Rechtspraak
Rechtbank Overijssel
2023-12-12
ECLI:NL:RBOVE:2023:5074
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
2,132 tokens
Inleiding
RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 71.278150.23
Datum vonnis: 12 december 2023
Vonnis op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende op de vordering op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) van de officier van justitie ten aanzien van de veroordeelde:
[veroordeelde],
geboren op [geboortedatum] 1965 in [geboorteplaats],
nu verblijvende in de P.I. Nieuwegein.
1De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e Sr wordt geschat en de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel tot een bedrag van € 280.925,79.
Procesverloop
De vordering is behandeld op de openbare terechtzitting van 28 november 2023.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie
mr. I.R.V. Out en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. R.D.A. van Boom, advocaat in Utrecht, naar voren is gebracht.
3Het afdoeningsvoorstel
Op 8 november 2023 zijn door de officier van justitie en de verdediging afdoeningsafspraken gemaakt. De rechtbank is niet betrokken geweest bij de totstandkoming van die afspraken. Het gezamenlijk voorstel voor afdoening van de zaak is aan de rechtbank voorgelegd.
De overeenkomst bevat, voor zover betrekking hebbend op de ontnemingsvordering, de volgende afspraken:
de verdachte zal een bedrag van € 280.925,79 aan de Staat voldoen ter compensatie van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel;
de verdachte zal bij onherroepelijk worden van het vonnis een bedrag van€ 74.575,78 terstond beschikbaar stellen, uitgaande van het bij het Openbaar Ministerie beschikbare executiebeslag van € 206.349,92;
zowel door de verdediging als het Openbaar Ministerie wordt afgezien van het instellen van hoger beroep in deze zaak als de rechtbank komt tot een bewezenverklaring en strafoplegging conform de tussen de verdediging en het Openbaar Ministerie gemaakte afspraken, in die zin dat niet meer of minder dan drie maanden gevangenisstraf van de eis zal worden afgeweken en niet meer of minder dan € 15.000,-- van de ontnemingsvordering zal worden afgeweken.
Het afdoeningsvoorstel is met de officier van justitie, de raadsman en veroordeelde besproken op de zitting van 28 november 2023. Zij hebben allen bevestigd achter het voorstel te staan. Veroordeelde heeft ter zitting verklaard dat hij het voorstel met zijn raadsman heeft besproken, dat hij bekend is met de inhoud van het afdoeningsvoorstel en dat hij daarmee akkoord gaat. Verdachte begrijpt wat de consequenties zijn als de rechtbank het voorstel volgt, in het bijzonder met betrekking tot zijn verdedigingsrechten.
4Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft, onder verwijzing naar de procesafspraken, gevorderd dat het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt vastgesteld op € 280.925,79 en dat aan de veroordeelde een gelijkluidende betalingsverplichting wordt opgelegd.
5Het standpunt van de veroordeelde en zijn raadsman
De raadsman heeft verzocht de ontnemingszaak af te doen zoals in de procesafspraken is overeengekomen.
Beoordeling
6.1
Grondslag van de vordering
De veroordeelde is bij vonnis van deze rechtbank van 12 december 2023 veroordeeld voor de strafbare feiten:
parketnummer 71.205142.22
feit 1
het misdrijf: medeplegen om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen door
- een ander trachten te bewegen om dat feit te plegen of mede te plegen en om daarbij behulpzaam te zijn en om daartoe gelegenheid, middelen en inlichtingen te verschaffen, en
- zich en een ander gelegenheid, middelen en inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen, en
- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en andere betaalmiddelen voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;
feit 2
het misdrijf: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod;
feit 3
het misdrijf: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod;
parketnummer 71.278150.23
feit 1
het misdrijf: medeplegen van gewoontewitwassen;
feit 2
het misdrijf: valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.
6.2.
Overwegingen
De rechtbank heeft zich gebogen over de vraag of het mogelijk is de zaak conform de tussen de officier van justitie en de verdediging gemaakte procesafspraken af te doen. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend. Daarbij heeft de rechtbank acht geslagen op de door de Hoge Raad geformuleerde aandachtspunten die de strafrechter bij de beoordeling van procesafspraken in acht moet nemen. Deze houden onder meer het volgende in:
- de rechtbank houdt een eigen verantwoordelijkheid ervoor te zorgen dat de behandeling en de beoordeling van de strafzaak plaatsvinden overeenkomstig de geldende wettelijke bepalingen, met name de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering(Sv);
- verdachte is voorzien van rechtsbijstand;
- de inhoud van het afdoeningsvoorstel is op de openbare terechtzitting besproken;
- de rechtbank heeft vastgesteld dat verdachte vrijwillig, op basis van voldoende en duidelijke informatie en terwijl hij zich bewust was van de rechtsgevolgen, is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing mee te werken aan het afdoeningsvoorstel en de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten.
De rechtbank is van oordeel dat, rekening houdend met de hiervoor genoemde aandachtspunten, het afdoeningsvoorstel recht doet aan de uitgangspunten van het Wetboek van Strafvordering en het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden en dat de belangen van zowel verdachte als de maatschappij met dit afdoeningsvoorstel voldoende zijn gewaarborgd. De rechtbank acht de hoogte van het te ontnemen geldbedrag passend en in redelijke verhouding staan tot de ernst van de zaak en ziet geen aanleiding om van het afdoeningsvoorstel af te wijken. De rechtbank betrekt bij dit oordeel dat het afdoen van de zaak conform de procesafspraken bijdraagt aan het verkorten van de procedure en het efficiënter en effectiever afdoen van de zaak.
De rechtbank stelt zowel de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel als het door de veroordeelde te betalen geldbedrag vast op € 280.925,79.
7De wettelijke voorschriften
De oplegging van de maatregel is gegrond op artikel 36e Sr.
Dictum
De rechtbank:
- stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 280.925,79;
- legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van € 280.925,79 aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;
- bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 1080 dagen.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.K. Huisman, voorzitter, mr. A.J. de Loor en D.K. ten Cate, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.K. van Haren, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 12 december 2023.
Buiten staat
mr. D.K. ten Cate is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.