Rechtspraak
Rechtbank Overijssel
2022-05-11
ECLI:NL:RBOVE:2022:2179
Strafrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,793 tokens
Inleiding
proces-verbaal
tevens aantekening mondelinge beslissing wahv
RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht - zittingsplaats Enschede
Zaaknummer : 9760807 WM VERZ 22-68
CJIB-nummer : [CJIB-nummer]
In de Mulder beroepszaak met het hierboven genoemde zaaknummer heeft
[betrokkene] B.V.
gevestigdaan [adres]
gemachtigde: mr. M. Lagas, verbonden aan Appjection BV
hierna te noemen: betrokkene,
een beroepschrift ingediend. Op de openbare zitting van 11 mei 2022 heeft mr. M. Melaard kantonrechter, mr. J. Meerdink namens de officier van justitie gehoord.
Betrokkene en de gemachtigde zijn niet verschenen.
Het volgende is ter zitting voorgevallen, besproken en door de kantonrechter overwogen.
In administratief beroep is betrokkene in het gelijk gesteld. Het geschil beperkt zich thans tot de hoogte van de verschuldigde proceskostenvergoeding. De gemachtigde voert in dat kader aan dat de officier van justitie de zaken ten onrechte als “samenhangend” heeft aangemerkt, nu sprake was van verschillende locaties, verschillende feitcodes en verschillende rechtsvragen. De gemachtigde is van mening dat de administratieve beroepen totaal niet identiek zijn aan elkaar zijn en er geen sprake is van gelijke werkzaamheden. De gemachtigde verzoekt om gegrondverklaring met daarnaast toekenning van kostenvergoeding met toepassing van de factor licht (0,5), zonder samenhang en wijst hierbij naar het arrest gepubliceerd onder nummer ECLI:NL:GHARL:2018:9133.
De kantonrechter overweegt als volgt. Aan betrokkene is een sanctie opgelegd van € 140,-- vermeerderd met € 9,-- administratiekosten, ter zake van een bij de WAHV omschreven gedraging die in strijd is met een op het verkeer betrekking hebbend voorschrift, te weten: “een weg gebruiken in strijd met eenrichtingsweg/geslotenverklaring op andere weg dan auto(snel)weg”, gepleegd op 27 juni 2020 in de gemeente Enschede.
De inleidende beschikking is in administratief beroep door de officier van justitie vernietigd, omdat er van de verbalisant desgevraagd onvolledige informatie beschikbaar kwam via een aanvullend proces-verbaal. Daarbij is een proceskostenvergoeding toegekend van € 200,25.
Geschil
De gemachtigde voert aan dat de officier van justitie ten onrechte artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) heeft toegepast. Dit heeft ertoe geleid dat voor het onderhavige geval, én voor 57 andere zaken waarin de oorspronkelijke beschikking is vernietigd, een vergoeding is toegekend van in totaal € 200,25 (zijnde: € 3,51 per zaak). De berekening daarvan is als volgt: 1 punt voor het bezwaarschrift, met toepassing van de wegingsfactor 0,25 (zeer lichte zaak) en de factor 1,5 (samenhangend met meer dan 4 andere zaken. Per punt wordt in administratief beroep een bedrag van € 200,25,- gerekend.
De gemachtigde meent dat de 57 zaken ten onrechte als samenhangend zijn aangemerkt.
Hij wenst in alle 57 zaken een vergoeding van € 534,-- per zaak te ontvangen, derhalve in totaal € 30.438,--. In elke zaak rekent de gemachtigde 1 punt voor het bezwaarschrift, 1 punt voor de telefonische hoorzitting met de wegingsfactor 0,5. De gemachtigde heeft in alle 57 zaken beroep ingesteld bij de bevoegde kantonrechter. Deze zaak is er één van.
De eerste vraag die voorligt is of de officier van justitie terecht artikel 3 van het Bpb heeft toegepast op deze zaak, in combinatie met de 57 andere genoemd in de bestreden beslissing. De kantonrechter beantwoordt deze vraag ontkennend.
Artikel 3 van het Bpb luidt als volgt:
Samenhangende zaken worden voor de toepassing van artikel 2, eerste lid, onder a, beschouwd als één zaak.
Samenhangende zaken zijn: door een of meer belanghebbenden gemaakte bezwaren of ingestelde beroepen, die door het bestuursorgaan of de bestuursrechter gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig zijn behandeld, waarin rechtsbijstand als bedoeld in artikel 1, onder a, is verleend door dezelfde persoon dan wel door een of meer personen die deel uitmaken van hetzelfde samenwerkingsverband en van wie de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn.
De gedachte achter deze regeling is dat bovenmatige vergoedingen worden tegengegaan die zouden kunnen ontstaan indien per zaak een vergoeding wordt berekend voor grotere aantallen vrijwel identieke zaken, waarbij de rechtsbijstandswerkzaamheden (en daarmee de kosten) betrekkelijk gering zijn, juist vanwege het repeterende karakter ervan.
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de werkzaamheden nagenoeg identiek zijn, want ze hebben steeds bestaan uit het indienen van een bezwaarschrift. De zaken zijn door de officier van justitie gelijktijdig behandeld en zijn alle ingediend door dezelfde rechtsbijstandsverlener (mr. Lagas van Appjection B.V.). Om die reden vallen deze zaken binnen het begrip “samenhangende zaken” als bedoeld in artikel 3, lid 2 Bpb, aldus de officier van justitie.
De kantonrechter volgt de officier van justitie niet in deze redenering. De uitleg van het begrip “werkzaamheden die in elk van de zaken (nagenoeg) identiek konden zijn”, betekent naar het oordeel van de kantonrechter dat het noodzakelijkerwijs ook moet gaan om inhoudelijk nagenoeg identieke zaken. De opvatting van de officier van justitie zou betekenen dat alle bezwaarschriften van professionele rechtsbijstandsverleners altijd naar goeddunken van de officier van justitie als samenhangend kunnen worden aangemerkt. Elk administratief beroep begint immers met een bezwaarschrift. Dat is een te ruime uitleg van het begrip “samenhangende werkzaamheden” in de zin van artikel 3, lid 2 van het Bpb. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft de regelgever in artikel 3 Bpb het oog gehad op werkzaamheden in inhoudelijk nagenoeg identieke zaken. Vastgesteld moet worden dat hiervan in deze 57 zaken geen sprake was. In het beroepschrift heeft de gemachtigde onweersproken aangegeven dat de andere zaken in kwestie, zowel qua feitcode, als plaats en/of datum van de overtreding, steeds verschillende feiten betreft, waarin de gronden voor het administratief beroep ook steeds anders zijn. Hoorzittingen hebben op verschillende momenten plaatsgevonden. De enige samenhang bestaat hieruit dat de beslissing door de officier van justitie in alle zaken is genomen op dezelfde datum en dat de gemachtigde steeds is mr. mr. Lagas van Appjection B.V. Zoals hiervoor overwogen is dat niet voldoende om deze zaak met de 57 andere zaken als samenhangend in de zin van artikel 3, lid 2 van het Bpb aan te merken.
De tweede vraag die voorligt is of verweerder terecht voor de telefonische hoorzitting een half punt heeft toegekend in plaats van een heel punt voor het verschijnen op een hoorzitting, zoals opgenomen in de bijlage bij het Bpb.
De kantonrechter stelt vast dat de bijlage bij het Bpb voor het “verschijnen op een hoorzitting” 1 punt wordt toegekend. De kantonrechter leidt daaruit af dat deze vergoeding is bedoeld voor het fysiek verschijnen op een hoorzitting. Het Bpb voorziet niet in een forfaitaire vergoeding voor telefonisch horen. Omdat met telefonisch horen in de regel minder kosten gepaard gaan én de forfaitaire vergoeding beoogt voor die kosten een tegemoetkoming te bieden, acht de kantonrechter het passend om in de lacune van de bijlage bij het Besluit te voorzien door hiervoor 0,5 punt toe te kennen. De kantonrechter vindt hiervoor ook steun in het Bpb, nu de bijlage voor het verstrekken van schriftelijke inlichtingen (waar evenmin sprake is van een fysiek verschijnen) voorziet in de toekenning van een 0,5 punt. Omdat de kantonrechter voorziet in een lacune in de bijlage van het besluit, is het niet nodig gebruik te maken van de afwijkingsbevoegdheid van artikel 2, derde lid van het Bpb.
Uit het vorenstaande volgt dat het beroep gegrond is. Betrokkene heeft op grond van het Bpb recht op vergoeding van een bedrag van € 774,50. De berekening luidt aldus: 1 punt (voor het administratief beroepschrift) en 0,5 punt (voor de telefonische hoorzitting) met een wegingsfactor van 0,25 en een waarde per punt van € 534,-- = € 200,25 + 1 punt (voor het beroepschrift in de kantonfase) met een wegingsfactor van 0,5 en een waarde per punt van € 748,-- = € 374,--
De kantonrechter ziet, anders dan de gemachtigde, geen aanleiding in de kantonfase een hogere vergoeding dat gebruikelijk vast te stellen onder toepassing van artikel 2, derde lid van het Bpb. Niet gezegd kan worden dat de officier van justitie van meet af aan willens en wetens een op voorhand onverdedigbaar standpunt heeft ingenomen. Dat kantonrechters in den lande op dit punt verschillend oordelen, duidt hier al op. Tegenover het extra werk dat hieruit voor de gemachtigde is voortgevloeid staat de kostenveroordeling in de kantonfase in deze zaak, én naar mag worden aangenomen in de 57 andere zaken. De werkzaamheden in die kantonzaken waren overigens inhoudelijk wel nagenoeg identiek, maar omdat niet één bestuursrechter deze zaken gelijktijdig heeft beoordeeld, kunnen ook deze zaken niet als samenhangende zaken in de zin van artikel 3, lid 2 Bpb worden aangemerkt.
De kostenveroordeling dient nog verrekend te worden met het bedrag dat mogelijk in deze zaak al aan de gemachtigde is uitbetaald.
Dictum
De kantonrechter:
- verklaart het beroep gegrond;
- veroordeelt de officier van justitie tot betaling van een proceskostenvergoeding in deze zaak begroot op € 774, 50;
- verstaat dat verrekening dient plaats te vinden met het mogelijk in deze zaak reeds in een eerder stadium uitgekeerde bedrag aan proceskostenvergoeding.
Aldus gegeven te Enschede door mr. M. Melaard, kantonrechter, en in tegenwoordigheid van S.T. Bertelink, griffier, uitgesproken ter openbare zitting van 11 mei 2022.
Bent u het met de beslissing op uw beroep niet eens, dan kunt u binnen zes weken na de hieronder vermelde datum van toezending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem - Leeuwarden, maar alleen indien:
a. de bij deze beslissing opgelegde administratieve sanctie meer dan € 70,00 bedraagt, of
b. het beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat de zekerheid niet (tijdig) is gesteld.
Het beroepschrift moet worden ingediend bij de rechtbank Overijssel afdeling straf/kanton/Wahv, locatie Enschede, Postbus 323 7600 AH Almelo, en dient door degene die beroep heeft ingesteld of door zijn gemachtigde te zijn ondertekend. De procedure bij het gerechtshof in Leeuwarden verloopt geheel schriftelijk, tenzij in het beroepschrift uitdrukkelijk om een zitting wordt gevraagd waarop u uw standpunt mondeling wilt toelichten.
Datum verzending: