Rechtspraak
Rechtbank Overijssel
2023-03-21
ECLI:NL:RBOVE:2023:1438
Civiel recht; Personen- en familierecht
Beschikking
7,600 tokens
Inleiding
RECHTBANK OVERIJSSEL
locatie Almelo
team familie- en jeugdrecht
zaaknummer: C/08/289258 / FA RK 22-2984
beschikking op grond van de informele rechtsingang van de minderjarige ex
artikel 1:377g jo 1:377a van het Burgerlijk Wetboek (BW) van 21 maart 2023
inzake
[verzoeker]
,
verder te noemen: [verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker,
en
Stichting Jeugdbescherming Overijssel,
de gecertificeerde instelling,
verder te noemen: de voogdijinstelling,
gevestigd te Hengelo (O),
belanghebbende.
De kinderrechter merkt als informanten aan:
[A]
,
verder te noemen: de vader, en
[B]
,
verder te noemen: de moeder,
beiden wonende te [woonplaats] ,
gezamenlijk te noemen: de ouders.
1Het verdere procesverloop
1.1.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft op 9 februari 2023 een tussenbeschikking gegeven in deze zaak, waarbij iedere beslissing is aangehouden.
1.2.
De voortgezette mondelinge behandeling van de zaak heeft met gesloten deuren
op 21 maart 2023 plaatsgevonden. Verschenen en gehoord zijn [verzoeker] , de ouders,
[C] namens de voogdijinstelling en [D] namens de raad voor de kinderbescherming, hierna de raad.
Aan [E] , vertrouwenspersoon van AKJ, en [F] en [G] , begeleiders van Ambiq, is bijzondere toegang verleend.
Feiten
Voor de feiten wordt verwezen naar genoemde beschikking van 9 februari 2023.
3De verdere beoordeling
Het verzoek
In de tussenbeschikking van 9 februari 2023 is het verzoek van [verzoeker] aangemerkt als een verzoek om weer bij zijn ouders te mogen wonen of in ieder geval daar vaker te mogen verblijven. De kinderrechter heeft de procedure aangemerkt als een “eigen rechtsingang minderjarige”, welke zijn basis vindt in artikel 1:377g Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW). Hierbij is bepaald dat artikel 1:377g BW van overeenkomstige toepassing is op verzoeken die gegrond zijn op artikel 1:253a BW.
Het verzoek van [verzoeker] is in de tussenbeschikking abusievelijk gebaseerd op artikel 1:377g BW in combinatie met artikel 1:253a BW. Ouders zijn na de beslissing tot hun gezagsbeëindiging niet meer belast met het ouderlijk gezag over [verzoeker] en daarom is in het onderhavige geval geen sprake van een situatie als bedoeld in artikel 1:253a BW. Het verzoek van [verzoeker] moet begrepen en gelezen worden als een verzoek om volledig family life met zijn ouders te hebben. Het is een verzoek als bedoeld in artikel 1:377g BW in combinatie met artikel 1:377a BW.
De standpunten
[verzoeker] is nog steeds duidelijk in zijn mening. Hij wil graag ruim voor zijn achttiende verjaardag, net als zijn jongere broer die wel eerder door de voogdes is teruggeplaatst, het volledige familieleven met zijn ouders ervaren. Hij ziet zijn ouders nu de ene week alleen op zondag en de andere week een heel weekend. De overige dagen verblijft hij op een woongroep van Ambiq, waar de GI hem heeft geplaatst. Het verblijven bij zijn ouders om de week ervaart hij als erg fijn. Hij is het er dan ook niet mee eens dat er na de vorige zitting nog steeds niet, althans niet sneller is toegewerkt naar een volledige thuisplaatsing. [verzoeker] is vastberaden om zijn voogdes te laten zien dat hij thuis kan wonen en dat hij zich aan de regels van zijn ouders kan houden. [verzoeker] vindt dat het nog steeds goed met hem gaat. Hij doet het goed op school, hij voetbalt bij een club en speelt competitie, heeft een bijbaan en hij heeft zich inmiddels ingeschreven voor een ROC opleiding in het komende schooljaar. [verzoeker] is het vertrouwen in zijn voogdes helemaal kwijt en vreest dat hij als het aan haar ligt voor zijn 18e verjaardag nooit meer thuis zal mogen wonen.
De ouders staan achter het verzoek van [verzoeker] en zouden graag zien dat hun zoon weer thuis komt wonen. Zij zijn van mening dat zij goed voor hun zoon kunnen zorgen en hem ook durven aan te spreken als er iets niet helemaal goed zou gaan indien dat nodig is. Kennelijk hebben zij niet overwogen om een verzoek tot herstel van hun gezag over [verzoeker] in te dienen bij de rechtbank.
De GI is als voogdijinstelling van mening dat het nu nog te vroeg is om [verzoeker] weer thuis te laten wonen. Volgens mevrouw [C] is er tussen 9 februari 2023 en de mondelinge behandeling op 21 maart 2023 sprake geweest van meerdere incidenten op een aantal momenten. [verzoeker] is een keer weggelopen, althans niet volgens afspraak op tijd teruggekomen op de groep, hij heeft zich niet aan enkele afspraken met de groep gehouden en er hebben zich incidenten voorgedaan op en rondom school. Na de vorige zitting heeft zij een overleg gehad met [verzoeker] , zijn ouders en de hulpverlening. Hier is gesproken over zeer intensieve begeleiding thuis en is een opbouwschema opgesteld om [verzoeker] gefaseerd naar huis te laten gaan. De voogdes is van mening dat het opbouwschema gevolgd moet worden en dat [verzoeker] op dit moment nog niet volledig terug naar huis kan. De GI heeft tijdens de mondelinge behandeling op 21 maart 2023 niet gezegd wanneer het opbouwschema afgerond zou kunnen zijn.
Beoordeling
De rechter kan, nu blijkt dat [verzoeker] daar prijs op stelt en hij ouder is dan twaalf jaar, ambtshalve een beslissing geven gebaseerd op artikel 1:377a BW. Artikel 1:377a BW bepaalt dat [verzoeker] recht heeft op omgang met zijn ouders en met degenen die in nauwe persoonlijke betrekking staan tot hem. De niet met het gezag belaste ouders, zoals in dit geval de ouders van [verzoeker] , hebben recht op en de verplichting tot omgang met [verzoeker] . De rechter kan op verzoek van [verzoeker] , al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vaststellen.
[verzoeker] wil niets liever dan in de laatste periode van zijn minderjarigheid weer het familieleven bij zijn ouders thuis ervaren. Zijn jongere broertje is al eerder weer thuis komen wonen en dat maakt dat [verzoeker] er ook al geruime tijd naar uitkijkt om bij zijn ouders te mogen wonen en vandaaruit naar school te gaan en zijn vrijetijd in te vullen. Hij mist het familieleven. Tot op heden is de GI echter niet overgegaan tot thuisplaatsing. [verzoeker] vindt dat zijn voogdes dit op onterechte gronden tegenhoudt. De GI vindt op dit moment nog steeds dat er nu nog niet over kan worden gegaan tot een thuisplaatsing omdat [verzoeker] is weggelopen van de groep, zich niet aan afspraken heeft gehouden en omdat er incidenten zijn geweest op en rondom school. Volgens haar is het voorlopig nog het beste als [verzoeker] ’s verblijf bij Ambiq wordt voortgezet. Het door de voogdes in samenspraak met [verzoeker] en ouders opgestelde opbouwschema om steeds vaker bij zijn ouders te verblijven moet eerst worden doorlopen om vervolgens tijdens een evaluatie vast te stellen hoe de opbouw naar meer contacten met zijn ouders is verlopen. Pas dan wil de GI beslissen of [verzoeker] al of niet op korte termijn weer thuis bij zijn ouders kan gaan wonen.
Het door de GI voorgestelde pad maakt [verzoeker] moedeloos; hij heeft er geen vertrouwen in dat het voor hem goed zal komen als alleen de voogdes het voor het zeggen blijft houden. Zijn kleine beetje hoop is nog gevestigd op de rechter. Samen met de vertrouwenspersoon van het AKJ heeft hij daarom zijn brief geschreven en zijn verzoek gedaan. Tijdens de mondelinge behandeling op 21 maart 2023 maakte [verzoeker] een terneergeslagen indruk.
De kinderrechter is tijdens de beide mondelinge behandelingen opgevallen dat door de jeugdbeschermster van de GI vooral de – relatief kleine - negatieve dingen / handelingen van [verzoeker] worden benoemd en benadrukt, die voor haar de reden zijn om nu nog niet mee te gaan in de wens van [verzoeker] . Zij is daarbij wat negatiever over [verzoeker] dan zijn begeleiders van Ambiq die bij de beide mondelinge behandelingen aanwezig zijn geweest. Die zien een jongen die het in beginsel goed doet op de groep, wel eens wat steekjes laat vallen, maar dat is, mede gelet op zijn leeftijd (16) volgens hen niet zorgwekkend. Een door de jeugdzorgwerkster genoemd punt als weglopen, zien zij in een andere context. Er was een misverstand over het tijdstip waarop [verzoeker] terug zou moeten zijn. Toen hij daar door een begeleider via de mobiele telefoon op werd aangesproken was hij nagenoeg direct weer terug op de groep. De begeleiders denken nog steeds dat [verzoeker] met specifieke ambulante begeleiding door Ambiq goed volledig thuis kan wonen. Samengevat zien zij ook wel dat [verzoeker] soms steken laat vallen, maar deze staan niet in verhouding tot de positieve ontwikkeling die [verzoeker] de afgelopen tijd heeft doorgemaakt. Voor het overige onthouden beide begeleiders zich formeel van een advies over de in deze zaak te nemen beslissing. De kinderrechter interpreteert hun standpunt desondanks aldus dat zij het prima zouden vinden als [verzoeker] nu al naar huis zou gaan, daar begeleiding van Ambiq zou krijgen en dat dan maar bezien moet worden hoe dat loopt. Zij gunnen hem het nog enige tijd met en bij zijn ouders wonen.
[verzoeker] is al vele jaren uithuisgeplaatst. Lang woonde hij in een pleeggezin waar hij recentelijk weg moest na een incident dat –als de kinderrechter het goed heeft begrepen- met bezit van verboden vuurwerk te maken had. Daarna is hij door de GI naar de groep van Ambiq overgeplaatst. Met een zoon uit het pleeggezin heeft hij nog steeds goed contact en hij voetbalt nog steeds bij de club in de plaats waar het pleeggezin woont. In die plaats heeft hij lang een bijbaan in een horecagelegenheid gehad. Kennelijk werd hij daar als een betrouwbare kracht gezien. In het gesprek met [verzoeker] en tijdens de beide mondelinge behandelingen komt bij de kinderrechter het beeld op van een jongen die jammer genoeg, omdat zijn ouders al weer wat langer geleden niet voor hem en een jonger broertje konden zorgen, na gezagsbeëindiging de band met zijn ouders en de rest van het gezin van herkomst grotendeels heeft verloren. Hij heeft het tijdens de uithuisplaatsing relatief goed gedaan en hij heeft zich, zoals het er nu uitziet, redelijk goed ontwikkeld. Gaat naar school, heeft al jarenlang een bijbaan, doet aan een teamsport en heeft zich ingeschreven voor een vervolgopleiding. De kinderrechter ziet ook een jeugdzorgwerkster die al jarenlang bij [verzoeker] is betrokken en die ongetwijfeld het beste met hem voor heeft. Nog niet zo lang geleden was het kennelijk haar bedoeling en ook die van [verzoeker] om toe te werken naar begeleide kamerbewoning in de laatste fase van zijn minderjarigheid en daar zou hij dan ook na zijn 18e kunnen blijven. Op enig moment, nog niet zo lang geleden, is [verzoeker] daar anders over gaan denken en is bij hem de wens ontstaan om terug te gaan naar zijn gezin van herkomst. Dat vindt de kinderrechter goed te begrijpen. Daarbij wil hij in het midden laten of wellicht die kamerbewoning niet verstandiger en beter voor de toekomst van [verzoeker] zou zijn geweest. Voor een kamertraject is echter wel de volledige medewerking van [verzoeker] nodig en als die er niet (meer) is dan wordt dat een ietwat heilloze en ieder geval kostbare weg zonder kans op succes.
Het is goed dat [verzoeker] samen met zijn vertrouwenspersoon van het AKJ zijn situatie aan de kinderrechter heeft voorgelegd en om een beslissing van de rechter heeft gevraagd. Voogdij na gezagsbeëindiging is een gebied waarop de rechter niet zo vaak wordt gevraagd een beslissing te nemen over omgang of woonplek. De voogdes bepaalt die omgang en die woonplek. Slechts als sprake is van een voorgenomen plaatsing in een instelling voor gesloten jeugdzorg wordt het oordeel van de kinderrechter gevraagd. [verzoeker] staat onder voogdij. Formeel kan de kinderrechter op het verzoek van [verzoeker] niet beslissen dat de uithuisplaatsing bij Ambiq moet eindigen. De bevoegdheid daartoe ligt bij de voogdes. Die gaat dat, zoals hiervoor al een paar keer genoemd, echter niet doen. Althans nu nog niet en onzeker is of en wanneer dat ooit nog gaat gebeuren. Zou sprake zijn geweest van ondertoezichtstelling en van een verzoek van de GI tot het verlenen van een machtiging om [verzoeker] uit huis te plaatsen of een verzoek van ouders of [verzoeker] om een machtiging tot uithuisplaatsing te beëindigen of te bekorten, dan zou de kinderrechter in de omstandigheden zoals deze nu zijn zo’n verzoek van de GI hebben afgewezen of hebben aangehouden om te kijken of het in de thuissituatie met ambulante hulpverlening toch nog wel zou kunnen. Een verzoek van ouders of [verzoeker] om de uithuisplaatsing bij Ambiq te beëindigen zou hij hebben toegewezen. Maar, als gezegd, het gaat om voogdij en niet om ondertoezichtstelling en dus zal de kinderrechter om het beoogde resultaat te bereiken op het verzoek ex artikel 1:377g en 1:377a BW beslissen zoals hieronder vermeld.
Het door de kinderrechter in het spoor van [verzoeker] beoogde resultaat is dat [verzoeker] op het hierna te noemen moment volledige omgang met zijn ouders en de rest van het gezin van herkomst zal hebben.
Dictum
De kinderrechter:
bepaalt inzake het recht van [verzoeker] op omgang en contact met zijn ouders en overige familieleden dat hij ‘24/7’ volledig family life met zijn ouders en die familieleden heeft vanaf 28 april 2023;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
verstaat dat de plaatsing van [verzoeker] bij Ambiq in het kader van voogdij eindigt per 28 april 2023.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.H. Olthof, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 21 maart 2023 in tegenwoordigheid van mr. T. Slaghuis, griffier. De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 17 april 2023.
:
Inleiding
RECHTBANK OVERIJSSEL
locatie Almelo
team familie- en jeugdrecht
zaaknummer: C/08/289258 / FA RK 22-2984
beschikking op grond van de informele rechtsingang van de minderjarige ex
artikel 1:377g jo 1:377a van het Burgerlijk Wetboek (BW) van 21 maart 2023
inzake
[verzoeker]
,
verder te noemen: [verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker,
en
Stichting Jeugdbescherming Overijssel,
de gecertificeerde instelling,
verder te noemen: de voogdijinstelling,
gevestigd te Hengelo (O),
belanghebbende.
De kinderrechter merkt als informanten aan:
[A]
,
verder te noemen: de vader, en
[B]
,
verder te noemen: de moeder,
beiden wonende te [woonplaats] ,
gezamenlijk te noemen: de ouders.
1Het verdere procesverloop
1.1.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft op 9 februari 2023 een tussenbeschikking gegeven in deze zaak, waarbij iedere beslissing is aangehouden.
1.2.
De voortgezette mondelinge behandeling van de zaak heeft met gesloten deuren
op 21 maart 2023 plaatsgevonden. Verschenen en gehoord zijn [verzoeker] , de ouders,
[C] namens de voogdijinstelling en [D] namens de raad voor de kinderbescherming, hierna de raad.
Aan [E] , vertrouwenspersoon van AKJ, en [F] en [G] , begeleiders van Ambiq, is bijzondere toegang verleend.
Feiten
Voor de feiten wordt verwezen naar genoemde beschikking van 9 februari 2023.
3De verdere beoordeling
Het verzoek
In de tussenbeschikking van 9 februari 2023 is het verzoek van [verzoeker] aangemerkt als een verzoek om weer bij zijn ouders te mogen wonen of in ieder geval daar vaker te mogen verblijven. De kinderrechter heeft de procedure aangemerkt als een “eigen rechtsingang minderjarige”, welke zijn basis vindt in artikel 1:377g Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW). Hierbij is bepaald dat artikel 1:377g BW van overeenkomstige toepassing is op verzoeken die gegrond zijn op artikel 1:253a BW.
Het verzoek van [verzoeker] is in de tussenbeschikking abusievelijk gebaseerd op artikel 1:377g BW in combinatie met artikel 1:253a BW. Ouders zijn na de beslissing tot hun gezagsbeëindiging niet meer belast met het ouderlijk gezag over [verzoeker] en daarom is in het onderhavige geval geen sprake van een situatie als bedoeld in artikel 1:253a BW. Het verzoek van [verzoeker] moet begrepen en gelezen worden als een verzoek om volledig family life met zijn ouders te hebben. Het is een verzoek als bedoeld in artikel 1:377g BW in combinatie met artikel 1:377a BW.
De standpunten
[verzoeker] is nog steeds duidelijk in zijn mening. Hij wil graag ruim voor zijn achttiende verjaardag, net als zijn jongere broer die wel eerder door de voogdes is teruggeplaatst, het volledige familieleven met zijn ouders ervaren. Hij ziet zijn ouders nu de ene week alleen op zondag en de andere week een heel weekend. De overige dagen verblijft hij op een woongroep van Ambiq, waar de GI hem heeft geplaatst. Het verblijven bij zijn ouders om de week ervaart hij als erg fijn. Hij is het er dan ook niet mee eens dat er na de vorige zitting nog steeds niet, althans niet sneller is toegewerkt naar een volledige thuisplaatsing. [verzoeker] is vastberaden om zijn voogdes te laten zien dat hij thuis kan wonen en dat hij zich aan de regels van zijn ouders kan houden. [verzoeker] vindt dat het nog steeds goed met hem gaat. Hij doet het goed op school, hij voetbalt bij een club en speelt competitie, heeft een bijbaan en hij heeft zich inmiddels ingeschreven voor een ROC opleiding in het komende schooljaar. [verzoeker] is het vertrouwen in zijn voogdes helemaal kwijt en vreest dat hij als het aan haar ligt voor zijn 18e verjaardag nooit meer thuis zal mogen wonen.
De ouders staan achter het verzoek van [verzoeker] en zouden graag zien dat hun zoon weer thuis komt wonen. Zij zijn van mening dat zij goed voor hun zoon kunnen zorgen en hem ook durven aan te spreken als er iets niet helemaal goed zou gaan indien dat nodig is. Kennelijk hebben zij niet overwogen om een verzoek tot herstel van hun gezag over [verzoeker] in te dienen bij de rechtbank.
De GI is als voogdijinstelling van mening dat het nu nog te vroeg is om [verzoeker] weer thuis te laten wonen. Volgens mevrouw [C] is er tussen 9 februari 2023 en de mondelinge behandeling op 21 maart 2023 sprake geweest van meerdere incidenten op een aantal momenten. [verzoeker] is een keer weggelopen, althans niet volgens afspraak op tijd teruggekomen op de groep, hij heeft zich niet aan enkele afspraken met de groep gehouden en er hebben zich incidenten voorgedaan op en rondom school. Na de vorige zitting heeft zij een overleg gehad met [verzoeker] , zijn ouders en de hulpverlening. Hier is gesproken over zeer intensieve begeleiding thuis en is een opbouwschema opgesteld om [verzoeker] gefaseerd naar huis te laten gaan. De voogdes is van mening dat het opbouwschema gevolgd moet worden en dat [verzoeker] op dit moment nog niet volledig terug naar huis kan. De GI heeft tijdens de mondelinge behandeling op 21 maart 2023 niet gezegd wanneer het opbouwschema afgerond zou kunnen zijn.
Beoordeling
De rechter kan, nu blijkt dat [verzoeker] daar prijs op stelt en hij ouder is dan twaalf jaar, ambtshalve een beslissing geven gebaseerd op artikel 1:377a BW. Artikel 1:377a BW bepaalt dat [verzoeker] recht heeft op omgang met zijn ouders en met degenen die in nauwe persoonlijke betrekking staan tot hem. De niet met het gezag belaste ouders, zoals in dit geval de ouders van [verzoeker] , hebben recht op en de verplichting tot omgang met [verzoeker] . De rechter kan op verzoek van [verzoeker] , al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vaststellen.
[verzoeker] wil niets liever dan in de laatste periode van zijn minderjarigheid weer het familieleven bij zijn ouders thuis ervaren. Zijn jongere broertje is al eerder weer thuis komen wonen en dat maakt dat [verzoeker] er ook al geruime tijd naar uitkijkt om bij zijn ouders te mogen wonen en vandaaruit naar school te gaan en zijn vrijetijd in te vullen. Hij mist het familieleven. Tot op heden is de GI echter niet overgegaan tot thuisplaatsing. [verzoeker] vindt dat zijn voogdes dit op onterechte gronden tegenhoudt. De GI vindt op dit moment nog steeds dat er nu nog niet over kan worden gegaan tot een thuisplaatsing omdat [verzoeker] is weggelopen van de groep, zich niet aan afspraken heeft gehouden en omdat er incidenten zijn geweest op en rondom school. Volgens haar is het voorlopig nog het beste als [verzoeker] ’s verblijf bij Ambiq wordt voortgezet. Het door de voogdes in samenspraak met [verzoeker] en ouders opgestelde opbouwschema om steeds vaker bij zijn ouders te verblijven moet eerst worden doorlopen om vervolgens tijdens een evaluatie vast te stellen hoe de opbouw naar meer contacten met zijn ouders is verlopen. Pas dan wil de GI beslissen of [verzoeker] al of niet op korte termijn weer thuis bij zijn ouders kan gaan wonen.
Het door de GI voorgestelde pad maakt [verzoeker] moedeloos; hij heeft er geen vertrouwen in dat het voor hem goed zal komen als alleen de voogdes het voor het zeggen blijft houden. Zijn kleine beetje hoop is nog gevestigd op de rechter. Samen met de vertrouwenspersoon van het AKJ heeft hij daarom zijn brief geschreven en zijn verzoek gedaan. Tijdens de mondelinge behandeling op 21 maart 2023 maakte [verzoeker] een terneergeslagen indruk.
De kinderrechter is tijdens de beide mondelinge behandelingen opgevallen dat door de jeugdbeschermster van de GI vooral de – relatief kleine - negatieve dingen / handelingen van [verzoeker] worden benoemd en benadrukt, die voor haar de reden zijn om nu nog niet mee te gaan in de wens van [verzoeker] . Zij is daarbij wat negatiever over [verzoeker] dan zijn begeleiders van Ambiq die bij de beide mondelinge behandelingen aanwezig zijn geweest. Die zien een jongen die het in beginsel goed doet op de groep, wel eens wat steekjes laat vallen, maar dat is, mede gelet op zijn leeftijd (16) volgens hen niet zorgwekkend. Een door de jeugdzorgwerkster genoemd punt als weglopen, zien zij in een andere context. Er was een misverstand over het tijdstip waarop [verzoeker] terug zou moeten zijn. Toen hij daar door een begeleider via de mobiele telefoon op werd aangesproken was hij nagenoeg direct weer terug op de groep. De begeleiders denken nog steeds dat [verzoeker] met specifieke ambulante begeleiding door Ambiq goed volledig thuis kan wonen. Samengevat zien zij ook wel dat [verzoeker] soms steken laat vallen, maar deze staan niet in verhouding tot de positieve ontwikkeling die [verzoeker] de afgelopen tijd heeft doorgemaakt. Voor het overige onthouden beide begeleiders zich formeel van een advies over de in deze zaak te nemen beslissing. De kinderrechter interpreteert hun standpunt desondanks aldus dat zij het prima zouden vinden als [verzoeker] nu al naar huis zou gaan, daar begeleiding van Ambiq zou krijgen en dat dan maar bezien moet worden hoe dat loopt. Zij gunnen hem het nog enige tijd met en bij zijn ouders wonen.
[verzoeker] is al vele jaren uithuisgeplaatst. Lang woonde hij in een pleeggezin waar hij recentelijk weg moest na een incident dat –als de kinderrechter het goed heeft begrepen- met bezit van verboden vuurwerk te maken had. Daarna is hij door de GI naar de groep van Ambiq overgeplaatst. Met een zoon uit het pleeggezin heeft hij nog steeds goed contact en hij voetbalt nog steeds bij de club in de plaats waar het pleeggezin woont. In die plaats heeft hij lang een bijbaan in een horecagelegenheid gehad. Kennelijk werd hij daar als een betrouwbare kracht gezien. In het gesprek met [verzoeker] en tijdens de beide mondelinge behandelingen komt bij de kinderrechter het beeld op van een jongen die jammer genoeg, omdat zijn ouders al weer wat langer geleden niet voor hem en een jonger broertje konden zorgen, na gezagsbeëindiging de band met zijn ouders en de rest van het gezin van herkomst grotendeels heeft verloren. Hij heeft het tijdens de uithuisplaatsing relatief goed gedaan en hij heeft zich, zoals het er nu uitziet, redelijk goed ontwikkeld. Gaat naar school, heeft al jarenlang een bijbaan, doet aan een teamsport en heeft zich ingeschreven voor een vervolgopleiding. De kinderrechter ziet ook een jeugdzorgwerkster die al jarenlang bij [verzoeker] is betrokken en die ongetwijfeld het beste met hem voor heeft. Nog niet zo lang geleden was het kennelijk haar bedoeling en ook die van [verzoeker] om toe te werken naar begeleide kamerbewoning in de laatste fase van zijn minderjarigheid en daar zou hij dan ook na zijn 18e kunnen blijven. Op enig moment, nog niet zo lang geleden, is [verzoeker] daar anders over gaan denken en is bij hem de wens ontstaan om terug te gaan naar zijn gezin van herkomst. Dat vindt de kinderrechter goed te begrijpen. Daarbij wil hij in het midden laten of wellicht die kamerbewoning niet verstandiger en beter voor de toekomst van [verzoeker] zou zijn geweest. Voor een kamertraject is echter wel de volledige medewerking van [verzoeker] nodig en als die er niet (meer) is dan wordt dat een ietwat heilloze en ieder geval kostbare weg zonder kans op succes.
Het is goed dat [verzoeker] samen met zijn vertrouwenspersoon van het AKJ zijn situatie aan de kinderrechter heeft voorgelegd en om een beslissing van de rechter heeft gevraagd. Voogdij na gezagsbeëindiging is een gebied waarop de rechter niet zo vaak wordt gevraagd een beslissing te nemen over omgang of woonplek. De voogdes bepaalt die omgang en die woonplek. Slechts als sprake is van een voorgenomen plaatsing in een instelling voor gesloten jeugdzorg wordt het oordeel van de kinderrechter gevraagd. [verzoeker] staat onder voogdij. Formeel kan de kinderrechter op het verzoek van [verzoeker] niet beslissen dat de uithuisplaatsing bij Ambiq moet eindigen. De bevoegdheid daartoe ligt bij de voogdes. Die gaat dat, zoals hiervoor al een paar keer genoemd, echter niet doen. Althans nu nog niet en onzeker is of en wanneer dat ooit nog gaat gebeuren. Zou sprake zijn geweest van ondertoezichtstelling en van een verzoek van de GI tot het verlenen van een machtiging om [verzoeker] uit huis te plaatsen of een verzoek van ouders of [verzoeker] om een machtiging tot uithuisplaatsing te beëindigen of te bekorten, dan zou de kinderrechter in de omstandigheden zoals deze nu zijn zo’n verzoek van de GI hebben afgewezen of hebben aangehouden om te kijken of het in de thuissituatie met ambulante hulpverlening toch nog wel zou kunnen. Een verzoek van ouders of [verzoeker] om de uithuisplaatsing bij Ambiq te beëindigen zou hij hebben toegewezen. Maar, als gezegd, het gaat om voogdij en niet om ondertoezichtstelling en dus zal de kinderrechter om het beoogde resultaat te bereiken op het verzoek ex artikel 1:377g en 1:377a BW beslissen zoals hieronder vermeld.
Het door de kinderrechter in het spoor van [verzoeker] beoogde resultaat is dat [verzoeker] op het hierna te noemen moment volledige omgang met zijn ouders en de rest van het gezin van herkomst zal hebben.
Dictum
De kinderrechter:
bepaalt inzake het recht van [verzoeker] op omgang en contact met zijn ouders en overige familieleden dat hij ‘24/7’ volledig family life met zijn ouders en die familieleden heeft vanaf 28 april 2023;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
verstaat dat de plaatsing van [verzoeker] bij Ambiq in het kader van voogdij eindigt per 28 april 2023.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.H. Olthof, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 21 maart 2023 in tegenwoordigheid van mr. T. Slaghuis, griffier. De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 17 april 2023.
: