Rechtspraak
Rechtbank Overijssel
2023-06-06
ECLI:NL:RBOVE:2023:2378
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,440 tokens
Inleiding
RECHTBANK OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Enschede
Zaaknummer: 10211236 \ CV EXPL 22-4293
Vonnis van 6 juni 2023
in de zaak van
MENZIS ZORGVERZEKERAAR N.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: Menzis,
gemachtigde: GGN Mastering Credit N.V.,
tegen
[gedaagde]
,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties van 9 november 2022, - de conclusie van antwoord met producties van 24 januari 2023, - de conclusie van repliek met producties van 13 maart 2023, - de conclusie van dupliek met producties van 3 mei 2023.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
2.1.
Menzis en [gedaagde] zijn een zorgverzekeringsovereenkomst aangegaan. Uit hoofde van deze overeenkomst is [gedaagde] maandelijks premies verschuldigd. Daarnaast is [gedaagde] (verplicht) eigen risico verschuldigd, wanneer zij aanspraak maakt op vergoeding van verleende zorg.
2.2.
[gedaagde] is verplicht eigen risico verschuldigd geworden in de periode 2019 tot en met 2021. Er is een betalingsachterstand ontstaan in de betalingen van dat verplicht eigen risico.
2.3.
Op 20 juni 2022 heeft de gemachtigde van Menzis een brief gestuurd naar [gedaagde] waarin het volgende staat:
“Beste mevrouw [gedaagde] ,
Onlangs heeft u bezwaar gemaakt in het bovengenoemde dossier. Wij hebben uw bezwaar doorgestuurd naar onze opdrachtgever en verzocht hierop te reageren. Inmiddels hebben wij een reactie van onze opdrachtgever ontvangen.
Uw bezwaar is afgewezen. Onze opdrachtgever geeft daarvoor de volgende reden(en):
Er is geen betalingsregeling voor deze vordering. Uit onze administratie blijkt niet dat er contact is geweest m.b.t. een regeling.
Als er sprake zou zijn geweest van een betalingsregeling, zou deze schriftelijk bevestigd zijn aan verzekerde.
Wij hebben de opdracht gekregen om de openstaande vordering en de bijkomende kosten alsnog bij u te innen.”
Geschil
3.1.
Menzis vordert dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] veroordeelt om aan Menzis te betalen een bedrag van € 457,62, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 9 november 2022 tot aan de dag van algehele voldoening. Tevens vordert Menzis veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
3.2.
Aan haar vordering legt Menzis het volgende ten grondslag. Menzis heeft van [gedaagde] uit hoofde van de zorgverzekeringsovereenkomst opeisbaar te vorderen gekregen een bedrag van € 638,72 aan verplicht eigen risico. Ondanks herhaalde aanzegging heeft [gedaagde] dit bedrag niet betaald. Menzis heeft zich door dit betalingsverzuim genoodzaakt gezien de vordering uit handen te geven aan haar incassogemachtigde. Zij vordert daarom vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten van € 66,71 (€ 55,13 plus € 11,58 aan btw). Verder vordert Menzis de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW over de hoofdsom, welke zij tot 9 november 2022 heeft berekend op een bedrag van € 23,40. Sindsdien vordert Menzis de wettelijke rente tot aan de dag van volledige betaling. In mindering op de vordering kunnen strekken betalingen van [gedaagde] van € 255,80 aan Menzis en van € 15,41 aan de gemachtigde van Menzis. Daarmee komt het bij dagvaarding gevorderde bedrag uit op € 457,62.
3.3.
[gedaagde] voert verweer tegen de vordering van Menzis. Volgens haar is er een betalingsregeling getroffen in april 2022 en mocht ze het verschuldigde bedrag aan verplicht eigen risico in termijnen van € 63,95 betalen. Dit laatstgenoemde bedrag heeft [gedaagde] in vier keer betaald. [gedaagde] voert daarnaast nog aan dat er door Menzis een hoger bedrag aan premie wordt geïncasseerd dan wat zij zou zijn verschuldigd, nu zij een basisverzekering heeft van € 141,60. Er wordt echter elke maand te veel premie, namelijk € 154,60, van haar bankrekening afgeschreven.
3.4.
Op de (overige) stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
Beoordeling
4.1.
Aan de orde is of [gedaagde] moet worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 457,62 aan eigen risico vermeerderd met rente en kosten.
4.2.
In reactie op het verweer van [gedaagde] heeft Menzis bij repliek het volgende naar voren gebracht. Anders dan [gedaagde] stelt, is er geen betalingsregeling met haar getroffen. Dit is door GGN ook aan [gedaagde] medegedeeld zoals volgt uit de brief van 20 juni 2022. Als er wel sprake zou zijn geweest van een betalingsregeling, zou de betalingsregeling wel schriftelijk zijn bevestigd aan [gedaagde] . Het is juist dat er viermaal een bedrag van € 63,95 door [gedaagde] is betaald, maar deze betalingen van in totaal € 255,80 aan Menzis zijn bij dagvaarding reeds op de vordering in mindering gebracht.
4.3.
[gedaagde] heeft bij conclusie van dupliek nogmaals aangevoerd dat er in april 2022 wel degelijk een betalingsregeling is getroffen. [gedaagde] heeft conform de regeling betaald, maar die betaalde bedragen worden nu in deze procedure ten onrechte (opnieuw) door Menzis gevorderd.
4.4.
De kantonrechter overweegt als volgt. Menzis stelt dat [gedaagde] een bedrag van (thans) € 457,62 onbetaald heeft gelaten. Dat, zoals [gedaagde] stelt, partijen een betalingsregeling zijn overeengekomen, is door Menzis betwist en door [gedaagde] niet onderbouwd. De kantonrechter zal hier daarom aan voorbij gaan. [gedaagde] heeft verder gesteld dat reeds door haar betaalde bedragen in deze procedure opnieuw worden gevorderd. Uit de specificatie van de vordering bij dagvaarding volgt echter dat die betaalde bedragen (van in totaal € 255,80) reeds in mindering zijn gebracht.
4.5.
Voor zover [gedaagde] nog heeft aangevoerd dat er maandelijks te veel premie wordt geïncasseerd, geldt dat Menzis onweersproken heeft gesteld dat [gedaagde] is aangemeld bij het CAK, als gevolg waarvan de door [gedaagde] te betalen premie met een bestuursrechtelijke boete is verhoogd. Niet gesteld of gebleken is dat [gedaagde] het thans gevorderde bedrag aan verplicht eigen risico op andere wijze heeft betaald.
4.6.
Menzis vordert een bedrag van € 66,71 (inclusief btw) aan buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is. Menzis heeft een zogenoemde veertiendagenbrief d.d. 12 september 2022 gestuurd die aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW voldoet. Menzis heeft daarmee voldoende aangetoond dat er door haar buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is lager dan het in het Besluit bepaalde tarief. De vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is daarmee toewijsbaar.
4.7.
Gelet op wat hiervoor is overwogen zal een bedrag van € 457,62 worden toegewezen. Nu [gedaagde] dit bedrag ten onrechte onbetaald heeft gelaten, is zij de gevorderde wettelijke rente daarover eveneens verschuldigd geworden.
4.8.
[gedaagde] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld. Deze kosten worden aan de zijde van Menzis als volgt begroot:
- kosten dagvaarding € 129,74- griffierecht € 128,00- salaris gemachtigde € 160,00
totaal € 417,74
5
Dictum
De kantonrechter:
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan Menzis te betalen een bedrag van € 457,62 te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 9 november 2022 tot aan de dag van algehele voldoening,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van Menzis begroot op € 417,74,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.M.S. Kuipers en in het openbaar uitgesproken op 6 juni 2023. (TD)
Inleiding
RECHTBANK OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Enschede
Zaaknummer: 10211236 \ CV EXPL 22-4293
Vonnis van 6 juni 2023
in de zaak van
MENZIS ZORGVERZEKERAAR N.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: Menzis,
gemachtigde: GGN Mastering Credit N.V.,
tegen
[gedaagde]
,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties van 9 november 2022, - de conclusie van antwoord met producties van 24 januari 2023, - de conclusie van repliek met producties van 13 maart 2023, - de conclusie van dupliek met producties van 3 mei 2023.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
2.1.
Menzis en [gedaagde] zijn een zorgverzekeringsovereenkomst aangegaan. Uit hoofde van deze overeenkomst is [gedaagde] maandelijks premies verschuldigd. Daarnaast is [gedaagde] (verplicht) eigen risico verschuldigd, wanneer zij aanspraak maakt op vergoeding van verleende zorg.
2.2.
[gedaagde] is verplicht eigen risico verschuldigd geworden in de periode 2019 tot en met 2021. Er is een betalingsachterstand ontstaan in de betalingen van dat verplicht eigen risico.
2.3.
Op 20 juni 2022 heeft de gemachtigde van Menzis een brief gestuurd naar [gedaagde] waarin het volgende staat:
“Beste mevrouw [gedaagde] ,
Onlangs heeft u bezwaar gemaakt in het bovengenoemde dossier. Wij hebben uw bezwaar doorgestuurd naar onze opdrachtgever en verzocht hierop te reageren. Inmiddels hebben wij een reactie van onze opdrachtgever ontvangen.
Uw bezwaar is afgewezen. Onze opdrachtgever geeft daarvoor de volgende reden(en):
Er is geen betalingsregeling voor deze vordering. Uit onze administratie blijkt niet dat er contact is geweest m.b.t. een regeling.
Als er sprake zou zijn geweest van een betalingsregeling, zou deze schriftelijk bevestigd zijn aan verzekerde.
Wij hebben de opdracht gekregen om de openstaande vordering en de bijkomende kosten alsnog bij u te innen.”
Geschil
3.1.
Menzis vordert dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] veroordeelt om aan Menzis te betalen een bedrag van € 457,62, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 9 november 2022 tot aan de dag van algehele voldoening. Tevens vordert Menzis veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
3.2.
Aan haar vordering legt Menzis het volgende ten grondslag. Menzis heeft van [gedaagde] uit hoofde van de zorgverzekeringsovereenkomst opeisbaar te vorderen gekregen een bedrag van € 638,72 aan verplicht eigen risico. Ondanks herhaalde aanzegging heeft [gedaagde] dit bedrag niet betaald. Menzis heeft zich door dit betalingsverzuim genoodzaakt gezien de vordering uit handen te geven aan haar incassogemachtigde. Zij vordert daarom vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten van € 66,71 (€ 55,13 plus € 11,58 aan btw). Verder vordert Menzis de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW over de hoofdsom, welke zij tot 9 november 2022 heeft berekend op een bedrag van € 23,40. Sindsdien vordert Menzis de wettelijke rente tot aan de dag van volledige betaling. In mindering op de vordering kunnen strekken betalingen van [gedaagde] van € 255,80 aan Menzis en van € 15,41 aan de gemachtigde van Menzis. Daarmee komt het bij dagvaarding gevorderde bedrag uit op € 457,62.
3.3.
[gedaagde] voert verweer tegen de vordering van Menzis. Volgens haar is er een betalingsregeling getroffen in april 2022 en mocht ze het verschuldigde bedrag aan verplicht eigen risico in termijnen van € 63,95 betalen. Dit laatstgenoemde bedrag heeft [gedaagde] in vier keer betaald. [gedaagde] voert daarnaast nog aan dat er door Menzis een hoger bedrag aan premie wordt geïncasseerd dan wat zij zou zijn verschuldigd, nu zij een basisverzekering heeft van € 141,60. Er wordt echter elke maand te veel premie, namelijk € 154,60, van haar bankrekening afgeschreven.
3.4.
Op de (overige) stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
Beoordeling
4.1.
Aan de orde is of [gedaagde] moet worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 457,62 aan eigen risico vermeerderd met rente en kosten.
4.2.
In reactie op het verweer van [gedaagde] heeft Menzis bij repliek het volgende naar voren gebracht. Anders dan [gedaagde] stelt, is er geen betalingsregeling met haar getroffen. Dit is door GGN ook aan [gedaagde] medegedeeld zoals volgt uit de brief van 20 juni 2022. Als er wel sprake zou zijn geweest van een betalingsregeling, zou de betalingsregeling wel schriftelijk zijn bevestigd aan [gedaagde] . Het is juist dat er viermaal een bedrag van € 63,95 door [gedaagde] is betaald, maar deze betalingen van in totaal € 255,80 aan Menzis zijn bij dagvaarding reeds op de vordering in mindering gebracht.
4.3.
[gedaagde] heeft bij conclusie van dupliek nogmaals aangevoerd dat er in april 2022 wel degelijk een betalingsregeling is getroffen. [gedaagde] heeft conform de regeling betaald, maar die betaalde bedragen worden nu in deze procedure ten onrechte (opnieuw) door Menzis gevorderd.
4.4.
De kantonrechter overweegt als volgt. Menzis stelt dat [gedaagde] een bedrag van (thans) € 457,62 onbetaald heeft gelaten. Dat, zoals [gedaagde] stelt, partijen een betalingsregeling zijn overeengekomen, is door Menzis betwist en door [gedaagde] niet onderbouwd. De kantonrechter zal hier daarom aan voorbij gaan. [gedaagde] heeft verder gesteld dat reeds door haar betaalde bedragen in deze procedure opnieuw worden gevorderd. Uit de specificatie van de vordering bij dagvaarding volgt echter dat die betaalde bedragen (van in totaal € 255,80) reeds in mindering zijn gebracht.
4.5.
Voor zover [gedaagde] nog heeft aangevoerd dat er maandelijks te veel premie wordt geïncasseerd, geldt dat Menzis onweersproken heeft gesteld dat [gedaagde] is aangemeld bij het CAK, als gevolg waarvan de door [gedaagde] te betalen premie met een bestuursrechtelijke boete is verhoogd. Niet gesteld of gebleken is dat [gedaagde] het thans gevorderde bedrag aan verplicht eigen risico op andere wijze heeft betaald.
4.6.
Menzis vordert een bedrag van € 66,71 (inclusief btw) aan buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is. Menzis heeft een zogenoemde veertiendagenbrief d.d. 12 september 2022 gestuurd die aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW voldoet. Menzis heeft daarmee voldoende aangetoond dat er door haar buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is lager dan het in het Besluit bepaalde tarief. De vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is daarmee toewijsbaar.
4.7.
Gelet op wat hiervoor is overwogen zal een bedrag van € 457,62 worden toegewezen. Nu [gedaagde] dit bedrag ten onrechte onbetaald heeft gelaten, is zij de gevorderde wettelijke rente daarover eveneens verschuldigd geworden.
4.8.
[gedaagde] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld. Deze kosten worden aan de zijde van Menzis als volgt begroot:
- kosten dagvaarding € 129,74- griffierecht € 128,00- salaris gemachtigde € 160,00
totaal € 417,74
5
Dictum
De kantonrechter:
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan Menzis te betalen een bedrag van € 457,62 te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 9 november 2022 tot aan de dag van algehele voldoening,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van Menzis begroot op € 417,74,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.M.S. Kuipers en in het openbaar uitgesproken op 6 juni 2023. (TD)