Rechtspraak
Rechtbank Overijssel
2024-10-28
ECLI:NL:RBOVE:2024:6379
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,900 tokens
Inleiding
RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Toezicht
Zittingsplaats Almelo
rekestnummer: 318749 FT RK 24.518
uitspraakdatum: 28 oktober 2024
Vonnis van de rechtbank Overijssel, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken op het verzoek van:
[verzoeker],
geboren op [geboortedatum] 1976 te [geboorteplaats],
wonende te [woonplaats],
verder [verzoeker] te noemen.
Het procesverloop
Bij rekest van 17 juli 2024 heeft [bedrijf] B.V. het faillissement aangevraagd van [verzoeker]. [verzoeker] heeft ter afwending van het uitspreken van zijn faillissement op 30 juli 2024 een verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling (verzoek schuldsanering) ingediend. Het faillissementsrekest van 17 juli 2024 is geschorst totdat onherroepelijk op het verzoek schuldsanering is beslist.
Bij brief van 31 juli 2024 heeft de rechtbank [verzoeker] opgeroepen te verschijnen ter zitting van 14 oktober 2024 voor de behandeling van zijn verzoek schuldsanering.
[verzoeker] is niet verschenen ter zitting van 14 oktober 2024.
Heden zal uitspraak worden gedaan op het verzoek schuldsanering.
De beoordeling
Feiten
In de brief van 17 juli 2024 is [verzoeker] erop gewezen dat aan het verzoek schuldsanering de verklaring als bedoeld in artikel 285 Faillissementswet ontbreekt. [verzoeker] is erop gewezen dat het verzoek zonder deze verklaring niet aan de wettelijke vereisten voldoet, dat [verzoeker] bij het (blijvend) ontbreken van de verklaring niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn verzoek en dat vervolgens het faillissementsrekest opnieuw in behandeling zal worden genomen.
[verzoeker] is een termijn van een maand na 31 juli 2024 gegeven om de verklaring als bedoeld in artikel 285 Faillissementswet te verstrekken. [verzoeker] is erop gewezen dat die termijn, gelet op wettelijke bepalingen, niet kan worden verlengd. [verzoeker] is er eveneens op gewezen dat hij zich voor het opmaken van de verklaring moet wenden tot een organisatie die hiertoe bevoegd is. Aangezien er enige tijd gemoeid is met het opmaken van de verklaring, is [verzoeker] aangeraden onmiddellijk contact met een bevoegde instantie op te nemen.
Tot op heden is de verklaring ex artikel 285 Faillissementswet niet ontvangen. [verzoeker] heeft de rechtbank ook daarnaast geen stukken toegestuurd.
Op 14 oktober 2024 heeft [verzoeker] nadat de zitting was afgelopen gebeld met de insolventiegriffie dat hij zojuist de oproepbrief had gezien en zich had gerealiseerd dat hij die ochtend ter zitting had moeten verschijnen. Aan [verzoeker] is medegedeeld dat de rechtbank uitspraak zou doen op zijn verzoek schuldsanering zonder hem te hebben gehoord.
Bij brief van 16 oktober 2024 heeft mr. P.H.A. Mulder van MulderVanGeel advocaten en bedrijfsadviseurs te Almelo, zich gesteld als advocaat van [verzoeker]. Mr. Mulder heeft verzocht om de door de rechtbank te wijzen beschikking aan zijn kantoor te zenden.
Overwegingen
De rechtbank overweegt dat [verzoeker] op grond van artikel 287 lid 2 Faillissementswet een termijn van een maand is gegund om ontbrekende stukken (de verklaring ex artikel 285 Faillissementswet) aan te leveren. In artikel 287 lid 2 Faillissementswet is onder andere bepaald dat de termijn om ontbrekende stukken over te leggen, niet langer mag zijn dan een maand. Indien na deze termijn nog steeds gegevens ontbreken, wordt de schuldenaar niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek.
Nu [verzoeker] in de maand na 31 juli 2024, maar ook daarna geen verklaring ex artikel 285 Faillissementswet en ook geen andere stukken heeft aangeleverd, moet [verzoeker] naar het oordeel van de rechtbank niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn verzoek. De rechtbank zal hiertoe overgaan.
De rechtbank overweegt voorts het volgende. In artikel 3 Faillissementswet is bepaald dat een natuurlijk persoon wiens faillissement is aangevraagd, de bevoegdheid heeft een verzoek schuldsanering in te dienen. In artikel 3a lid 2 Faillissementswet is vervolgens bepaald dat het verzoek tot faillietverklaring wordt geschorst totdat bij in kracht van gewijsde gegane uitspraak is beslist op het verzoek tot het uitspreken van de toepassing van de schuldsaneringsregeling. De achterliggende gedachte van onder andere deze bepalingen is dat getracht moet worden de schulden van een natuurlijke persoon door middel van een schuldsaneringsregeling te saneren in plaats van dat een natuurlijk persoon failliet wordt verklaard, het faillissement wegens de toestand van de boedel wordt opgeheven en de schuldeisers de schuldenaar tot in lengte van dagen kunnen blijven achtervolgen.
De bevoegdheid tot het indienen van een verzoek schuldsanering ter afwering van het uitspreken van een faillissement kan echter, evenals andere bevoegdheden, misbruikt worden. Dit is onder andere het geval als de bevoegdheid voor een ander doel wordt gebruikt dan waarvoor de bevoegdheid is bedoeld. De rechtbank kan zich niet aan de indruk onttrekken dat daarvan in het geval van het verzoek schuldsanering van [verzoeker] sprake is. De rechtbank acht aannemelijk dat [verzoeker] de bevoegdheid om een verzoek schuldsanering in te dienen niet heeft aangewend om in een schuldsaneringsregeling terecht te komen, maar om zijn mogelijke faillietverklaring zoveel mogelijk te traineren of zelfs te blokkeren. De rechtbank leidt dit onder meer af uit het feit dat [verzoeker] sinds de brief van 31 juli 2024, dus 2,5 maand later, nog steeds geen verklaring ex artikel 285 Faillissementswet en/of andere stukken ter vervolmaking van zijn verzoek schuldsanering heeft aangeleverd.
Dat [verzoeker] niet ter zitting is verschenen, bevestigt de rechtbank in haar vermoeden dat [verzoeker] de bevoegdheid tot het indienen van een verzoek schuldsanering misbruikt. Uit het feit dat [verzoeker] op 14 oktober 2024 met de griffie heeft gebeld met de mededeling dat hij zich op dat moment realiseerde dat hij die ochtend ter zitting had moeten verschijnen, maakt de rechtbank op dat [verzoeker] de brief van 31 juli 2024 heeft ontvangen en dus onder andere op de hoogte was van het feit dat hij binnen een maand na 31 juli 2024 een verklaring ex artikel 285 Faillissementswet bij de rechtbank moest indienen. De rechtbank kan niet anders concluderen dan dat [verzoeker] er bewust voor heeft gekozen geen verklaring ex artikel 285 Faillissementswet aan te leveren.
De rechtbank wijst [verzoeker] er dan ook op dat een eventueel nieuw verzoek schuldsanering tegen het thans aanhangige faillissementsrekest of enig ander (toekomstig) faillissementsrekest, wegens misbruik van recht niet in behandeling zal worden genomen en dat er dus geen schorsende werking aan wordt verleend.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in zijn verzoek schuldsanering.
Gewezen door mr. M.M. Verhoeven, lid van genoemde kamer, en uitgesproken ter openbare
terechtzitting van 28 oktober 2024 in tegenwoordigheid van de griffier.
De schuldenaar heeft gedurende
acht dagen na de dag van deze uitspraak
het recht van hoger beroep. Het hoger beroep kan uitsluitend worden ingesteld bij door een advocaat ondertekend verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het Gerechtshof dat van de zaak kennis moet nemen (art. 292 lid 3 en 361 Fw.).