Rechtspraak
Rechtbank Overijssel
2024-08-20
ECLI:NL:RBOVE:2024:4499
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
1,185 tokens
Inleiding
RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 08.770256-16
Datum vonnis: 20 augustus 2024
Vonnis op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende op de vordering op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) van de officier van justitie ten aanzien van de veroordeelde:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1962 in [geboorteplaats],
nu verblijvende in de [locatie].
1De schriftelijke vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e Sr wordt geschat en de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel tot een bedrag van € 4.000.000,--.
Procesverloop
De rechtbank heeft kennis genomen van het met deze schriftelijke ontnemingsvordering samenhangende strafdossier. Op de openbare terechtzitting van 7 december 2017 is de behandeling van de vordering uitgesteld in afwachting van een beslissing in hoger beroep op de vordering van de benadeelde partij van € 4.000.000,--.
De officier van justitie heeft op de terechtzitting van 6 augustus 2024 de vordering gewijzigd, zoals zij reeds op voorhand schriftelijk had meegedeeld. De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk voordeel wordt geschat en de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel tot een bedrag van € 0,--.
Veroordeelde en zijn raadsman, mr. T. Felix, advocaat in Amsterdam, zijn met kennisgeving aan de rechtbank niet op de terechtzitting verschenen en hebben hun standpunt op voorhand schriftelijk kenbaar gemaakt.
Beoordeling
3.1
Veroordeling
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft bij arrest van 16 december 2020, gewezen onder het parketnummer 21.003157-17, veroordeelde veroordeeld ter zake van in de periode van
17 oktober 2007 tot en met 7 juli 2008 meermalen medeplegen van verduistering.. De vordering van de benadeelde partij is toegewezen voor een bedrag van € 4.000.000,--.
De rechtbank neemt als grondslag voor de ontnemingsvordering wat bewezen is verklaard in dit arrest. Het arrest is inmiddels onherroepelijk geworden.
3.2
Beoordeling
De rechtbank acht het op basis van de wettige bewijsmiddelen in het strafdossier, zoals omschreven in genoemd arrest, aannemelijk dat veroordeelde in de bewezen verklaarde periode een bedrag van € 4.000.000,-- aan wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten.
De rechtbank overweegt vervolgens dat in artikel 36e lid 8 Sr (oud) is bepaald dat bij de bepaling van de omvang van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, aan benadeelde derden in rechte toegekende vorderingen in mindering moeten worden gebracht. Bij toepassing daarvan komen slechts in aanmerking de in rechte onherroepelijk toegekende vorderingen van benadeelde partijen, die strekken tot vergoeding van hun schade als gevolg van het feit waarop de ontnemingsvordering (mede) steunt, indien en voor zover tegenover die schade een daarmee corresponderend voordeel voor de veroordeelde staat.
De rechtbank zal het bedrag van de in rechte onherroepelijk toegekende vordering van de benadeelde partij daarom in mindering brengen op het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat. De rechtbank stelt dit bedrag vast op € 0,--.
3.3
De vaststelling van de betalingsverplichting
De betalingsverplichting wordt gelet op het voorgaande gesteld op een bedrag van € 0,--.
4De wettelijke voorschriften
De oplegging van de maatregel is gegrond op artikel 36e Sr (oud).
Dictum
De rechtbank:
stelt het bedrag waarop het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 0,--;
stelt de verplichting tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op € 0,--.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.H. Peper, voorzitter, mr. A. van Holten en mr. J.G.M. Fluttert, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N. Klunder, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 20 augustus 2024.
HR 26 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2496.