Rechtspraak
Rechtbank Overijssel
2021-12-20
ECLI:NL:RBOVE:2021:4984
Bestuursrecht
Eerste aanleg - meervoudig
2,017 tokens
Dictum
RECHTBANK OVERIJSSEL
Wrakingskamer
Zittingsplaats Zwolle
zaaknummer: C/08/272752 / KG RK 21-474
Dictum
in de zaak van
[verzoeker]
,
wonende in [woonplaats] ,
verzoeker tot wraking,
advocaat mr. E. Tamas te Den Haag.
Procesverloop
1.1.
Op 27 oktober 2021 heeft verzoeker het verzoek tot wraking gedaan van mr. M.M. Vollebregt-Kuipers, rechter in deze rechtbank en in die hoedanigheid belast met de behandeling van de bestuurszaak die is geregistreerd onder nummer AWB 20/2006.
1.2.
De schriftelijke reactie van mr. Vollebregt-Kuipers is op 3 november 2021 ontvangen; zij heeft niet berust in de wraking.
1.3.
Bij e-mail van 8 november 2021 heeft verzoeker zijn wrakingsverzoek nader toegelicht.
1.4.
In verband met overheidsmaatregelen die zijn uitgevaardigd als gevolg van de uitbraak van het coronavirus heeft de mondelinge behandeling op 8 december 2021 plaatsgevonden via een Skype-verbinding. Bij de mondelinge behandeling is de advocaat van verzoeker verschenen. Mr. Vollebregt-Kuipers is met kennisgeving niet verschenen.
Beoordeling
2.1.
Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (hierna: het UWV), waarbij zijn bezwaar tegen de herziening en terugvordering van de Wajong-uitkering over de periode van 18 april 2018 tot en met 25 juni 2018 ter hoogte van € 2.819,39 bruto en een boete ongegrond is verklaard.
2.2.
Aan zijn verzoek tot wraking heeft verzoeker, samengevat, ten grondslag gelegd dat mr. Vollebregt-Kuipers hem tijdens de mondelinge behandeling onvoldoende gelegenheid heeft geboden om zijn juridische standpunten toe te lichten en dat hierover geen debat is gevoerd. Ter onderbouwing van zijn standpunt verwijst verzoeker naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1789. Verzoeker stelt dat mr. Vollebregt-Kuipers hem het recht om te worden gehoord heeft ontnomen. Dat heeft zij gedaan door te weigeren zijn pleitnotitie in ontvangst te nemen, hem deze niet voor te laten dragen en hem te onderbreken met de mededeling dat hij anders uit de zittingszaal wordt verwijderd. Volgens verzoeker geeft deze houding van mr. Vollebregt-Kuipers naar objectieve maatstaven gemeten blijk van vooringenomenheid jegens hem.
2.3.
Mr. Vollebregt-Kuipers stelt zich, samengevat, op het standpunt dat het aan haar is om ter zitting de regie te voeren en de goede procesorde te bewaken en om aan te geven ten aanzien van welke punten verduidelijking wordt verlangd. Volgens mr. Vollebregt-Kuipers heeft zij verzoeker alle ruimte gegeven om zijn standpunten – die hij niet eerder naar voren had gebracht – toe te lichten. Mr. Vollebregt-Kuipers stelt dat verzoeker bleef doorpraten, ook toen haar bleek dat het een herhaling van zetten werd, en zij voor zichzelf wilde vaststellen of zij de benodigde informatie had. Aan haar verzoek om daarmee te stoppen, gaf verzoeker geen gehoor. Haar daarop volgende waarschuwing, dat hij de zittingszaal anders zou mogen verlaten, heeft geleid tot het wrakingsverzoek, aldus mr. Vollebregt-Kuipers.
2.4.
De wrakingskamer overweegt als volgt. Een rechter kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden (artikel 8:15 Awb). Uitgangspunt daarbij is dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet, die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een partij bij een geding een vooringenomenheid koestert. De vrees dat dit het geval zal zijn, dient objectief gerechtvaardigd te zijn. Dat betekent dat sprake moet zijn van concrete feiten en omstandigheden waaruit objectief de vrees voor partijdigheid van de rechter kan worden afgeleid. Daarnaast kan er onder omstandigheden reden zijn voor wraking, indien - geheel afgezien van de persoonlijke opstelling van de rechter in de hoofdzaak - de bij een partij bestaande vrees voor partijdigheid van die rechter objectief gerechtvaardigd is, waarbij rekening moet worden gehouden met uiterlijke schijn.
2.5.
Allereerst merkt de wrakingskamer op dat verzoeker heeft gesteld dat de opstelling van mr. Vollebregt-Kuipers tegenover hem ter zitting kan worden aangemerkt als procesbeslissingen. Als deze stelling gevolgd zou moeten worden, dan betekent dit dat de juistheid van dat soort beslissingen op zichzelf niet door middel van een wrakingsverzoek aan de orde kan worden gesteld. Nu het wrakingsverzoek echter vooral is gericht tegen de houding van mr. Vollebregt-Kuipers, zal de wrakingskamer dit aspect beoordelen.
2.6.
Uit het verloop van de mondelinge behandeling van het beroepschrift, zoals dat blijkt uit het proces-verbaal van 27 oktober 2021 en door verzoeker ter gelegenheid van de behandeling van het onderhavige wrakingsverzoek nader is toegelicht, leidt de wrakingskamer af dat de sfeer is gekanteld op het moment dat verzoeker zich ter onderbouwing van zijn standpunt eerst ter zitting heeft beroepen op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 1 december 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:3016 en – in het verlengde hiervan – op artikel 6 lid 2 van het EVRM en daarna bleek dat de gemachtigde van het UWV deze uitspraak niet kende, zodat een inhoudelijk debat niet mogelijk was. Volgens verzoeker worden de gemachtigde van het UWV en mr. Vollebregt-Kuipers als professionals geacht het recht te kennen en dient ter zitting gelegenheid te zijn het debat te voeren over hoe dit recht in concreto moet worden toegepast. Verzoeker meent dat mr. Vollebregt-Kuipers ten onrechte hierover geen vragen heeft gesteld en dat zij hem heeft “afgekapt”.
2.7.
Hoewel mr. Vollebregt-Kuipers de mogelijkheid onbenut heeft gelaten om de kou uit de lucht te halen door een leespauze in te lassen en/of expliciet te benoemen dat zij de door verzoeker aangehaalde uitspraak van de CRvB bij de beoordeling van het geschil zal betrekken (waarbij eventueel nog een schriftelijke ronde had kunnen worden gelast waarin partijen zich kunnen uitlaten over de gevolgen van die uitspraak voor hun geschil), is dit onvoldoende om te kunnen concluderen dat mr. Vollebregt-Kuipers jegens verzoeker vooringenomen was of objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor bestond. Daarbij betrekt de wrakingskamer dat mr. Vollebregt-Kuipers expliciet aan verzoeker heeft gevraagd of hij de beroepsgronden heeft aangevoerd die hij wil aanvoeren en dat verzoeker daarop bevestigend heeft geantwoord. Mr. Vollebregt-Kuipers heeft dus in ieder geval kennis genomen van het beroep van verzoeker op de uitspraak van de CRvB van 1 december 2020 en de overige beroepsgronden, zodat aangenomen mag worden dat zij die bij haar afwegingen zal meenemen.
2.8.
De wrakingskamer komt tot de conclusie dat in dit geval naar objectieve maatstaven gemeten niet geoordeeld kan worden dat de houding van mr. Vollebregt-Kuipers ter zitting van 27 oktober 2021 een zwaarwegende aanwijzing oplevert dat zij tegenover verzoeker een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij verzoeker bestaande vrees voor partijdigheid van mr. Vollebregt-Kuipers objectief gerechtvaardigd is.
2.9.
Het voorgaande leidt ertoe dat als volgt wordt beslist.
Dictum
De wrakingskamer
- verklaart het verzoek ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door mrs. U. van Houten, F. Koster en H.M. Braam, in tegenwoordigheid van de griffier en in het openbaar uitgesproken op 20 december 2021.
de griffier, de voorzitter,
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.