Rechtspraak
Rechtbank Overijssel
2024-11-12
ECLI:NL:RBOVE:2024:5869
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,084 tokens
Inleiding
RECHTBANK OVERIJSSEL
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 24/3737
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoekster], uit [woonplaats], verzoekster,
en
het college van burgemeester en wethouders van Almelo (het college),
gemachtigde: H.M.M. Adema.
Inleiding
1.1
Met het bestreden besluit van 5 september 2024 heeft het college de aanvraag van verzoekster om verlenging van de huishoudelijke ondersteuning op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) afgewezen. De tijdelijke indicatie voor huishoudelijke ondersteuning zal stoppen na 31 oktober 2024.
1.2
Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Tevens heeft zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
1.3
In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in het bodemgeding niet.
1.4
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht maakt dat mogelijk.
Beoordeling
2.1
De aard van een verzoek om een voorlopige voorziening veronderstelt een acute, dus actuele, spoedeisendheid. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt of als er geen acute noodsituatie is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat hij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft. Daarbij is van belang dat de voorzieningenrechter slechts een voorziening kan treffen totdat op het bezwaar is beslist. Het gaat dus om een beperkte periode.
2.2
Verzoekster heeft aangevoerd dat de situatie sinds het besluit is verslechterd. Haar partner heeft na de medische keuring een sepsis ontwikkeld door een ernstige enkelinfectie, waardoor hij is uitgeschakeld voor een groot aantal huishoudelijke taken. De beperkingen die al bestonden zijn daarmee verergerd, en de huishoudelijke taken stapelen zich op. Daarnaast is de zoon van verzoekster, nu overbelast. Hij werkt fulltime en heeft door de intensiteit van zijn baan en toegenomen taken veel moeite om extra bij te dragen aan het huishouden. Door de extra zorgbehoefte en de toegenomen druk dreigt hij fysiek en mentaal overbelast te raken. Er is sprake van een onhoudbare situatie.
2.3
De voorzieningenrechter is van oordeel dat geen spoedeisend belang besloten ligt in wat verzoekster heeft aangevoerd en de medische informatie die zij heeft overgelegd. Het gaat verzoekster om ondersteuning in het huishouden. Verzoekster heeft met de informatie die zij heeft overgelegd onvoldoende onderbouwd dat op dit moment op dit vlak sprake is van een acute noodsituatie die maakt dat onmiddellijk moet worden ingegrepen. De voorzieningenrechter heeft er nota van genomen, dat de gezondheid van de partner van verzoekster op dit moment maakt dat hij minder inzetbaar is voor huishoudelijke taken, maar dit levert op zichzelf geen spoedeisend belang op. Ten aanzien van de gezondheid van haar meerderjarige zoon heeft verzoekster geen medische gegevens aangeleverd, waaruit blijkt dat bij hem momenteel sprake is van (dreigende) overbelasting. Verzoekster heeft niet aangegeven welk huishoudelijk werk momenteel blijft liggen en hoe daardoor sprake is van een (acute) noodsituatie. De voorzieningenrechter heeft geen aanwijzingen dat onomkeerbare gevolgen zullen intreden als de behandeling van de bezwaarprocedure wordt afgewacht.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.T. de Kwaasteniet, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van W. Veldman, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.