Rechtspraak
Rechtbank Overijssel
2024-04-23
ECLI:NL:RBOVE:2024:7173
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
6,414 tokens
Inleiding
RECHTBANK OVERIJSSEL
locatie Zwolle
team familie- en jeugdrecht
zaaknummer: C/08/309822 / ES RK 24-985
beschikking voorlopige voorzieningen van 23 april 2024
inzake
[de vrouw]
,
verder te noemen: de vrouw,
wonende te [woonplaats 1] (Bulgarije),
verzoekster,
advocaat: mr. E.D. Radenovska,
en
[de man]
,
verder te noemen: de man,
wonende te [woonplaats 2] ,
belanghebbende,
advocaat: mr. J.W. Post.
1Het procesverloop
1.1.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:
- het verzoekschrift, met bijlagen, binnengekomen op 7 februari 2024;
- het aanvullende verzoekschrift, met bijlagen, binnengekomen op 12 februari 2024;
- het verweerschrift, met bijlagen, binnengekomen op 1 maart 2024;
- een op 6 maart 2024 binnengekomen brief van mr. Radenovska van die datum met bijlagen.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft op 7 maart 2024 plaatsgevonden. Verschenen zijn partijen, bijgestaan door hun advocaten.
1.3.
Na de mondelinge behandeling zijn met toestemming van de rechtbank binnengekomen:
- een op 12 maart 2024 binnengekomen brief van mr. Radenovska van die datum;
- een op 21 maart 2024 binnengekomen brief van mr. Post van die datum met bijlagen;
- een op 3 april 2024 binnengekomen brief van mr. Radenovska van die datum.
Feiten
2.1.
Partijen zijn op [datum] 2021 te [plaats] (Bulgarije) met elkaar gehuwd onder het maken van Nederlandse huwelijkse voorwaarden.
2.2.
Partijen zijn ouders van het navolgende minderjarige kind:
[minderjarige]
, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2023.
2.3.
[minderjarige] verblijft op dit moment in Bulgarije bij de vrouw zonder toestemming van de man. In Bulgarije is een teruggeleidingsprocedure aanhangig gemaakt door de man. Deze is in behandeling bij de rechtbank in Sofia (kenmerk 12836/2023). De beslissing in die zaak is aangehouden, althans de uitspraak is de rechtbank nog niet bekend.
2.4.
De man heeft de Nederlandse nationaliteit. De vrouw heeft de Bulgaarse nationaliteit. [minderjarige] heeft de Nederlandse en de Bulgaarse nationaliteit.
2.5.
Bij de rechtbank in Yambol, Bulgarije, is tussen partijen een echtscheidingsprocedure met voorlopige voorzieningen (kenmerk 2345/2023) aanhangig.
2.6.
Bij de rechtbank Overijssel is tussen partijen (ook) een bodemzaak aanhangig over de echtscheiding met nevenverzoeken (zaaknummer C/08/302786 / ES RK 23/5986).
2.7.
Bij beschikking van 17 januari 2024 heeft de rechtbank Overijssel zich onbevoegd verklaard in de voorlopige voorzieningenprocedure over de toevertrouwing van [minderjarige] (zaaknummer C/08/302928 / ES RK 23-6052).
3Het verzoek
De vrouw verzoekt de rechtbank bij beschikking, als voorlopige voorziening:
te bepalen dat de man zal bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] met € 1.000,- per maand;
de man te bevelen om op grond van artikel 21 e.v. Rv zijn financiële stukken betreffende zijn inkomsten in 2023 over te leggen;
te bepalen dat de man zal bijdragen in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw met € 575,- per maand;
een zodanige beslissing te nemen als de rechtbank juist acht.
4Het verweer
De man verzoekt de rechtbank de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoeken dan wel het verzochte af te wijzen, subsidiair een kinderalimentatie van € 72,- per maand vast te stellen.
Beoordeling
De kinderalimentatie
Litispendentie, rechtsmacht en toepasselijk recht
5.1.
Gezien het feit dat de vrouw en [minderjarige] de Bulgaarse nationaliteit hebben en het feit dat door de vrouw op 11 september 2023 reeds een procedure tot echtscheiding met voorlopige voorzieningen (waaronder de kinderalimentatie) in Bulgarije aanhangig is gemaakt, moet de rechtbank onderzoeken of zij bevoegd is om het verzoek te behandelen.
5.2.
Dat er in Bulgarije een verzoek voorlopige voorziening met betrekking tot kinderalimentatie aanhangig is baseert de rechtbank op de beschikking van de eerdere voorlopige voorziening met zaaknummer C/08/302928 / ES RK 23-6052. De rechtbank verwijst daarvoor naar overweging 5.4 van die beschikking waarin het volgende staat:
“5.4. De rechtbank in Yambol, Bulgarije, heeft op 11 oktober 2023 een tussenbeschikking gegeven (in appel) in de echtscheidingsprocedure met de voorlopige voorzieningen (kenmerk 2345/2023). De vrouw heeft een deel van deze beschikking laten vertalen en als productie 4 overgelegd. De rechtbank Overijssel leidt daaruit af dat de rechtbank in Yambol zich onbevoegd heeft verklaard ten aanzien van het verzoek tot echtscheiding en bevoegd ten aanzien van de voorlopige voorzieningen met betrekking tot de hoofdverblijfplaats, het gezag, de omgang en de kinderalimentatie. Dit is tussen partijen niet in geschil.”
5.3.
De vrouw betwist thans weliswaar dat er een verzoek voorlopige voorziening kinderalimentatie in Bulgarije aanhangig is, maar heeft dit, gelet op het voorgaande, naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd. Ook is niet gebleken dat het verzoek voorlopige voorziening daar inmiddels is ingetrokken.
5.4.
Op grond van artikel 12, tweede lid, van de Alimentatieverordening (nr. 4/2009 Raad van 18 december 2008) verklaart de rechtbank waar de zaak het laatst is aangebracht zich onbevoegd als de bevoegdheid van de rechtbank in Bulgarije vaststaat. De bevoegdheid van rechtbank in Bulgarije kan worden aangenomen op grond van artikel 14 van de Alimentatieverordening. De rechtbank verwijst daarvoor ook naar de overwegingen 5.10. en 5.11. van de beschikking van 17 januari 2024 in de eerdere voorlopige voorziening met zaaknummer C/08/302928 / ES RK 23-6052. De rechtbank vindt het verder in het belang van [minderjarige] dat alle verzoeken voorlopige voorzieningen in Bulgarije gezamenlijk worden behandeld. Dat de rechtbank in Bulgarije tot op heden (om redenen die de rechtbank Overijssel niet kent) kennelijk geen beslissingen in de voorlopige voorzieningen heeft genomen, maakt dat niet anders. De rechtbank zal zich daarom in deze voorlopige voorzieningenprocedure onbevoegd verklaren ten aanzien van het verzoek tot vaststelling kinderalimentatie.
De partneralimentatie
Litispendentie, rechtsmacht en toepasselijk recht
5.5.
De rechtbank houdt het ervoor dat er in Bulgarije geen procedure voorlopige voorzieningen met betrekking tot partneralimentatie aanhangig is. Daarvan is niets gebleken.
5.6.
Voor de vraag of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft ten aanzien van het verzoek van de vrouw om partneralimentatie is de Alimentatieverordening (nr. 4/2009 Raad van 18 december 2008) van toepassing. Op grond van die verordening is de Nederlandse rechter bevoegd omdat de man als verweerder zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft (artikel 3 Alimentatieverordening).
5.7.
De vraag welk recht moet worden toegepast op het verzoek van de vrouw moet gelet op artikel 15 van de Alimentatieverordening naar de regels van het Haags Alimentatieprotocol 2007 worden beantwoord.
5.8.
Volgens de algemene regels van het Alimentatieprotocol (artikel 3) is in beginsel Bulgaars recht van toepassing op het verzoek tot het vaststellen van partneralimentatie, omdat de vrouw als onderhoudsgerechtigde in Bulgarije haar gewone verblijfplaats heeft. De bijzondere regels van artikel 4 lid 3 van het Alimentatieprotocol zijn niet van toepassing op partneralimentatie.
5.9.
De vrouw verzet zich echter tegen toepassing van artikel 3 van het Haags Alimentatieprotocol en omdat de rechtbank met de vrouw van oordeel is dat het huwelijk/deze zaak nauwer verbonden is met Nederland (als staat van de eerste huwelijkse en laatste gemeenschappelijke gewone verblijfplaats van partijen), past de rechtbank Nederlands recht toe op het verzoek tot het vaststellen van partneralimentatie (artikel 5 van het Alimentatieprotocol).
Beoordeling
5.10.
De rechtbank zal beslissen dat de man een bedrag van € 575,- bruto per maand aan partneralimentatie aan de vrouw moet betalen, vanaf de datum van deze beschikking. De rechtbank zal hierna uitleggen waarom zij deze beslissing neemt. De berekening is in de bijlage van deze beschikking opgenomen.
De ingangsdatum
5.11.
Voordat de rechtbank kan gaan rekenen, moet zij weten welke gegevens en belastingtarieven zij moet gebruiken bij die berekening. Daarom moet de rechtbank eerst beslissen vanaf welk moment de partneralimentatie gaat gelden. De rechtbank vindt dat de man de partneralimentatie vanaf de datum van deze beschikking moet betalen, omdat het een voorlopige voorziening betreft. De rechtbank gebruikt dus de belastingtarieven 2024-I.
De huwelijksgerelateerde behoefte
5.12.
Bij de berekening van de partneralimentatie stelt de rechtbank eerst het bedrag vast dat de vrouw nodig heeft om haar kosten van te kunnen betalen. Dat wordt ook wel de ‘behoefte’ genoemd. Daarbij kijkt de rechtbank niet alleen naar de puur noodzakelijke kosten die de vrouw moet maken, maar ook naar de welstand waarin de man en de vrouw hebben geleefd en naar wat de vrouw daardoor gewend was uit te geven. Daarom wordt dat ook wel de ‘huwelijksgerelateerde behoefte’ genoemd.
5.13.
De rechtbank stelt de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw vast op € 1.483,- per maand. Dat heeft de rechtbank als volgt berekend.
5.14.
Voor de vaststelling van die huwelijksgerelateerde behoefte is een vuistregel ontwikkeld, de zogeheten ‘Hof-norm’. Die Hof-norm neemt het gezinsinkomen van toen de man en de vrouw nog bij elkaar waren als uitgangspunt. Daar worden de kosten van de kinderen van afgetrokken. Wat er overblijft, konden de man en de vrouw voor zichzelf uitgeven. Dat betekent dat ieder van hen de helft van dat resterende inkomen nodig heeft om de uitgaven te kunnen blijven doen zoals diegene gewend was tijdens het huwelijk. Maar de man en de vrouw hebben na de scheiding meer geld nodig, omdat het leven voor alleenstaanden nu eenmaal duurder is dan voor gehuwden. Zij kunnen kosten niet meer met een ander delen. De Hof-norm gaat ervan uit dat de behoefte 60% van dat resterende inkomen bedraagt.
5.15.
De man heeft gezegd dat in dit geval de Hof-norm niet kan worden gebruikt om de huwelijksgerelateerde behoefte vast te stellen, omdat de levenstandaard in Bulgarije lager is en de vrouw minder geld nodig heeft om in Bulgarije rond te komen. Zij heeft daar bovendien geen woonlasten omdat zij bij haar ouders inwoont. Het primaire standpunt van de man is dat de vrouw haar behoefte in het geheel niet heeft onderbouwd.
5.16.
De vrouw heeft gesteld dat zij tenminste 50% van het gezinsinkomen nodig heeft om nu in Bulgarije rond te komen, maar zij wenst toepassing van de Hof-norm van 60% omdat het nog niet zeker is waar zij zich zal vestigen na de scheiding, ook omdat de teruggeleidingsprocedure met betrekking tot [minderjarige] nog loopt. Dit zou ook in Nederland kunnen zijn.
5.17.
De rechtbank oordeelt hierover als volgt. De vrouw verblijft (vooralsnog) in Bulgarije. De rechtbank ziet daarom aanleiding om rekening te houden met een verschil in prijspeil tussen Nederland en Bulgarije. In deze situatie zal de rechtbank dan ook in redelijkheid de zogenaamde Big Mac-index toepassen. De Big Mac-index is in het onderhavige geval een bruikbaar instrument. De Big Mac-index betreft een informele berekeningswijze om de koopkracht van twee landen te vergelijken (koopkrachtpariteit), gebaseerd op de prijs van een Big Mac in een bepaald land. De rechtvaardiging van deze index is dat een Big Mac een soort ‘mandje’ van producten is (vlees, brood, sla, maar ook arbeid en elektriciteit), reden waarom de prijs van een Big Mac een redelijke doorsnee oplevert van het prijsniveau in een lokale economie. Aangezien McDonalds bijna overal gevestigd is en overal lokaal inkoopt, is de vergelijking indicatief. De Big Mac-index voor Bulgarije wordt niet genoemd door The Economist maar de vrouw heeft aangegeven dat de Big Mac-index, althans de levenstandaard, van Hongarije vergelijkbaar is met die van Bulgarije. Volgens gegevens van The Economist is (www.economist.com/big-mac-index) is de Euro ten opzichte van de US Dollar 3,1% overgewaardeerd en de Hongaarse Forint ten opzichte van de US Dollar 30,1% ondergewaardeerd. De rechtbank houdt het er daarom voor dat het prijspeil in Bulgarije (afgeleid van Hongarije) 33,2% lager is dan in Nederland. Dit brengt mee dat een kortingspercentage van (afgerond) 33% toegepast zal worden op de door de rechtbank vast te stellen behoefte van de vrouw.
5.18.
De rechter moet eerst vaststellen wat de man en de vrouw te besteden hadden toen zij nog bij elkaar waren.
5.19.
Voor het inkomen van de man in 2023 gaat de rechter uit van de berekening van de man in zijn productie 11. De man heeft een eenmanszaak genaamd “ [eenmanszaak] ”. Sinds juni 2023 ontvangt de man een arbeidsongeschiktheidsuitkering van € 6.095,22 bruto per maand vanwege zijn burn-out. In 2023 had de man (volgens productie 4 van de man) een winst uit onderneming van € 30.493,- en een arbeidsongeschiktheidsuitkering van € 48.964,- bruto (productie 5 van de man). In totaal derhalve € 79.457,-. Omdat de winst uit onderneming in 2022 niet erg afwijkt van dit bedrag (€ 81.918,- volgens productie 4 van de man) gaat de rechtbank uit van het jaar 2023 en niet van een nauwkeuriger berekende, gemiddelde, winst uit onderneming over drie jaren, zoals gebruikelijk is, maar verder ook niet door de vrouw is bepleit. De rechtbank houdt rekening met de heffingskortingen.
5.20.
De vrouw heeft dit inkomen van de man in 2023 onvoldoende betwist. Zij stelt wel dat bij het vaststellen van het inkomen van de man rekening dient te worden gehouden met de eigen woning van de man, zijn spaargelden en zijn bitcoins. De rechtbank is echter van oordeel dat de vrouw onvoldoende heeft onderbouwd dat partijen van inkomsten uit deze bronnen hebben geleefd tijdens het huwelijk. De rechtbank laat dit in het kader van deze procedure buiten beschouwing.
5.21.
Niet in geschil is dat de man maandelijks een premie arbeidsongeschiktheids-verzekering betaalt van € 642,-.
5.22.
De rechtbank berekent het inkomen van de man op € 4.030,- netto per maand (belastingstarief 2023-II).
5.23.
Niet in geschil is dat de vrouw ten tijde van het huwelijk geen inkomen had.
5.24.
Ook is niet in geschil dat partijen ten tijde van het samenzijn geen recht hadden op kindgebonden budget.
5.25.
De rechtbank becijfert het netto gezinsinkomen van partijen op € 4.030,-.
5.26.
Hiervan dienen de kosten van [minderjarige] te worden afgetrokken. De rechtbank is onbevoegd ten aanzien van de kinderalimentatie zodat de behoefte van [minderjarige] niet wordt uitgerekend. De man stelde de behoefte van [minderjarige] ten tijde van het samenzijn van partijen in zijn producties 7 en 11 op € 555,- per maand. De vrouw stelt de behoefte van [minderjarige] op (in elk geval) € 481,- per maand. De rechtbank oordeelt daarover als volgt.
5.27.
In het kader van deze voorlopige voorziening houdt de rechtbank bij het bepalen van de behoefte van de vrouw aan de hand van het gezinsinkomen rekening met € 555,- aan kosten voor [minderjarige] tijdens het samenzijn van partijen. Dit omdat de man in zijn berekening uitgaat van een inkomen van de man waar de rechtbank hiervoor onder 5.19 ook vanuit gaat. De vrouw heeft dit inkomen zoals aangegeven onvoldoende betwist. De rechtbank acht de stelling van de vrouw dat de kosten van [minderjarige] € 481,- per maand bedroegen daarmee onvoldoende onderbouwd.
Dictum
De rechtbank:
6.1.
verklaart zich onbevoegd van het verzoek tot vaststelling kinderalimentatie kennis te nemen;
6.2.
Dictum
de maand moet betalen;
6.4.
wijst het verzoek tot vaststelling partneralimentatie voor het overige af.
Deze beschikking is gegeven door mr. M. van der Hoeven en in het openbaar uitgesproken op 23 april 2024 in tegenwoordigheid van mr. S. Damman, griffier.
[afbeelding]
[afbeelding]
[afbeelding]
[afbeelding]
Artikel 1:402 van het Burgerlijk Wetboek
Beoordeling
Op de stellingen van de vrouw om de behoefte van [minderjarige] te verhogen in verband met zijn medische kosten gaat de rechtbank thans niet in omdat de kinderalimentatie niet voorligt en dit te ver voert in dit kader. Nu uitgegaan wordt van de kosten van [minderjarige] tijdens het samenzijn van partijen toen zij nog allen in Nederland verbleven en er nog geen duidelijkheid is over de toevertrouwing van [minderjarige] en zijn gewone verblijfplaats, hoeven hier – voor de bepaling van de behoefte van de vrouw – de kosten van [minderjarige] niet te worden gecorrigeerd met behulp van de Big Mac-index.
5.28.
De rechtbank gaat er daarom vanuit dat er € 3.475,- per maand overblijft voor beide partijen samen (4030 - 555).
5.29.
Van dat inkomen heeft de vrouw volgens de Hof-norm dus 60% nodig. Dat was € 2.085,- netto per maand in 2023. Gecorrigeerd voor de inflatie (geïndexeerd) is dat nu € 2.214,- netto per maand.
5.30.
Zoals hiervoor overwogen past de rechtbank hierop een correctie tot van 33%, zodat de behoefte van de vrouw met toepassing van de Big Mac-index wordt bepaald op een bedrag van afgerond netto € 1.483,- per maand. Nu niet door de vrouw is gesteld en de rechtbank ook niet bekend is in hoeverre deze partneralimentatie in Bulgarije wordt belast, zal de rechtbank ervan uitgaan dat de vrouw dit bedrag in zijn geheel kan benutten voor haar levensonderhoud, zodat het niet zal worden gebruteerd.
De behoeftigheid
5.31.
Vervolgens onderzoekt de rechtbank of de vrouw redelijkerwijs in staat is om zelf dat bedrag (€ 1.483,-) te verdienen. De rechtbank oordeelt daarover als volgt. De rechtbank gaat er in het kader van deze voorlopige voorziening vanuit dat op dit moment niet van de vrouw kan worden verwacht dat zij werkt. [minderjarige] heeft veel zorg nodig en van de vrouw kan niet worden verwacht, mede omdat onweersproken is dat de vrouw tijdens het huwelijk ook niet werkte, dat zij nu ineens inkomen verwerft. Dat zij wel gekwalificeerd is om te werken en om inkomen te verdienen maakt dat op dit moment niet anders. Op de vrouw rust wel een inspanningsverplichting om hier verandering in te brengen om zo veel mogelijk in haar eigen levensonderhoud te kunnen voorzien.
5.32.
Omdat de vrouw niet in staat is om zelf het bedrag van de huwelijksgerelateerde behoefte te verdienen, is zij ‘behoeftig’. Alleen in dat geval kan de vrouw om partneralimentatie verzoeken. Zij heeft behoefte aan een bijdrage in haar levensonderhoud van € 1.483,- bruto per maand. De vrouw kan dus partneralimentatie vragen aan de man.
De draagkracht van de man
5.33.
Vervolgens onderzoekt de rechter in hoeverre de man die bijdrage kan betalen. Dat wordt de ‘draagkracht’ genoemd. De rechter stelt vast dat de man een bedrag van € 590,- bruto per maand kan betalen. De rechter heeft dat als volgt berekend.
5.34.
Voor het inkomen van de man kijkt de rechtbank naar productie 14 van de man. De vrouw heeft de uitgangspunten in die berekening onvoldoende betwist. De rechtbank gaat uit van de huidige arbeidsongeschiktheidsuitkering van de man van € 73.140,- bruto per jaar en dat de man maandelijks een premie arbeidsongeschiktheidsverzekering betaalt van € 642,-. De rechtbank ziet op dit moment af van een middeling van het inkomen van de man over de afgelopen drie jaren. De rechtbank gaat er wel van uit dat in de bodemprocedure financiële cijfers van de onderneming van de man van de afgelopen drie jaren worden overgelegd door de man.
5.35.
Ook voor de draagkracht van de man houdt de rechtbank geen rekening met de eigen woning van de man, zijn spaargelden en zijn bitcoins. De vrouw heeft, gelet op de betwisting van de man, onvoldoende gemotiveerd onderbouwd wat de inkomsten uit de eigen woning en de bitcoins zijn en dat op dit moment gerechtvaardigd zou zijn dat daarop ten behoeve van de draagkracht van de man zou moeten worden ingeteerd. Voor het spaargeld geldt naar het oordeel van de rechtbank ook, mede gelet op de hoogte van het bedrag aan spaargeld, dat onvoldoende is onderbouwd dat de man daar in het kader van deze voorlopige voorzieningen op moet interen.
5.36.
De rechter heeft berekend dat de man van zijn bruto inkomen een bedrag van € 3.175,- netto per maand overhoudt.
5.37.
Vervolgens kijkt de rechter welk deel van dat inkomen kan worden gebruikt om bij te dragen aan de partneralimentatie.
5.38.
Daarvoor maakt de rechter gebruik van de ‘draagkrachtformule’ die de Expertgroep Alimentatie heeft ontwikkeld. In die formule wordt ervan uitgegaan dat iemand 30% van zijn netto besteedbaar inkomen aan woonlasten mag uitgeven. Dat komt hier neer op (30% van 3.175 =) € 952,- per maand. Daarnaast wordt rekening gehouden met een minimum bedrag aan overige vaste lasten van € 1.270,- per maand.
5.39.
Verder houdt de rechter geen rekening met de door man gestelde aflossingen op de lening en facturen van de advocaat. Gelet op de hoogte van het spaargeld van de man is de rechtbank van oordeel dat deze aflossingen uit de middelen van de man kunnen worden betaald. De rechtbank acht het niet redelijk deze aflossingen ten laste van de draagkracht van de man te laten komen. Daarom berekent de rechtbank de draagkrachtruimte van de man op (3.175 – 952 – 1270 =) € 953,- per maand.
5.40.
Daarvan is volgens de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie 60% beschikbaar voor partneralimentatie, oftewel € 572,- netto per maand. De rechter brengt hierop in mindering de kosten die de man voor [minderjarige] maakt. Onweersproken is dat de man op dit moment in elk geval een bedrag van € 200,- per maand aan kinderalimentatie (althans ten behoeve van [minderjarige] ) aan de vrouw betaalt. Er blijft dan € 372,- netto per maand over.
5.41.
Als de man partneralimentatie betaalt, dan mag de man de betaalde partneralimentatie als aftrekpost opvoeren in de belastingaangifte. Daardoor betaalt de man minder belasting. Door dat belastingvoordeel kan de man meer partneralimentatie betalen. De rechtbank telt daarom dat belastingvoordeel op bij de draagkracht. Daarmee komt de draagkracht van de man dan op een bedrag van € 590,- bruto per maand. Dit volgt uit de eerder genoemde berekening, die in de bijlage van deze beschikking opgenomen. De rechtbank zal daarom het door de vrouw verzochte bedrag van € 575,- per maand als partneralimentatie vastleggen.
5.42.
De rechter zal beslissen dat de man de partneralimentatie steeds vóór de eerste dag van de maand moet betalen. Het gaat namelijk om een bijdrage in de kosten die in die maand gemaakt zullen worden en dan zou het te laat zijn als de alimentatie pas later in de maand wordt betaald.
5.43.
Hierna volgt de beslissing.