Rechtspraak
Rechtbank Overijssel
2024-07-19
ECLI:NL:RBOVE:2024:3858
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,819 tokens
Inleiding
RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummers: ZWO 24/2333 en 24/2948
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van
9 juli 2024 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres,
gemachtigde: mr. H.A. van der Kleij,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, verweerder (het UWV),
gemachtigde: C. Lubberts.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eiseres tegen de niet-ontvankelijkverklaring van haar bezwaarschriften.
1.1.
Het UWV heeft met het besluit van 29 januari 2024 geweigerd om aan eiseres vanaf
10 oktober 2023 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toe te kennen. Met bestreden besluit I van 6 maart 2024 heeft het UWV het bezwaar van eiseres tegen dit besluit niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiseres geen bezwaargronden heeft ingediend.
1.2.
Eiseres heeft tegen bestreden besluit I beroep ingesteld.
1.3.
Het UWV heeft op dit beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
Het UWV heeft eiseres met een brief van 28 februari 2024 een aanvullend medisch rapport toegestuurd en haar gemeld dat de ontvangen informatie geen aanleiding geeft om af te wijken van de conclusie van het eerdere medisch onderzoek. Met bestreden besluit II van 31 mei 2024 heeft het UWV het bezwaar van eiseres tegen deze brief niet-ontvankelijk verklaard, omdat het niet is gericht tegen een besluit.
1.5.
De rechtbank heeft de beroepen van eiseres tegen de bestreden besluiten I en II op
9 juli 2024 gevoegd op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het UWV.
1.6.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Dictum
2. De rechtbank verklaart de beroepen gegrond.
Deze beslissing is gebaseerd op de volgende overwegingen.
ZWO 24/2333
3.1.
Het gaat om de vraag of het bezwaar niet-ontvankelijk mocht worden verklaard, vanwege het ontbreken van gronden. Eiseres heeft in haar bezwaarschrift beaamd dat zij om medische redenen bezwaar maakt. Daarbij komt dat eiseres in haar bezwaarschrift heeft vermeld dat ze nog nadere stukken zou toesturen. Vervolgens heeft de huisarts van eiseres nadere medische informatie aan het UWV gestuurd. Daarmee zijn voldoende gronden aangevoerd.
3.2.
Het is wel zo dat het UWV zelf om medische informatie van de huisarts heeft gevraagd, maar de verzekeringsarts had ook al met eiseres besproken dat dit nog zou gebeuren. Eiseres ziet dit als een geheel. Het is niet redelijk om eiseres tegen te werpen dat zij dit niet allemaal goed heeft doorzien.
3.3.
De rechtbank betrekt hierbij ook de nieuwe koers in het bestuursrecht, dat niet teveel aan formaliteiten moet worden vastgehouden. Het UWV had eiseres niet om formele redenen de bezwaarprocedure mogen ontzeggen. Eiseres heeft wel gronden aangevoerd. Ze heeft vermeld dat het om medische redenen gaat. Dan moet voor het UWV duidelijk zijn waar het bezwaar zich op richt. Daarmee, in combinatie met de nagestuurde medische informatie van de huisarts, is voldoende duidelijk wat de gronden van het bezwaar zijn. De rechtbank is van oordeel dat het UWV eiseres ter wille moet zijn en het besluit van
29 januari 2024 moet heroverwegen.
4. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt bestreden besluit I van
6 maart 2024 en draagt het UWV op om het aanvankelijke bezwaar ook inhoudelijk te toetsen, waarbij eiseres moet worden uitgenodigd voor een hoorzitting en een verzekeringsarts bezwaar en beroep de gezondheidssituatie van eiseres opnieuw beoordeelt.
24/2948
5. Anders dan het UWV meent, is de rechtbank van oordeel dat de brief van
28 februari 2024 een besluit is. Bij de verzekeringsarts heeft kennelijk een herbeoordeling plaatsgevonden. De verzekeringsarts heeft laten weten dat ze bij het oorspronkelijke besluit blijft. Dat is een nieuw besluit. Het feit dat geen wijziging is aangebracht in de afwijzing van de ZW-uitkering is het resultaat van de herbeoordeling. Dat is het rechtsgevolg. Nog steeds is geen sprake van toekenning van een ZW-uitkering.
6. De rechtbank verklaart ook dit beroep gegrond, vernietigt bestreden besluit II van
31 mei 2024 en draagt het UWV op de gezondheidssituatie van eiseres opnieuw te beoordelen en na te gaan of de afwijzing van de ZW-uitkering terecht is.
Conclusie
7.1.
De beroepen zijn gegrond. De rechtbank vernietigt daarom de bestreden besluiten I en II.
7.2.
De rechtbank bepaalt dat het UWV een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak.
7.3.
Omdat de beroepen gegrond zijn moet het UWV het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten.
Het UWV moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.750,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder is niet gebleken van kosten die vergoed kunnen worden.
7.4.
Partijen kunnen tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep gaan op de hieronder omschreven wijze.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de bestreden besluiten I en II van respectievelijk 6 maart 2024 en 31 mei 2024;
- draagt het UWV op een nieuw besluit op de bezwaren te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 51,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt het UWV tot betaling van € 1.750,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2024 door mr. F. Koster, rechter, in aanwezigheid van mr. A.A.H. Beenen-Oskam, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.