Rechtspraak
Rechtbank Overijssel
2022-07-21
ECLI:NL:RBOVE:2022:2126
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,702 tokens
Inleiding
RECHTBANK OVERIJSSEL
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 22/904
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , uit [woonplaats] , eiseres,
(gemachtigde: mr. C.C.M. Peper),
en
Belastingdienst/Toeslagen, verweerder.
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres op 31 mei 2022 heeft ingesteld omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar verzoek van 24 maart 2021 met betrekking tot de kinderopvangtoeslag.
Verweerder heeft op 22 juni 2022 een verweerschrift ingediend.
Overwegingen
Inhoud verzoek en reactie
1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in deze zaak niet nodig is.
2. Eiseres verzoekt de rechtbank in haar beroepschrift, gelet op artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb en artikel 49 lid 9 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, verweerder op te dragen alsnog binnen 14 dagen na de uitspraak een beslissing te nemen onder gelijktijdige toezending van het dossier.
2.1.
In reactie hierop geeft verweerder aan dat de rechtbank op grond van artikel 8:55d van de Awb niet bevoegd is om een beslissing op een dergelijk verzoek te nemen. De bijzondere en sterk vereenvoudigde procedure voor beroepen gericht tegen niet tijdige beslissingen, zoals geregeld in Afdeling 8.2.4A Awb is volgens verweerder niet bedoeld voor rechterlijke beslissingen zoals door eiseres gevraagd.
Verder geeft verweerder aan dat, in het geval dat de rechtbank wel bevoegd zou zijn, het verstrekken van een volledig dossier niet als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb kan worden aangemerkt, nu een dergelijke handeling niet is gericht op een rechtsgevolg. Het niet tijdig verstrekken van een volledig dossier is daarmee evenmin als een niet tijd nemen van een besluit aan te merken. Dat betekent dat de bepalingen in de Awb over beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van besluiten niet van toepassing zijn. Het beroep is in zoverre volgens verweerder niet-ontvankelijk. Daarbij geeft verweerder aan dat een dwangsom in dit kader dan ook niet wordt verbeurd.
Verstrekken dossier
2.2. De rechtbank is van oordeel dat het verstrekken van een volledige dossier door verweerder niet als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb kan worden aangemerkt, nu een dergelijke handeling niet is gericht op rechtsgevolg. Het niet tijdig verstrekken van een volledig dossier is daarmee evenmin als een niet tijdig nemen van een besluit aan te merken. Dat betekent dat de bepalingen in Awb over beroepen gericht tegen het niet tijdig nemen van besluiten niet van toepassing zijn. De rechtbank kan dan ook niet op grond van artikel 8:55d van de Awb terzake een dwangsom vaststellen.
2.3.
Het beroep is in zoverre niet-ontvankelijk.
Beroep tegen het niet-tijdig beslissen
3. Voor zover het beroep zich richt tegen het niet tijdig beslissen op het verzoek om herbeoordeling, overweegt de rechtbank het volgende.
4. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.
5. De rechtbank stelt het volgende vast.
Eiseres heeft op 24 maart 2021 haar verzoek om herbeoordeling bij verweerder ingediend. Verweerder had 6 maanden de tijd om daarop te beslissen. De beslissing diende dus voor 24 september 2021 te worden genomen.
Verweerder heeft eiseres op 31 augustus 2021 meegedeeld dat hij de beslistermijn eenmalig verlengd met een nieuwe termijn van 6 maanden, zodat verweerder uiterlijk op 24 maart 2022 zou beslissen.
Met zijn brief van 5 maart 2022 heeft verweerder eiseres meegedeeld dat hij niet voor 24 maart 2022 op haar verzoek van 24 maart 2021 zal beslissen. Hij heeft eiseres gewezen op zijn site waarop zijn planning is vermeld.
Verweerder heeft eiseres in zijn brief van 5 maart 2022 gewezen op de mogelijkheid hem “in gebreke” te stellen. Hij heeft daartoe het “ingebrekestelling”-formulier meegestuurd.
Verweerder heeft daarbij aan eiseres niet meegedeeld dat zij met het indienen van dat formulier moest wachten tot de beslistermijn was verstreken, dus tot na 24 maart 2022.
Eiseres heeft vervolgens verweerder op 10 maart 2022 in gebreke gesteld.
Eiseres heeft daarna op 31 mei 2022 onderhavig beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend en geconcludeerd dat het beroep ontvankelijk is en verzocht hem een beslistermijn van ten minste 13 weken op te leggen.
6. De rechtbank is van oordeel dat naar de letter van de wet eiseres verweerder twee weken te vroeg in gebreke heeft gesteld waardoor het beroep naar de letter van de wet niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
6.1.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep desondanks gegrond dient te worden verklaard. In dat verband acht de rechtbank van belang dat verweerder op 5 maart 2022 zelf heeft verklaard dat een besluit niet voor of op 24 maart 2022 zal worden genomen. Het wachten tot het einde van de beslistermijn diende dan ook geen enkel doel. Verweerder wordt door de vroege ingebrekestelling niet in zijn belangen geschaad nu hijzelf heeft verklaard niet tijdig te zullen beslissen. De rechtbank is daarom van oordeel dat het van een overdreven formalisme getuigt om in zo’n geval de niet-ontvankelijkheid van het beroep aan eiseres tegen te werpen.
De rechtbank wijst er in dit verband nog op dat ook verweerder zelf van mening is dat het beroep inhoudelijk moet worden behandeld aangezien hij heeft gesteld dat het beroep ontvankelijk is.
6.2.
De rechtbank passeert om voornoemde redenen de niet-ontvankelijkheid van het beroep en zal het beroep daarom inhoudelijk behandelen.
Verbeurde dwangsom
7. Artikel 4:17, eerste en derde lid, van de Awb bepaalt dat indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, het bestuursorgaan aan de aanvrager een dwangsom verbeurt voor elke dag (vanaf de 15e dag na ontvangst van de ingebrekestelling) dat het in gebreke is voor ten hoogste 42 dagen.
Niet in geschil is dat een dwangsom is verschuldigd.
7.1.
Verweerder heeft de ingebrekestelling op 28 februari 2022 ontvangen. Dit betekent dat de dwangsom verschuldigd is vanaf 15 maart 2021. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23,- per dag de daaropvolgende veertien dagen € 35,- per dag en de overige dagen € 45,- per dag. Dit volgt uit artikel 4:17, tweede lid, van de Awb.
7.2.
Met toepassing van artikel 8:55c en artikel 4:17 van de Awb stelt de rechtbank de door verweerder verbeurde dwangsom, tot aan de dag van deze uitspraak, vast op de maximale dwangsom van € 1.442,-.
7.3.
Verzoekster heeft aanspraak gemaakt op vergoeding van rente ter zake van de toegekende dwangsom. De rechtbank honoreert die aanspraak in zoverre dat beslist wordt dat recht bestaat op een vergoeding van wettelijke rente indien de toegekende dwangsom niet aan verzoekster wordt uitbetaald binnen vier weken na de datum van deze uitspraak.
Termijnstelling en nadere dwangsom (artikel 8:55d van de Awb)
8. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet verweerder dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn bepalen.
8.1.
In het verweerschrift is met een beroep op artikel 8:55d, derde lid, van de Awb verzocht om een beslistermijn van 13 weken te verlenen. Verweerder heeft hierbij als onderbouwing het behandelproces bij een verzoek om herbeoordeling toegelicht.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het betrekking heeft op het opdragen aan verweerder het volledige dossier aan eiseres te verstrekken;
verklaart het beroep voor het overige gegrond;
stelt de door verweerder verbeurde dwangsom vast op € 1.442,-;
Dictum
draagt verweerder op binnen dertien weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;
bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 50,- aan eiseres te vergoeden;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 379,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Vollebregt-Kuipers, rechter, in aanwezigheid van A.N. Jonker, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.
Vgl. Hoge Raad 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2358.
zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 oktober 2021: ECLI:NL:RVS:2021:2346