Rechtspraak
Rechtbank Overijssel
2023-07-13
ECLI:NL:RBOVE:2023:2708
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - meervoudig
5,228 tokens
Inleiding
RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Almelo
Bestuursrecht
zaaknummers: ZWO 22/952, 22/1051 en 22/1052
uitspraak van de meervoudige kamer in de zaken tussen
Stichting [naam stichting] uit [vestigingsplaats] , eiseres,
gemachtigde: [naam 1] ,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen verweerder,
gemachtigde: S. Gootjes.
Inleiding
1.1
Bij besluit van 2 december 2021 (primair besluit I) heeft verweerder eiseres meegedeeld dat de aan [naam 2] ( [naam 2] ) vanaf 8 januari 2022 betaalde voorschotten op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) worden toegerekend aan eiseres.
Met het besluit van 9 mei 2022 (bestreden besluit I) op het bezwaar van eiseres is verweerder bij dat besluit gebleven. Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.
Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer ZWO 22/952.
Omdat verweerder bij besluit van 10 mei 2022 aan [naam 2] met ingang van 8 januari 2022 op grond van de Wet WIA een IVA-uitkering heeft toegekend, heeft verweerder bij besluit van 24 augustus 2022 opnieuw op het bezwaar beslist. Verweerder heeft het bezwaar alsnog gegrond verklaard omdat een IVA-uitkering niet voor rekening van eiseres komt. Verweerder heeft het besluit van 2 december 2021 ingetrokken en de op eiseres verhaalde bedragen gecorrigeerd.
1.2
Bij besluit van 11 mei 2022 (primair besluit II) heeft verweerder eiseres meegedeeld dat de aan [naam 3] ( [naam 3] ) vanaf 31 mei 2022 betaalde voorschotten op grond van de Wet WIA worden toegerekend aan eiseres.
Met het besluit van 16 juni 2022 (bestreden besluit II) op het bezwaar van eiseres is verweerder bij dat besluit gebleven. Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.
Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer AWB 22/1051.
1.3
Bij besluit van 3 maart 2022 (primair besluit III) heeft verweerder eiseres meegedeeld dat de aan [naam 4] ) vanaf 22 maart 2022 betaalde voorschotten op grond van de Wet WIA worden toegerekend aan eiseres.
Met het besluit van 16 juni 2022 (bestreden besluit III) op het bezwaar van eiseres is verweerder bij dat besluit gebleven. Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.
Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer AWB 22/1052.
Omdat verweerder bij besluit van 2 april 2023 aan [naam 4] met ingang van 22 maart 2022 op grond van de Wet WIA een IVA-uitkering heeft toegekend, heeft verweerder bij besluit van 8 mei 2023 opnieuw op het bezwaar beslist. Verweerder heeft het bezwaar alsnog gegrond verklaard omdat een IVA-uitkering niet voor rekening van eiseres komt. Verweerder heeft het besluit van 3 maart 2022 ingetrokken en de op eiseres verhaalde bedragen gecorrigeerd.
1.4
Verweerder heeft verweerschriften ingediend.
1.5
De rechtbank heeft de beroepen op 12 oktober 2022 gevoegd op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam 5] , HR-coach bij eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder.
1.6
De enkelvoudige kamer heeft de zaken verwezen naar de meervoudige kamer.
De rechtbank heeft partijen verzocht hun visie kenbaar te maken op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 8 maart 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:316.
De rechtbank heeft partijen tevens in de gelegenheid gesteld aan te geven of zij behandeling van de beroepen op een nadere zitting wensen. Partijen hebben de rechtbank hun visie meegedeeld en hebben laten weten dat een nadere zitting niet nodig is.
1.7
De rechtbank heeft daarop het onderzoek in de zaken gesloten.
De totstandkoming van de primaire besluiten
2.1
[naam 2] is gedurende 26 uur per week werkzaam geweest als wijkverpleegkundige in dienst van eiseres. Op 11 januari 2020 heeft zij zich ziek gemeld. Op 14 oktober 2021 heeft zij verweerder verzocht haar een WIA-uitkering toe te kennen. Bij besluit van 2 december 2021 heeft verweerder [naam 2] met ingang van 8 januari 2022 op grond van de Wet WIA een voorschot op een loongerelateerde uitkering in verband met werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA) toegekend, omdat verweerder meer tijd nodig heeft om op de aanvraag te beslissen. Er moet nog een medisch en/of arbeidskundig onderzoek plaatsvinden. Op 2 december 2021 heeft verweerder tevens het primaire besluit I genomen, zoals vermeld in de Inleiding.
2.2
[naam 3] is gedurende 28 uur per week werkzaam geweest als wijkverpleegkundige in dienst van eiseres. Op 2 juni 2020 heeft zij zich ziek gemeld. Op 4 maart 2022 heeft zij verweerder verzocht haar een WIA-uitkering toe te kennen. Bij besluit van 11 mei 2022 heeft verweerder [naam 3] met ingang van 31 mei 2022 een voorschot op een WIA-uitkering toegekend, omdat nog niet bekend is of zij een uitkering kan krijgen. Vervolgens heeft verweerder het primaire besluit II genomen, zoals vermeld in de Inleiding.
2.3
[naam 4] is gedurende 16 uur per week werkzaam geweest als wijkverpleegkundige in dienst van eiseres. Op 24 maart 2020 heeft zij zich ziek gemeld. Op 23 december 2021 heeft zij verweerder verzocht haar een WIA-uitkering toe te kennen. Bij besluit van 3 maart 2022 heeft verweerder [naam 4] met ingang van 22 maart 2022 een voorschot op een WIA-uitkering toegekend, omdat nog niet bekend is of zij een uitkering kan krijgen. Verweerder heeft tevens het primaire besluit III genomen, zoals vermeld in de Inleiding.
Standpunten van partijen
3.1
Verweerder stelt zich op het standpunt dat de eigenrisicodrager het risico van het
betalen van de WGA-uitkering draagt, ook al is die uitkering bij wijze van voorschot betaald. Volgens verweerder zijn de voorschotten daarom terecht aan eiseres toegerekend. Verweerder heeft hiertoe gewezen op artikel 84, derde lid, van de Wet WIA, waarin vanaf 1 januari 2022 is bepaald dat wat geldt ten aanzien van verhaal van de WGA-uitkering op de eigenrisicodrager, van overeenkomstige toepassing is op voorschotten. De uitspraak van de CRvB van 8 maart 2023 leidt niet tot een ander standpunt, nu die uitspraak ziet op de situatie vóór de wetswijziging van 1 januari 2022.
3.2.1
Eiseres stelt dat verweerder de voorschotten toerekent aan eiseres zonder wettelijke grondslag. Pas nadat is vastgesteld dat recht bestaat op een WGA-uitkering, kan die uitkering volgens eiseres worden toegerekend aan eiseres als eigenrisicodrager. Eiseres heeft erop gewezen dat, gelet op de uitspraak van de CRvB van 11 mei 2021 en de uitspraak van de Rechtbank Limburg van 6 oktober 2021 geen wettelijke grondslag bestaat voor het toerekenen van voorschotten aan de eigenrisicodrager. Met de Veegwet/Verzamel-wet is een zin toegevoegd aan artikel 84, derde lid, van de Wet WIA, maar hiermee kan de toerekening niet worden gelegitimeerd. Volgens eiseres betreft het hiervoor een te grote wijziging en geen ‘klein beleid’. Het gaat niet om een zuiver technische aanpassing, zodat dit niet met een Veegwet/Verzamelwet in de Wet WIA opgenomen mocht worden. Eiseres is van mening dat de wetswijziging ongrondwettelijk tot stand is gekomen, ook omdat geen advies is gevraagd aan de Raad van State. Volgens eiseres is de toevoeging aan artikel 84, derde lid, van de Wet WIA dan ook onverbindend.
3.2.2
De bestreden besluiten zijn volgens eiseres verder in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel van artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), het evenredigheidsbeginsel van artikel 3:4 van de Awb en het motiveringsbeginsel van de artikelen 3:46 en 3:47 van de Awb.
Beoordeling
Procesbelang
5.1
In de loop van de procedures is in de zaken van [naam 2] en [naam 4] alsnog beslist op de WIA-aanvraag. Aan hen is een IVA-uitkering toegekend. Niet bekend is of in de [naam 3] inmiddels (definitief) een beslissing op de WIA-aanvraag is genomen.
5.2
De rechtbank stelt vast dat bij de weigering van een WIA-uitkering of bij de toekenning van een IVA-uitkering het aan verzekerde betaalde voorschot door verweerder wordt gecrediteerd aan eiseres, als eigenrisicodrager. Indien een WGA-uitkering wordt toegekend wordt het voorschot verrekend met de toegekende uitkering. De vraag is daarom of eiseres in de zaken van [naam 2] en [naam 4] , waarin een IVA-uitkering is toegekend, nog procesbelang heeft bij de beoordeling van het bestreden besluit I, respectievelijk bestreden besluit III. Deze vraag beantwoordt de rechtbank bevestigend, gelet op het navolgende.
5.3
Volgens vaste rechtspraak kan de omstandigheid dat schade is geleden door bestuurlijke besluitvorming tot het oordeel leiden dat er nog steeds sprake is van een actueel procesbelang. Daarvoor is wel vereist dat de stelling dat schade is geleden niet op voorhand onaannemelijk is.
5.4
De rechtbank is van oordeel dat eiseres procesbelang heeft bij de beroepen, ook bij de beroepen in de zaken van [naam 2] en [naam 4] . De werkwijze van verweerder rondom het toerekenen van voorschotten brengt volgens eiseres administratieve rompslomp en daarbij behorende (loon)kosten mee, ook als een WGA-uitkering uiteindelijk wordt geweigerd of een IVA-uitkering wordt toegekend en het voorschot wordt gecrediteerd. Daarnaast heeft eiseres gesteld schade te hebben geleden door onnodig doorbetaalde verzekeringspremies, onnodig ingezette re-integratie trajecten en extra kosten aan ontbindingsprocedures nu de advocaten van de tegenpartij de lange duur van het besluitvormingstraject van verweerder na indiening van een WIA-aanvraag ook tegen eiseres kunnen gebruiken. De rechtbank acht het aannemelijk dat eiseres tot op zekere hoogte schade lijdt door de besluiten die in deze procedure voorliggen. Met het oog op het eventueel verhalen van deze schade heeft eiseres belang bij het verkrijgen van een oordeel van de bestuursrechter over de rechtmatigheid van de besluiten. Derhalve wordt eiseres gevolgd in haar standpunt dat ook in de zaken van [naam 2] en [naam 4] nog sprake is van procesbelang.
Wettelijke grondslag toerekening voorschotten
6.1
Eiseres is een eigenrisicodrager als bedoeld in artikel 82 van de Wet WIA. Tussen partijen is niet in geschil dat de (ex-)werknemers op de eerste ziektedag een dienstbetrekking hadden met eiseres. Verweerder is dus bevoegd aan hen uitbetaalde WGA-uitkeringen toe te rekenen aan en te verhalen op eiseres.
6.2
Uit de bespreking van de zaken op de zitting is gebleken dat het in deze zaken alleen gaat om de toerekeningsbesluiten.
6.3
In geschil is of de onder 6.1 genoemde bevoegdheid zover strekt dat daarvan ook gebruik kan worden gemaakt als nog geen (definitieve) beslissing is genomen op de WIA-aanvraag en in afwachting daarvan een voorschot is verstrekt, dat vervolgens is toegerekend aan eiseres als eigenrisicodrager. Daarbij spitst het geschil zich toe op de vraag of met de wetswijzing per 1 januari 2022, waarbij aan het derde lid van artikel 84 van de Wet WIA is toegevoegd dat het derde lid van overeenkomstige toepassing is, indien een voorschot op een uitkering is betaald, een wettelijke grondslag is gecreëerd voor het toerekenen van voorschotten aan een eigenrisicodrager. Deze vraag beantwoordt de rechtbank ontkennend, waartoe het volgende wordt overwogen.
6.4
De rechtbank stelt voorop dat met de toerekeningsbesluiten van de voorschotten aan eiseres als eigenrisicodrager een betalingsverplichting in het leven wordt geroepen. Het gaat dus om belastende besluiten. Dat betekent dat verweerder een wettelijke grondslag moet kunnen aanwijzen waarop deze betalingsverplichting wordt gebaseerd. Daarbij past niet dat de wet ruim wordt uitgelegd als de tekst dan wel bedoeling daarvan onduidelijk is. Met andere woorden, de grondslag voor de toerekening van de voorschotten aan eiseres moet ondubbelzinnig uit de wet (in dit geval de Wet WIA) voortvloeien.
6.5
Tot 1 januari 2022 werd in artikel 84, derde lid, van de Wet WIA niet vermeld dat die bepaling van overeenkomstige toepassing is, indien een voorschot op een uitkering is betaald. In die bepaling stond alleen dat een eigenrisicodrager het risico van betaling van de WGA-uitkering draagt. Dat daaronder mede een voorschot daarop moet worden begrepen, stond niet in de Wet WIA. Ook in de wetsgeschiedenis over de invoering van ‘eigenrisicodragen’ en het verlenen van voorschotten (Kamerstukken II, 24 698, nr. 3 respectievelijk nr. 10) stond niets over het toerekenen van dergelijke voorschotten aan een eigenrisicodrager.
6.6
Op 6 oktober 2021 heeft de Rechtbank Limburg geoordeeld dat in de Wet WIA, gelet op het vorenstaande, geen grondslag is gelegen voor het toerekenen van voorschotten aan een eigenrisicodrager. Ook uit artikel 83 van de Wet WIA blijkt dit niet ondubbelzinnig volgens de Rechtbank Limburg. Dat verweerder bevoegd is om een voorschot te verlenen bij WIA-aanvragen betekent volgens de Rechtbank Limburg niet dat daaruit moet worden afgeleid dat dit voorschot dan ook – net als de vastgestelde en toegekende WGA-uitkering – aan een eigenrisicodrager kan worden toegerekend. Daarbij heeft de Rechtbank Limburg van belang geacht dat aan het verlenen van een voorschot bij een WIA-aanvraag inherent is dat onzekerheid bestaat of uiteindelijk wel een toe te rekenen WGA-uitkering wordt toegekend. Geconcludeerd is dat uit de Wet WIA niet ondubbelzinnig blijkt dat is bedoeld om ook bij die onzekere situatie het betalingsrisico voor rekening van de eigenrisicodrager te laten komen.
6.7
In zijn uitspraak van 8 maart 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:316, heeft de CRvB in het hoger beroep tegen de uitspraak genoemd in 6.6 de rechtbank Limburg gevolgd in haar oordeel.
De CRvB heeft overwogen dat in de Wet WIA een grondslag om voorschotten toe te rekenen aan een eigenrisicodrager ontbreekt. Uit artikel 83 van de Wet WIA volgt dat de eigenrisicodrager gedurende een periode van tien jaar na het ontstaan van het recht op WGA-uitkering het eigenrisico draagt. Gelet op artikel 82, eerste lid, van de Wet WIA ziet dit risico gedurende de in artikel 83 bedoelde periode uitsluitend op de betaling van WGA-uitkeringen. Dit volgt ook uit de definitie van het begrip ‘eigenrisicodrager’ in artikel 1 van de Wet WIA en uit artikel 40, eerste lid, onder b, van de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv). Er is geen wettelijke bepaling waarin een op grond van artikel 4:95 van de Awb verstrekt voorschot voor de toepassing van artikel 82, eerste lid, van de Wet WIA kan worden gelijkgesteld met de betaling van een WGAuitkering. Ook de wetsgeschiedenis biedt hiervoor volgens de CRvB geen aanknopingspunten.
Dat een recht op WGA-uitkering naar vaste rechtspraak van rechtswege ontstaat als aan de voorwaarden van artikel 54 van de Wet WIA is voldaan, en dit los staat van de vaststelling door verweerder van het recht op grond van artikel 64 van die wet, maakt dit volgens de CRvB in genoemde uitspraak niet anders. Volgens de CRvB gaat dit argument van verweerder niet op, indien voorschotten zijn toegerekend in situaties waarin – achteraf bezien – geen recht op WGA-uitkering is ontstaan.
Conclusie
7. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder de aan de (ex-)- werknemers toegekende voorschotten ten onrechte heeft toegerekend aan eiseres, omdat hiertoe een wettelijke grondslag ontbreekt. Aangezien reeds op grond hiervan de bestreden besluiten I, II en III niet in stand kunnen blijven, zal de rechtbank hetgeen overigens is aangevoerd onbesproken laten. De beroepen van eiseres zijn gegrond. De rechtbank zal de bestreden besluiten vernietigen. Ook de primaire besluiten I, II en III kunnen geen stand houden. De rechtbank ziet aanleiding te bepalen dat deze primaire besluiten worden herroepen en dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde besluiten.
Schadevergoeding
8. Verweerder zal worden veroordeeld tot betaling van de wettelijke rente over de onverschuldigd betaalde voorschotten. De wettelijke rente moet worden berekend overeenkomstig de uitspraak van de CRvB van 25 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1958. Eventuele overige schade zal door eiseres buiten deze procedure moeten worden gevorderd.
Proceskosten en griffierecht
9. Omdat de beroepen gegrond zijn, bestaat aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiseres in bezwaar en beroep. De rechtbank stelt deze kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op in totaal € 2.689,50. Dit bedrag is als volgt berekend.
9.1
De proceskosten in beroep bedragen € 2.092,50 en zijn als volgt opgebouwd. Er is sprake van drie samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3, eerste en tweede lid, van het Bpb. Die zaken worden daarom voor de toepassing van artikel 2, eerste lid, onder a, van het Bpb als één zaak beschouwd, waarvoor op grond van onderdeel C2 van de bijlage bij het Bpb een wegingsfactor 1 (minder dan vier samenhangende zaken) wordt gehanteerd.
De rechtbank kent daarbij 1 punt toe voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor de reactie op de nadere brief van de rechtbank, met een waarde per punt van € 837,- en een gemiddeld gewicht.
9.2
De proceskosten in bezwaar bedragen € 597,- en zijn als volgt opgebouwd.
Voor de proceskosten in bezwaar in de beroepen met zaaknummers Awb 22/952 en Awb 22/1052 heeft verweerder in de nieuwe besluiten op bezwaar van 22 augustus 2022 en 8 mei 2023 al een vergoeding toegekend. Voor de proceskosten in bezwaar in het beroep met zaaknummer Awb 22/1051 kent de rechtbank 1 punt toe voor het indienen van het bezwaarschrift, met een waarde per punt van € 597,- en een gemiddeld gewicht.
10. Tot slot moet verweerder de door eiseres betaalde griffierechten aan haar vergoeden.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de bestreden besluit I, II en III;
- herroept de primaire besluiten I, II en III;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde besluiten;
- veroordeelt verweerder tot betaling van de wettelijke rente, zoals vermeld in 8;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.689,50,-;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van in totaal € 730,- aan eiseres te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.H. Harbers, voorzitter, en mr. A.T. de Kwaasteniet en mr. M.I. van Meel, leden, in aanwezigheid van W. Veldman, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
ECLI:NL:CRVB:2021:2572
ECLI:NL:RBLIM:2021:7549
ECLI:NL:RVS:2022:285
Zie de uitspraak van de CRvB van 19 april 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:934
ECLI:NL:RBLIM:2021:7549
Kamerstukken II, 1995/96, 24 698, nr. 3 respectievelijk Kamerstukken II, 1996/97, 24 698, nr. 10.
Kamerstukken II, 2020/21, 35 897, nr. 5, blz. 17 en Kamerstukken I, 2021/22, 35 897, nr. F, blz. 11.