Rechtspraak
Rechtbank Overijssel
2024-05-14
ECLI:NL:RBOVE:2024:7157
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,143 tokens
Inleiding
RECHTBANK
OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: 10861966 \ CV EXPL 24-6
Vonnis van 14 mei 2024
in de zaak van
[eiser]
,
woonplaats: [woonplaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: mr. Th. van Wijngaarden
tegen
1
[gedaagde 1],
woonplaats: [woonplaats 2],2. [gedaagde 2],
woonplaats: [woonplaats 3],
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagde 1] en [gedaagde 2],
procederend in persoon.
1Inleiding en korte samenvatting
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] huren een woning van [eiser] in [adres]. Omdat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] een huurachterstand hebben laten ontstaan, vraagt [eiser] in deze procedure om ontbinding van de huurovereenkomst, en om betaling van die huurachterstand. De kantonrechter wijst de vordering van [eiser] toe, omdat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de huurachterstand niet hebben betwist en omdat die zo hoog is dat ontbinding van de huurovereenkomst op zijn plaats is.
Procesverloop
2.1.
[eiser] is deze procedure begonnen met zijn dagvaarding van 20 december 2023. [gedaagde 1] heeft, mede namens [gedaagde 2], op de dagvaarding van [eiser] gereageerd met een conclusie van antwoord.
2.2.
De kantonrechter heeft vervolgens bepaald dat er een mondelinge behandeling in deze zaak zal komen. De rechtbank heeft dit bij brief van 16 februari 2024 aan partijen laten weten. De zitting was op 19 april 2024. [eiser] is samen met zijn gemachtigde verschenen. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn niet verschenen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er op de zitting is besproken. Voorafgaand aan de zitting heeft [eiser] bij brief van 5 april 2024 nog nadere producties toegestuurd.
2.3.
De kantonrechter heeft bepaald dat zij vandaag uitspraak doet.
Beoordeling
Wat er vast staat
3.1.
[eiser] verhuurt, als particulier, de woning aan de [adres] (hierna: de woning) aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2]. De huurovereenkomst is aangegaan op 21 juli 2020. De huurprijs bedraagt € 850,00 per maand. Op de huurovereenkomst zijn algemene voorwaarden van toepassing verklaard.
3.2.
Vanaf juli 2022 woont [gedaagde 2] niet meer in de woning.
3.3.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben een huurachterstand laten ontstaan. Tot op dit moment bedraagt die achterstand € 5.950,00, oftewel zeven maanden aan huur.
3.4.
[eiser] heeft via zijn gemachtigde [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gesommeerd de openstaande huur te betalen.
Wat [eiser] wil
3.5.
[eiser] vraagt de kantonrechter om de huurovereenkomst tussen partijen te ontbinden en om [gedaagde 1] en [gedaagde 2] te veroordelen de woning te ontruimen. Daarnaast vraagt [eiser] om betaling van de huurachterstand, van buitengerechtelijke incassokosten en van de wettelijke rente over de huurachterstand. Tot slot vraagt [eiser] om [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in de proceskosten te veroordelen.
Het verweer van [gedaagde 1] en [gedaagde 2]
3.6.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben de volgende punten naar voren gebracht. Volgens [gedaagde 1] woont [gedaagde 2] al sinds juli 2022 niet meer in de woning en heeft [gedaagde 2] de huurovereenkomst ten aanzien van hemzelf opgezegd. Verder heeft [gedaagde 1] aangegeven dat zij op enig moment geen inkomen meer had, waardoor het moeilijk was de huur te betalen. Ook heeft [gedaagde 1] aangevoerd dat [eiser] haar onredelijk heeft behandeld. Volgens [gedaagde 1] heeft [eiser] onder meer haar ouders benaderd en haar post geopend.
Beoordeling
3.7.
De wet bepaalt in artikel 6:265 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) dat wanneer een partij een overeenkomst niet nakomt, de andere partij die overeenkomst mag ontbinden. Deze regel kent een uitzondering, namelijk wanneer de tekortkoming niet zoveel voorstelt. In dat geval gaat ontbinding van de overeenkomst te ver.
3.8.
In dit geval gaat het om betaling van de huur, op basis van de tussen partijen gesloten huurovereenkomst. Die verplichting (verbintenis) zijn [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet nagekomen, zij zijn daarin tekortgeschoten. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben namelijk niet betwist dat zij de huur al ruim een half jaar niet meer aan [eiser] betalen.
3.9.
De kantonrechter is van oordeel dat de tekortkoming van [gedaagde 1] en [gedaagde 2], namelijk al zeven maanden de huur niet betalen, zo ernstig is dat de huurovereenkomst ontbonden moet worden. Het uitgangspunt in het huurrecht is namelijk dat een achterstand van drie maanden huur in beginsel al ernstig genoeg is om tot een ontbinding van de huurovereenkomst te kunnen komen. In dit geval is het zeven maanden. De vordering van [eiser] zal de kantonrechter dan ook toewijzen.
3.10.
De vordering tot ontruiming van het gehuurde is daardoor ook toewijsbaar. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] moeten de woning binnen twee weken na betekening (uitreiking) van dit vonnis verlaten, samen met al hun spullen die zich in de woning bevinden.
De huurachterstand
3.11.
De vordering van [eiser] tot betaling van de huurachterstand zal ook worden toegewezen. De achterstand is door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] immers niet betwist. De kantonrechter zal het gevorderde bedrag van € 2.550,00 toewijzen, als ook de huur die [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in de tussentijd verschuldigd zijn geworden.
De verweren van [gedaagde 1] en [gedaagde 2]
3.12.
[gedaagde 1] heeft, ook namens [gedaagde 2], aangevoerd dat [eiser] hen op een onredelijke manier heeft behandeld en dat hij voor een onleefbare situatie heeft gezorgd. Hierover merkt de kantonrechter het volgende op. Tijdens de zitting heeft [eiser] de gang van zaken zoals die zich volgens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] heeft voorgedaan, gemotiveerd betwist. Zo heeft [eiser] uitgelegd dat hij de ouders van [gedaagde 1] heeft benaderd omdat [gedaagde 1] tegen hem had gezegd dat zij de huur aan hem zouden betalen. Wat betreft de post heeft [eiser] verteld dat de brievenbus van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] op een gegeven moment niet meer werd geleegd, waardoor deze vol kwam te zitten. Zo is er volgens [eiser] wel eens post van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in zijn brievenbus terecht gekomen, aangezien de beide brievenbussen vlak naast elkaar staan.
3.13.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn niet naar de zitting gekomen. Zij hebben hun verweren daarom, nadat [eiser] zijn kant van het verhaal heeft verteld, niet verder toegelicht. De kantonrechter kan er daarom niet vanuit gaan dat het klopt wat zij naar voren hebben gebracht, en zij kan hun reactie op de dagvaarding daarom niet meenemen in haar beoordeling.
3.14.
Wat betreft [gedaagde 2] merkt de kantonrechter nog het volgende op. Hoewel [gedaagde 2] de woning al enige tijd heeft verlaten, is hij nog steeds huurder. [gedaagde 1] heeft wel gezegd dat [gedaagde 2] de huurovereenkomst voor hemzelf heeft opgezegd, maar [eiser] heeft betwist dat hij die opzegging heeft ontvangen. Bovendien bepaalt artikel 22.3 van de algemene voorwaarden dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] alleen samen de huurovereenkomst kunnen opzeggen. De opzegging door [gedaagde 2] is dus in ieder geval niet succesvol geweest. [gedaagde 2] kan daarom, net als [gedaagde 1], gehouden worden tot nakoming van de huurovereenkomst (oftewel: tot betaling van de huur).
Buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente
3.15.
[eiser] vordert een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten. Tegen deze vordering hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] geen verweer gevoerd. Omdat aan de wettelijke vereisten is voldaan, zal de vordering worden toegewezen.
3.16.
De door [eiser] gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen over de huurachterstand zoals die bestond op het moment van dagvaarden, dus over een bedrag van € 2.550,00. Voor het overige heeft [eiser] te weinig gesteld over het tijdstip van verzuim, zodat het meer gevorderde wordt afgewezen.
De proceskosten
3.17.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
171,11
- griffierecht
€
248,00
- salaris gemachtigde
€
476,00
(2,00 punten × € 238,00)
- nakosten
€
119,00
(een half punt van het salaris gemachtigde, met een maximum van € 135,00)
Totaal
€
1.014,11
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] worden beiden veroordeeld tot betaling van de huurachterstand
3.18.
De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
Dictum
De kantonrechter
4.1.
ontbindt de tussen bestaande huurovereenkomst van de woonruimte aan de [adres],
4.2.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] om het gehuurde binnen twee weken na de betekening van dit vonnis, samen met al hun spullen, te ontruimen en te verlaten, en om de sleutels aan [eiser] te geven,
4.3.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk tot betaling van een bedrag van € 2.550,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf 20 december 2023,
4.4.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk tot betaling van een zodanig bedrag aan huur dat zij vanaf 1 januari 2024 tot aan de dag van ontruiming verschuldigd zijn, berekend tegen een bedrag van € 850,00 per maand,
4.5.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk tot betaling van een bedrag van € 308,56 aan buitengerechtelijke incassokosten,
4.6.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.014,11, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [naam] niet op tijd aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.7.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
4.8.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.N.R. Wegerif en in het openbaar uitgesproken op 14 mei 2024. (wv)