krijgen om het euvel aan de vloer te verhelpen.
Uit het WhatsAppbericht van 4 oktober 2024 van [eiser] aan [gedaagde] blijkt dat [eiser] niet wenst dat [gedaagde] de vloer nog legt omdat het vertrouwen er niet meer is.
5.10.
[eiser] stelt dat [gedaagde] heeft erkend dat de vloer alleen deugdelijk kon worden geleverd door deze te vervangen, hetgeen [gedaagde] betwist. [eiser] heeft van deze stelling geen enkel begin van bewijs overgelegd en dit blijkt ook niet uit de overgelegde e-mails en WhatsAppberichten. Deze stelling is dan ook onvoldoende onderbouwd.
5.11.
Uit hetgeen partijen bij de mondelinge behandeling hierover hebben verklaard kan worden afgeleid dat [eiser] niet akkoord ging met reparatie van de vloer. [eiser] ging er eveneens niet mee akkoord dat [naam 2] namens [gedaagde] een door [eiser] uit te kiezen nieuwe vloer zou leggen (voor rekening van [gedaagde]). Daarmee belandden partijen in een patstelling.
5.12.
Het is in beginsel aan [gedaagde] om te bepalen op welke wijze de vloer zal worden hersteld (repareren of vervangen), tenzij het zonneklaar is dat de door hem voorgestane wijze van herstel ondeugdelijk is: (ook) herstelwerkzaamheden moeten voldoen aan de eisen van goed en deugdelijk werk, en worden uitgevoerd met inachtneming van hetgeen tussen partijen is overeengekomen.
5.13.
Uit de boven weergegeven correspondentie blijkt dat [eiser] er niet langer mee akkoord ging dat [gedaagde] de vloer repareerde en evenmin ermee akkoord ging dat een nieuwe vloer door of in opdracht van [gedaagde] zou worden gelegd.
Niet (gemotiveerd) gesteld of gebleken is dat zonneklaar is dat in redelijkheid geen goed resultaat van de herstelwerkzaamheden te verwachten was omdat [gedaagde] zodanig onbekwaam was gebleken of dat aan te nemen viel dat de herstelwerkzaamheden niet binnen een redelijke termijn door [gedaagde] voltooid konden worden. Daarmee heeft [eiser] [gedaagde] onvoldoende in de gelegenheid gesteld om de vloer, in beginsel naar eigen inzicht, te herstellen. Dit betekent dat [gedaagde] niet in verzuim is en de overeenkomst niet op grond van een tekortkoming zal worden ontbonden.
5.14.
De overeenkomst blijft dus in stand. [gedaagde] dient alsnog in de gelegenheid te worden gesteld om de tekortkoming te verhelpen.
Geen recht op schadevergoeding
5.15.
[eiser] vordert vergoeding van schade. Deze bestaat er kortgezegd onder meer uit dat de vloer niet goed en niet op tijd is gelegd en [eiser] in de bouwvakvakantie niet heeft kunnen meehelpen met het plaatsen van de keuken en de meterkast. Daarnaast vordert [eiser] een bedrag omdat de nieuw aan te schaffen vloer duurder is.
5.16.
[gedaagde] meent dat de keuken en de meterkast al in de bouwvakvakantie geplaatst hadden kunnen worden. Dat die plaatsing los van de vloer staat blijkt ook uit het feit dat de keuken en de meterkast inmiddels zijn geplaatst. De schade is dus geen gevolg van de klachten over de kwaliteit van de vloer.
5.17.
De kantonrechter overweegt als volgt. In de eerste plaats wordt verwezen naar overweging 5.3. e.v. waar is geoordeeld dat niet kan worden vastgesteld dat het leggen van de vloer vóór de bouwvakvakantie is overeengekomen.
Dictum
De kantonrechter
6.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
6.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 50,00, te betalen binnen veertien dagen na dit vonnis, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. Smedes en in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2025.
Rb. Oost-Brabant 16 juli 2014, ECLI:NL:RBOBR:2014:4146; Rb. Overijssel 20 maart 2019, ECLI:NL:RBOVE:2019:974.
Kamerstukken II 1992/93, 23 095, nr. 3, p. 29.
Artikel 7:759 BW.