Rechtspraak
Rechtbank Overijssel
2024-03-19
ECLI:NL:RBOVE:2024:1444
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,433 tokens
Inleiding
RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 23/2579
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
en
het CAK,
gemachtigde: mr. J.M. Nijman.
Inleiding
Bij brief van 31 maart 2023 heeft het CAK eiseres een aanmaning gestuurd omdat geconstateerd was dat eiseres geen zorgverzekering heeft in de zin van de Zorgverzekeringswet (Zvw).
Omdat eiseres niet binnen drie maanden na de aanmaning een zorgverzekering had afgesloten heeft het CAK eiseres bij het besluit van 7 juli 2023 (het primaire besluit) een boete opgelegd van € 472,25.
Bij besluit van 16 oktober 2023 heeft het CAK eiseres een tweede boete van € 472,25 opgelegd, omdat zij nog steeds geen zorgverzekering heeft afgesloten.
Met het bestreden besluit van 2 november 2023 heeft het CAK het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiseres heeft beroep ingesteld. Het CAK heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 7 maart 2024 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen.
Het CAK is niet verschenen
Beoordeling
1. Artikel 8:41 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) bepaalt dat de indiener van een beroepschrift griffierecht verschuldigd is. De indiener wordt een termijn gesteld waarbinnen het griffierecht moet worden voldaan. Indien het bedrag niet tijdig is bijgeschreven of gestort, is het beroep niet-ontvankelijk, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
2. Bij brief van 20 december 2023 is eiseres verzocht om binnen vier weken het verschuldigde griffierecht van € 50,- te betalen. Omdat binnen deze termijn het griffierecht niet is betaald, is eiseres bij aangetekende brief van 18 januari 2024 nogmaals in de gelegenheid gesteld om het verschuldigde griffierecht binnen vier weken te betalen. Deze aangetekende brief is op 20 januari 2024 bij eiseres bezorgd en zij heeft voor de ontvangst daarvan getekend.
3. Eiseres heeft in haar beroepschrift gesteld dat de rechtbank met het vragen van griffierecht al haar rechten schendt. In Nederland is volgens de wet iedereen gelijk en moet iedereen gelijkwaardig gebruik kunnen maken van het recht volgens artikel 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en artikel 1 van de Universele Verklaring van de rechten van de Mens (UVRM). Het in rekening brengen van geld is ook een vorm van dwang wat bij wet niet mag volgens het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank mag dan ook het griffierecht van € 50,- niet opleggen omdat eiseres dan niet meer vrij en bevoegd is om gebruik te maken van haar burgerlijke rechten. Eiseres verwijst ook naar artikel 4 UVRM en andere internationaalrechtelijke bepalingen.
4. De rechtbank kan eiseres hier niet in volgen. Zoals hiervoor weergegeven is wettelijk voorgeschreven dat de indiener van een beroepschrift griffierecht verschuldigd is. Het Wetboek van Strafrecht en het Burgerlijk Wetboek bevatten ook geen bepalingen waaruit volgt dat geen griffierecht geheven zou mogen worden. Ook verzet het internationaal recht zich hier niet tegen. De bepalingen waarnaar eiseres verwijst, bevatten geen verbod hierop. Ook de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), dat de toegang tot de rechter garandeert, bevatten geen verbod op het heffen van griffierecht in een bestuursrechtelijke procedure zoals deze. Strijd met deze bepalingen doet zich pas voor indien een zodanig bedrag aan griffierecht wordt geheven, dat dit - mede gelet op de voor de betrokkene in het geding zijnde belangen - een wezenlijke belemmering van de toegang tot de rechter vormt. Daarvan is, bij het griffiebedrag van € 50,- dat van eiseres werd geheven, evident geen sprake.
5. Nu eiseres niet binnen de haar gestelde termijnen het verschuldigde griffierecht heeft betaald, is het beroep niet-ontvankelijk.
6. Dit heeft als gevolg dat de rechtbank niet toekomt aan een oordeel over de vraag of het CAK aan eiseres op juiste gronden een boete opgelegd heeft.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.J. Thurlings-Rassa, rechter, in aanwezigheid van
Y. van Arnhem, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Hoge Raad 11 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:30 en daar aangehaalde rechtspraak van de Hoge Raad en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.