Rechtspraak
Rechtbank Overijssel
2021-12-10
ECLI:NL:RBOVE:2021:4905
Strafrecht
Tussenbeschikking
14,250 tokens
Inleiding
RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Meervoudige raadkamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer:
Klaagschriftnummer: RK 21/282
Tussenbeschikking van de meervoudige raadkamer op het klaagschrift op grond van
artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv), in combinatie met een klaagschrift op grond van artikel 98 lid 4 Sv van:
[klager 1]
, gevestigd te [plaats] ,
en
[klager 2],
geboren op [geboortedatum 1] in [geboorteplaats 1] (België),
en
[klager 3],
geboren op [geboortedatum 2] in [geboorteplaats 2] ,
en
[klager 4]
,
geboren op [geboortedatum 3] in [geboorteplaats 3] ,
en
[klager 5],
geboren op [geboortedatum 4] in [geboorteplaats 4] ,
hierna: de klagers,
allen domicilie kiezende ten kantore van de raadsman mr. O.M.B.J. Volgenant en de raadsvrouw mr. J.E. van Til, Boekx Advocaten, beide kantoorhoudende aan de Leidsegracht 9 te (1017 NA) Amsterdam, hierna: de raadslieden.
1Voorgeschiedenis
Op 19 november 2018 hebben doorzoekingen plaatsgevonden in onder meer het hoofdkantoor van de [klager 1] ( [locatie] ), de woningen van de ouderlingen [klager 2] , [klager 3] , [klager 4] en [klager 5] en de [locatie] in Assen en Dordrecht. Aanleiding tot die doorzoekingen zijn aangiftes tegen negen (oud-)leden van de gemeenschap vanwege seksueel misbruik. Bij de doorzoekingen zijn stukken in beslag genomen en gegevens vastgelegd. De persoon die in het betreffende strafrechtelijk onderzoek, genaamd Zwarte het is Bes, als verdachte is aangemerkt, is [naam 1] , een oud-lid van [klager 1] . De [klager 1] en de ouderlingen [klager 2] , [klager 3] , [klager 4] en [klager 5] (hierna: de klagers) zijn niet als verdachten aangemerkt. De klagers hebben een klaagschrift en een aanvullend klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv ingediend tegen de inbeslagneming, bij de rechtbank ingekomen op 10 december 2019, respectievelijk 16 maart 2020. De klagers beroepen zich op een geheimhoudingsplicht en een daaruit voortvloeiend (afgeleid) verschoningsrecht.
Procesverloop
2.1
De beschikkingen van de rechtbank en de Hoge Raad
De meervoudige raadkamer van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, heeft op 8 mei 2020 geoordeeld dat de klagers geen (afgeleid) verschoningsrecht hebben omdat, kort gezegd, de ouderlingen in kwestie deel uitmaakten van een rechterlijk comité en op dat moment geen geestelijke zorg- en hulpverleners zijn. De raadkamer heeft hierom het beklag ongegrond verklaard. Tegen die beschikking hebben de klagers cassatieberoep ingesteld. De Hoge Raad heeft daarop op 19 januari 2021 de bestreden beschikking vernietigd, de klagers alsnog niet-ontvankelijk verklaard in het aanvullende klaagschrift van 16 maart 2020, de zaak terugverwezen naar de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, opdat de zaak ten aanzien van het klaagschrift van 10 december 2019 opnieuw wordt behandeld en afgedaan en de stukken in handen gesteld van de rechter-commissaris in die rechtbank om op de voet van artikel 98 Sv te beslissen over het door de klagers gedane beroep op het (afgeleide) verschoningsrecht.
2.2
De beschikking van de rechter-commissaris
De rechter-commissaris in de rechtbank Overijssel heeft – na een regiebijeenkomst en een schriftelijke uitwisseling van de standpunten van de klagers en het Openbaar Ministerie – bij beschikking van 15 juli 2021 het klaagschrift van de klagers op grond van artikel 98 lid 1 Sv ongegrond verklaard.
Procesverloop
3.1
Het klaagschrift van 17 augustus 2021
De klagers hebben op 17 augustus 2021 op de voet van artikel 98 lid 4 in samenhang met artikel 552a Sv een klaagschrift ingediend en daarin ook het oorspronkelijke klaagschrift van 10 december 2019 dat was aangevuld op 16 maart 2020 gehandhaafd. De raadkamer begrijpt dat de klagers een oordeel vragen over het gestelde in:
het oorspronkelijke klaagschrift van 10 december 2019 (artikel 552a Sv);
het aanvullend klaagschrift van 16 maart 2020, op zichzelf dan wel als integrerend onderdeel van het hiervoor genoemde oorspronkelijke klaagschrift (artikel 552a Sv);
het klaagschrift van 17 augustus 2021 (artikel 98 lid 4 Sv).
3.2
De stukken waar de raadkamer kennis van heeft genomen
De raadkamer heeft kennisgenomen van de processtukken die ten grondslag liggen aan de beschikkingen van de rechtbank Overijssel van 8 mei 2020, de Hoge Raad van 19 januari 2021 en de rechter-commissaris van 15 juli 2021. Daarnaast heeft de raadkamer kennisgenomen van voornoemd klaagschrift van 17 augustus 2021, de conclusie van het Openbaar Ministerie op dit klaagschrift van 18 oktober 2021, de reactie van de klagers op die conclusie van 3 november 2021 en de e-mail van de klagers van 11 november 2021, met als bijlagen een e-mailwisseling en een WhatsApp-conversatie die volgens de klagers in het kader van een Wet openbaarheid van bestuur (Wob)-procedure aan hen zijn verstrekt, evenals een schriftelijke toelichting van de klagers op die bijlagen.
3.3
De behandeling door de raadkamer
De raadkamer heeft de bovenstaande klaagschriften behandeld op de openbare zitting van de raadkamer van 12 november 2021. Bij de behandeling zijn gehoord:
de (door de klagers gemachtigde) raadslieden mrs. O.M.B.J. Volgenant en J.E. van Til;
de officier van justitie mr. A. Schotman, als vertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie;
[naam 2] , bestuurslid van de [klager 1] .
4De bevoegdheid van de rechtbank
De rechtbank Overijssel is bevoegd kennis te nemen van de klaagschriften.
5De ontvankelijkheid
De raadkamer stelt vast dat de klaagschriften tijdig zijn ingediend.
Het aanvullende klaagschrift van 16 maart 2020
De klagers hebben verzocht het aanvullende klaagschrift van 16 maart 2020 opnieuw integraal te beoordelen. De klagers zijn door de Hoge Raad (alsnog) niet-ontvankelijk verklaard in het aanvullende klaagschrift. Gelet op deze beslissing van de Hoge Raad, zal de raadkamer de klagers niet-ontvankelijk verklaren in het aanvullende klaagschrift van 16 maart 2020.
De klaagschriften van 10 december 2019 en 17 augustus 2021
De klagers zijn ontvankelijk in het klaagschrift van 10 december 2019.
Voor zover de klagers in hun klaagschrift van 17 augustus 2021 het aanvullende klaagschrift van 16 maart 2020 hebben opgenomen en beogen dat de raadkamer dat aanvullende klaagschrift als integrerend onderdeel van het klaagschrift van 17 augustus 2021 (alsnog) inhoudelijk beoordeelt, brengt voornoemde beslissing van de Hoge Raad mee dat de klagers in zoverre niet in hun klaagschrift van 17 augustus 2021 kunnen worden ontvangen. Voor het overige zijn de klagers in het klaagschrift van 17 augustus 2021 ontvankelijk.
6De volgorde van behandeling van de klaagschriften
De raadkamer stelt vast dat zij moet oordelen over het klaagschrift op de voet van artikel 552a Sv (10 december 2019) en over het klaagschrift op de voet van 98 lid 4 Sv (17 augustus 2021). Het beklag van 10 december 2019 kan niet (on)gegrond worden verklaard als geen beschikking van de rechter-commissaris als bedoeld in artikel 98 lid 1 Sv voorligt. De raadkamer zal voor wat betreft de klaagschriften dan ook eerst oordelen over de beschikking van de rechter-commissaris.
7Het klaagschrift tegen de beschikking van de rechter-commissaris
De rechter-commissaris heeft het klaagschrift van de klagers ongegrond verklaard.
De rechter-commissaris heeft zich bij zijn oordeel beperkt tot de doorzoekingen en inbeslagnames die in het strafrechtelijk onderzoek tegen verdachte [naam 1] hebben plaatsgevonden. De rechter-commissaris is – na een weergave van zijn overwegingen – in zijn beschikking tot het oordeel gekomen dat de klagers [klager 2] , [klager 3] , [klager 4] en [klager 5] als ouderling van de [klager 1] niet zodanig intensief betrokken zijn geweest bij het verlenen van geestelijke hulp en zorg aan verdachte [naam 1] dat zij kunnen worden aangemerkt als behorende tot de geestelijke stand tot wie een lid van de gemeente zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van het toevertrouwde moet kunnen wenden. Deze conclusie brengt naar het oordeel van de rechter-commissaris mee dat de [klager 1] zich evenmin kan beroepen op een van die ouderlingen afgeleid verschoningsrecht. Verder betekent dit volgens de rechter-commissaris dat hij geen kennis hoeft te nemen van de stukken en gegevens ten aanzien waarvan de klagers zich op hun verschoningsrecht hebben beroepen. De rechter-commissaris is van oordeel dat artikel 98 lid 1 Sv dan ook niet in de weg staat aan de inbeslagneming van de in het geding zijnde fysieke en digitale stukken.
8De standpunten
8.1
Het standpunt van de klagers
De klagers hebben zich – samengevat – op het standpunt gesteld dat het klaagschrift tegen de beschikking van de rechter-commissaris gegrond moet worden verklaard, en wel om de volgende redenen.
Ten eerste heeft de rechter-commissaris zich ten onrechte beperkt tot het strafrechtelijk onderzoek tegen verdachte [naam 1] . De klagers verzoeken de raadkamer een oordeel te geven over alle informatie met betrekking waartoe zij een beroep op hun verschoningsrecht hebben gedaan, inclusief de informatie de middels het tappen van de ouderlingen is verkregen. Indien de rechter daar geen ruimte toe ziet, schiet het wettelijke systeem tekort en verzoeken zij de raadkamer dat expliciet te overwegen.
Ten tweede heeft de rechter-commissaris miskend dat het standpunt van de verschoningsgerechtigde leidend is. Het uitgangpunt is dat ouderlingen van de [klager 1] kunnen worden aangemerkt als geestelijke bedienaren die op grond van artikel 218 Sv een beroep kunnen doen op hun verschoningsrecht. Het criterium dat de rechter-commissaris vervolgens heeft toegepast, is niet overeenkomstig de rechtspraak van het EHRM en de jurisprudentie van de Hoge Raad.
Ten derde heeft de rechter-commissaris het religieuze proces binnen de religie van de [klager 1] van het in vertrouwen belijden van zonden en de rol van de betrokken ouderlingen daarbij miskend. Het is niet zo dat als een verschoningsgerechtigde vertrouwelijke informatie deelt met personen die zelf een (afgeleid) verschoningsrecht hebben, dan wel niet-verschoningsgerechtigden, de geheimhouder zijn/haar verschoningsrecht volledig kwijt is. Bovendien is relevant dat de zondaar ervan op de hoogte is wat de procedure is ingeval van een religieus rechterlijk comité. De vertrouwelijkheid waar het de klagers om gaat is de vertrouwelijkheid buiten de [klager 1] , met name waar de overheid of derden met dwangmiddelen kennis wensen te nemen van dergelijke informatie. Dit is waar artikel 218 Sv primair bescherming tegen biedt. De geestelijke zorg die ouderlingen verlenen aan een zondaar staat niet op zichzelf, maar is een onderdeel van de geestelijke zorg die de ouderlingen verlenen aan leden van de [klager 1] . Hierdoor ontstaat een vertrouwensband.
Beoordeling
9.1
Het wettelijk kader
Bij de beoordeling van het klaagschrift tegen de beschikking van de rechter-commissaris zijn in dit stadium de volgende wettelijke bepalingen van belang:
- artikel 98 Sv:
“1. Bij personen met bevoegdheid tot verschooning, als bedoeld bij de artikelen 218 en 218a, worden, tenzij met hunne toestemming, niet in beslag genomen brieven of andere geschriften, tot welke hun plicht tot geheimhouding zich uitstrekt. De rechter-commissaris is bevoegd ter zake te beslissen.
2. Indien de persoon met bevoegdheid tot verschoning bezwaar maakt tegen de inbeslagneming van brieven of andere geschriften omdat zijn plicht tot geheimhouding zich daartoe uitstrekt, wordt niet tot kennisneming overgegaan dan nadat de rechter-commissaris daarover heeft bepaald.
3. De rechter-commissaris die beslist dat inbeslagneming is toegestaan, deelt de persoon met bevoegdheid tot verschoning mede dat tegen zijn beslissing beklag open staat bij het gerecht in feitelijke aanleg waarvoor de zaak wordt vervolgd en tevens dat niet tot kennisneming wordt overgegaan dan nadat onherroepelijk over het beklag is beslist.
4. Tegen de beschikking van de rechter-commissaris kan de persoon met bevoegdheid tot verschoning binnen veertien dagen na de betekening daarvan een klaagschrift indienen bij het gerecht in feitelijke aanleg waarvoor de zaak wordt vervolgd. Artikel 552a is van toepassing.
5. Een doorzoeking vindt bij zodanige personen, tenzij met hun toestemming, alleen plaats voor zover het zonder schending van het stands-, beroeps- of ambtsgeheim kan geschieden, en strekt zich niet uit tot andere brieven of geschriften dan die welke het voorwerp van het strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan gediend hebben.
6. De rechter-commissaris kan zich bij de beoordeling van de aannemelijkheid van het beroep van de verschoningsgerechtigde op zijn geheimhoudingsplicht laten voorlichten door een vertegenwoordiger van de beroepsgroep waartoe de verschoningsgerechtigde behoort.”
- artikel 218 Sv:
“Van het geven van getuigenis of van het beantwoorden van bepaalde vragen kunnen zich ook verschoonen zij die uit hoofde van hun stand, hun beroep of hun ambt tot geheimhouding verplicht zijn, doch alleen omtrent hetgeen waarvan de wetenschap aan hen als zoodanig is toevertrouwd.”
9.2
De beschikking van de Hoge Raad
De raadkamer neemt de hieronder aangehaalde rechtsoverwegingen van de Hoge Raad in zijn beschikking van 19 januari 2021 als uitgangspunt:
“6.2.1 Artikel 218 Sv heeft het oog op personen tot wier taak het behoort aan anderen hulp te verlenen maar die deze taak slechts dan naar behoren kunnen vervullen indien zij zich kunnen verschonen ten aanzien van geheimen welke hun zijn toevertrouwd door hulpzoekenden die zonder zekerheid van geheimhouding tegenover justitie aan deze beroepsbeoefenaren geen hulp zouden vragen.
Aan het verschoningsrecht ligt ten grondslag dat het maatschappelijk belang dat de waarheid in rechte aan het licht komt, moet wijken voor het maatschappelijk belang dat een ieder zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van het toevertrouwde om bijstand en advies tot de verschoningsgerechtigde moet kunnen wenden.
Tot de beroepsbeoefenaren die op grond van artikel 218 Sv een verschoningsrecht hebben, behoren de arts, de advocaat en de notaris. Ook de geestelijke stand komt dat verschoningsrecht toe.
Het verschoningsrecht geldt daarbij voor wetenschap die hun als zodanig is toevertrouwd.
6.2.2
Op grond van artikel 98 Sv mogen bij personen met een bevoegdheid tot verschoning als bedoeld in artikel 218 Sv zonder hun toestemming brieven of andere geschriften tot welke hun plicht tot geheimhouding zich uitstrekt, niet in beslag worden genomen. Wel mogen, zoals volgt uit artikel 98 lid 5 Sv, zonder hun toestemming in beslag worden genomen brieven of geschriften die voorwerp van het strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan hebben gediend, nu dergelijke brieven of geschriften geen object zijn van de aan bedoelde personen toekomende bevoegdheid tot verschoning.
Wanneer de verschoningsgerechtigde zich op het standpunt stelt dat het gaat om brieven of geschriften die geen voorwerp van het strafbare feit uitmaken en evenmin tot het begaan daarvan hebben gediend en waarvan kennisneming zou leiden tot schending van het beroepsgeheim, dient dit standpunt door de organen van politie en justitie te worden geëerbiedigd, tenzij redelijkerwijze geen twijfel erover kan bestaan dat dit standpunt onjuist is.
6.2.3
Op grond van artikel 98 lid 1 Sv is het eerst aan de rechter-commissaris om te beslissen over het beroep op het verschoningsrecht dat is gedaan ten aanzien van stukken dan wel gegevens die zijn opgeslagen op gegevensdragers.
Indien de rechtbank bij de behandeling van een op grond van artikel 552a Sv ingediend klaagschrift vaststelt dat de klager met betrekking tot inbeslaggenomen stukken of vastgelegde gegevens zich op zijn verschoningsrecht heeft beroepen en dat de rechter-commissaris daarover (nog) niet heeft beslist, dient zij de behandeling van het klaagschrift aan te houden en de zaak in handen van de rechter-commissaris te stellen teneinde een beschikking te geven als bedoeld in artikel 98 lid 1 Sv.
”
Naar het oordeel van de Hoge Raad kunnen zich situaties voordoen waarin een ouderling van de [klager 1] verschoningsgerechtigd is. Een ouderling van de [klager 1] kan in uitzonderlijke gevallen zodanig intensief betrokken zijn bij het verlenen van geestelijke hulp en zorg aan gemeenteleden dat hij in die hoedanigheid kan worden aangemerkt als behorende tot de geestelijke stand tot wie een lid van de gemeente zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van het toevertrouwde moet kunnen wenden. Gegeven dit oordeel en gelet op de vaststelling dat de klagers met betrekking tot inbeslaggenomen stukken en vastgelegde gegevens zich op hun verschoningsrecht hebben beroepen, moet de rechter-commissaris – vóórdat het klaagschrift op grond van artikel 552a Sv (on)gegrond kan worden verklaard – een beschikking geven als bedoeld in artikel 98 lid 1 Sv. De enkele omstandigheid dat een ouderling al dan niet lid was van het rechterlijk comité dat is gevormd naar aanleiding van verdenkingen van seksueel misbruik, sluit volgens de Hoge Raad niet uit dat de in het klaagschrift bedoelde stukken en vastgelegde gegevens object kunnen zijn van het (afgeleide) verschoningsrecht van de klagers als zich een uitzonderlijk geval voordoet waarbij een ouderling van de [klager 1] zodanig intensief betrokken is bij het verlenen van geestelijke hulp en zorg aan een gemeentelid dat hij in die hoedanigheid kan worden aangemerkt als behorende tot de geestelijke stand tot wie een lid van de gemeente zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van het toevertrouwde moet kunnen wenden.
9.3
Overwegingen
De klagers [klager 2] , [klager 3] , [klager 4] en [klager 5] waren ten tijde van de doorzoekingen ouderling van de [klager 1] . In het licht van wat onder 9.1 en 9.2 is overwogen betekent dit dat aan (één van) de klager(s) een (afgeleid) verschoningsrecht kan toekomen. De bij de doorzoekingen van de woningen van de klagers, de [locatie] en [locatie] op 19 november 2018 door de officier van justitie en/of de rechter-commissaris inbeslaggenomen stukken en vastgelegde gegevens kunnen dus (deels) object zijn van het (afgeleide) verschoningsrecht van (één van) de klager(s).
Dit brengt mee dat de rechter-commissaris in volle omvang het beroep van de klagers op hun mogelijke verschoningsrecht moet beoordelen. Dit betekent dat de rechter-commissaris in dit geval (van de aard en/of inhoud) van de inbeslaggenomen stukken en vastgelegde gegevens kennis moet nemen, en op grond van de aard en/of de inhoud van de stukken en vastgelegde gegevens de vraag moet beantwoorden of deze stukken of vastgelegde gegevens wel of niet onder het mogelijke (afgeleide) verschoningsrecht van klagers vallen, en zo ja of dit recht kan worden doorbroken.
De raadkamer leest en verstaat de beschikking van de rechter-commissaris aldus dat de rechter-commissaris het door de klagers gedane beroep op het (afgeleide) verschoningsrecht in zijn algemeenheid heeft beoordeeld. De rechter-commissaris heeft immers gemotiveerd geconcludeerd dat de klagers geen (afgeleid) verschoningsrecht toekomt, omdat de ouderlingen [klager 2] , [klager 3] , [klager 4] en [klager 5] niet zodanig intensief betrokken zijn geweest bij het verlenen van geestelijke hulp en zorg aan verdachte [naam 1] dat zij kunnen worden aangemerkt als behorende tot de geestelijke stand tot wie een lid van de gemeente zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van het toevertrouwde moet kunnen wenden. De rechter-commissaris heeft het vervolgens niet noodzakelijk geacht om kennis te nemen van de stukken en gegevens ten aanzien waarvan de klagers zich op hun verschoningsrecht hebben beroepen.
De raadkamer is evenwel van oordeel dat de rechter-commissaris hiermee voorbij is gegaan aan de mogelijkheid dat de in de woningen van de klagers, de [locatie] en [locatie] inbeslaggenomen stukken en vastgelegde gegevens (deels) object kunnen zijn van een eventueel aan (één van) de klager(s) toekomend (afgeleid) verschoningsrecht. Immers, enkel nadat de rechter-commissaris heeft kennisgenomen van de inbeslaggenomen stukken en gegevens kan worden vastgesteld in hoeverre deze stukken en gegevens vallen onder het mogelijke verschoningsrecht dat de klagers hebben, bij welke vaststelling mede een rol kan spelen of de (betreffende) klager(s) als ouderling deel uitmaakte(n) van het rechterlijk comité dat is gevormd naar aanleiding van verdenkingen van seksueel misbruik.
Nu niet volgens het wettelijk systeem onderzoek is gedaan naar de aard en/of de inhoud van alle op 19 november 2018 onder de klagers inbeslaggenomen stukken en vastgelegde gegevens, is naar het oordeel van de raadkamer onvoldoende onderzocht of een ouderling van de [klager 1] , ook wanneer hij deel uitmaakte van het hiervoor genoemde rechterlijk comité, ten aanzien van één of meer van deze stukken of gegevens een verschoningsrecht kan toekomen.
De raadkamer is dan ook van oordeel dat de rechter-commissaris niet heeft gedaan waartoe hij op de voet van artikel 98 Sv gehouden was, namelijk het doen van concrete vaststellingen, zo nodig per stuk of categorie van stukken en vastgelegde gegevens, omtrent de aard en inhoud van de inbeslaggenomen stukken en vastgelegde gegevens en hoe die aard en inhoud zich verhouden tot enig wel of niet geldig beroep op het verschoningsrecht van de individuele klagers. De raadkamer komt dus tot de conclusie dat het onderzoek van de rechter-commissaris ontoereikend is geweest. Het klaagschrift van 17 augustus 2021 (artikel 98 lid 4 Sv) is in zoverre gegrond. Dit leidt echter in dit stadium niet tot een (eind)oordeel (gegrond of ongegrond) over het oorspronkelijke klaagschrift van 10 december 2019 (artikel 552a Sv), omdat nader onderzoek nodig is om de vraag te kunnen beantwoorden of ten aanzien van de inbeslaggenomen stukken en vastgelegde gegevens een verschoningsrecht geldt.
10Heropening onderzoek
Artikel 448 lid 1 Sv luidt: ‘De rechtbank, het gerechtshof of de Hooge Raad zullen het beroep of het bezwaarschrift afwijzen, of bevelen hetgeen overeenkomstig de bepalingen der wet behoort of had behooren te geschieden’. De raadkamer is van oordeel dat de wet haar, gelet op de inhoud van artikel 448 lid 1 Sv, de ruimte biedt om de zaak (wederom) in handen te stellen van de rechter-commissaris om (volledig) op grond van artikel 98 lid 1 Sv te beslissen.
De raadkamer zal om die reden het onderzoek heropenen en de zaak naar de rechter-commissaris verwijzen om op de voet van artikel 98 lid 1 Sv (volledig), met concrete vaststellingen, te beslissen over het door de klagers gedane beroep op het (afgeleide) verschoningsrecht met betrekking tot alle onder de klagers op 19 november 2018 inbeslaggenomen stukken en vastgelegde gegevens.
11Aanhouding iedere (verdere) beslissing
Zoals hierboven overwogen verwijst de raadkamer de zaak naar de rechter-commissaris om op de voet van artikel 98 lid 1 Sv (volledig) te beslissen. Gelet op wat hiervoor onder punt 9 en 10 is overwogen, zal de raadkamer om proceseconomische redenen – in afwachting van de beschikking van de rechter-commissaris – iedere (verdere) beslissing aanhouden, waaronder die tot niet-ontvankelijkverklaring van de klagers in het aanvullende klaagschrift van 16 maart 2020, op zichzelf en als integrerend onderdeel van het klaagschrift van 17 augustus 2021, een en ander zoals hiervoor onder punt 5 is overwogen. De raadkamer geeft de rechter-commissaris met het oog op de hierna genoemde datum van hervatting van het onderzoek in overweging zijn of haar beschikking zodanig tijdig af te geven, dat de klagers en het Openbaar Ministerie nadien drie weken de gelegenheid hebben hun (nadere) standpunt naar aanleiding van die beschikking aan de raadkamer kenbaar te maken.
Dictum
De raadkamer:
heropent het onderzoek;
schorst het onderzoek in het belang van het onderzoek en beveelt de hervatting van het onderzoek op de raadkamerzitting van 30 maart 2022 om 15:00 uur;
verwijst de zaak naar de rechter-commissaris voor zover het betreft het klaagschrift van 17 augustus 2021 tegen de beschikking van de rechter-commissaris van 15 juli 2021 tot afwijzing van het beroep van de klagers op een (afgeleid) verschoningsrecht om op de voet van artikel 98 lid 1 Sv en met inachtneming van hetgeen hiervoor onder 9.3 is overwogen te beslissen over het door de klagers gedane beroep op het (afgeleide) verschoningsrecht met betrekking tot alle onder de klagers op 19 november 2018 inbeslaggenomen stukken en vastgelegde gegevens;
stelt de stukken daartoe in handen van de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank;
houdt iedere (verdere) beslissing aan;
beveelt de oproeping van de klagers, met afschrift daarvan aan de raadslieden, om op de genoemde raadkamerzitting te verschijnen.
Deze tussenbeschikking is gegeven door mr. A. van Holten, voorzitter, mr. H. Manuel en
mr. A.S. Metgod, rechters, in tegenwoordigheid van N. Klunder, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de terechtzitting van 10 december 2021.
De jongste rechter is buiten staat deze tussenbeschikking mede te ondertekenen.
Rb. Overijssel 8 mei 2020, ECLI:NL:RBOVE:2020:1694, onder 7.
HR 19 januari 2021, ECLI:NL:HR:2021:68, onder 8.
HR 19 januari 2021, ECLI:NL:HR:2021:68, onder 6.3.3.
HR 19 januari 2021, ECLI:NL:HR:2021:68, onder 6.2.1 tot en met 6.3.3.
vgl. HR 25 oktober 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4685.
vgl. HR 1 maart 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC9066.
vgl. Kamerstukken II 1913/14, 286, nr. 3, p. 90, 93, 94, Kamerstukken II 1917/18, 77, nr. 1, p. 48 en HR 14 december 1948, ECLI:NL:HR:1948:83, NJ 1949/95.
HR 19 januari 2021, ECLI:NL:HR:2021:68, onder 6.2.1.
vgl. HR 22 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2783.
vgl. HR 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1960, r.o. 4.2.3.
vgl. HR 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1960 en HR 10 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:553.
HR 19 januari 2021, ECLI:NL:HR:2021:68, onder 6.3.2.
HR 19 januari 2021, ECLI:NL:HR:2021:68, onder 6.3.3.
Inleiding
RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Meervoudige raadkamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer:
Klaagschriftnummer: RK 21/282
Tussenbeschikking van de meervoudige raadkamer op het klaagschrift op grond van
artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv), in combinatie met een klaagschrift op grond van artikel 98 lid 4 Sv van:
[klager 1]
, gevestigd te [plaats] ,
en
[klager 2],
geboren op [geboortedatum 1] in [geboorteplaats 1] (België),
en
[klager 3],
geboren op [geboortedatum 2] in [geboorteplaats 2] ,
en
[klager 4]
,
geboren op [geboortedatum 3] in [geboorteplaats 3] ,
en
[klager 5],
geboren op [geboortedatum 4] in [geboorteplaats 4] ,
hierna: de klagers,
allen domicilie kiezende ten kantore van de raadsman mr. O.M.B.J. Volgenant en de raadsvrouw mr. J.E. van Til, Boekx Advocaten, beide kantoorhoudende aan de Leidsegracht 9 te (1017 NA) Amsterdam, hierna: de raadslieden.
1Voorgeschiedenis
Op 19 november 2018 hebben doorzoekingen plaatsgevonden in onder meer het hoofdkantoor van de [klager 1] ( [locatie] ), de woningen van de ouderlingen [klager 2] , [klager 3] , [klager 4] en [klager 5] en de [locatie] in Assen en Dordrecht. Aanleiding tot die doorzoekingen zijn aangiftes tegen negen (oud-)leden van de gemeenschap vanwege seksueel misbruik. Bij de doorzoekingen zijn stukken in beslag genomen en gegevens vastgelegd. De persoon die in het betreffende strafrechtelijk onderzoek, genaamd Zwarte het is Bes, als verdachte is aangemerkt, is [naam 1] , een oud-lid van [klager 1] . De [klager 1] en de ouderlingen [klager 2] , [klager 3] , [klager 4] en [klager 5] (hierna: de klagers) zijn niet als verdachten aangemerkt. De klagers hebben een klaagschrift en een aanvullend klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv ingediend tegen de inbeslagneming, bij de rechtbank ingekomen op 10 december 2019, respectievelijk 16 maart 2020. De klagers beroepen zich op een geheimhoudingsplicht en een daaruit voortvloeiend (afgeleid) verschoningsrecht.
Procesverloop
2.1
De beschikkingen van de rechtbank en de Hoge Raad
De meervoudige raadkamer van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, heeft op 8 mei 2020 geoordeeld dat de klagers geen (afgeleid) verschoningsrecht hebben omdat, kort gezegd, de ouderlingen in kwestie deel uitmaakten van een rechterlijk comité en op dat moment geen geestelijke zorg- en hulpverleners zijn. De raadkamer heeft hierom het beklag ongegrond verklaard. Tegen die beschikking hebben de klagers cassatieberoep ingesteld. De Hoge Raad heeft daarop op 19 januari 2021 de bestreden beschikking vernietigd, de klagers alsnog niet-ontvankelijk verklaard in het aanvullende klaagschrift van 16 maart 2020, de zaak terugverwezen naar de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, opdat de zaak ten aanzien van het klaagschrift van 10 december 2019 opnieuw wordt behandeld en afgedaan en de stukken in handen gesteld van de rechter-commissaris in die rechtbank om op de voet van artikel 98 Sv te beslissen over het door de klagers gedane beroep op het (afgeleide) verschoningsrecht.
2.2
De beschikking van de rechter-commissaris
De rechter-commissaris in de rechtbank Overijssel heeft – na een regiebijeenkomst en een schriftelijke uitwisseling van de standpunten van de klagers en het Openbaar Ministerie – bij beschikking van 15 juli 2021 het klaagschrift van de klagers op grond van artikel 98 lid 1 Sv ongegrond verklaard.
Procesverloop
3.1
Het klaagschrift van 17 augustus 2021
De klagers hebben op 17 augustus 2021 op de voet van artikel 98 lid 4 in samenhang met artikel 552a Sv een klaagschrift ingediend en daarin ook het oorspronkelijke klaagschrift van 10 december 2019 dat was aangevuld op 16 maart 2020 gehandhaafd. De raadkamer begrijpt dat de klagers een oordeel vragen over het gestelde in:
het oorspronkelijke klaagschrift van 10 december 2019 (artikel 552a Sv);
het aanvullend klaagschrift van 16 maart 2020, op zichzelf dan wel als integrerend onderdeel van het hiervoor genoemde oorspronkelijke klaagschrift (artikel 552a Sv);
het klaagschrift van 17 augustus 2021 (artikel 98 lid 4 Sv).
3.2
De stukken waar de raadkamer kennis van heeft genomen
De raadkamer heeft kennisgenomen van de processtukken die ten grondslag liggen aan de beschikkingen van de rechtbank Overijssel van 8 mei 2020, de Hoge Raad van 19 januari 2021 en de rechter-commissaris van 15 juli 2021. Daarnaast heeft de raadkamer kennisgenomen van voornoemd klaagschrift van 17 augustus 2021, de conclusie van het Openbaar Ministerie op dit klaagschrift van 18 oktober 2021, de reactie van de klagers op die conclusie van 3 november 2021 en de e-mail van de klagers van 11 november 2021, met als bijlagen een e-mailwisseling en een WhatsApp-conversatie die volgens de klagers in het kader van een Wet openbaarheid van bestuur (Wob)-procedure aan hen zijn verstrekt, evenals een schriftelijke toelichting van de klagers op die bijlagen.
3.3
De behandeling door de raadkamer
De raadkamer heeft de bovenstaande klaagschriften behandeld op de openbare zitting van de raadkamer van 12 november 2021. Bij de behandeling zijn gehoord:
de (door de klagers gemachtigde) raadslieden mrs. O.M.B.J. Volgenant en J.E. van Til;
de officier van justitie mr. A. Schotman, als vertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie;
[naam 2] , bestuurslid van de [klager 1] .
4De bevoegdheid van de rechtbank
De rechtbank Overijssel is bevoegd kennis te nemen van de klaagschriften.
5De ontvankelijkheid
De raadkamer stelt vast dat de klaagschriften tijdig zijn ingediend.
Het aanvullende klaagschrift van 16 maart 2020
De klagers hebben verzocht het aanvullende klaagschrift van 16 maart 2020 opnieuw integraal te beoordelen. De klagers zijn door de Hoge Raad (alsnog) niet-ontvankelijk verklaard in het aanvullende klaagschrift. Gelet op deze beslissing van de Hoge Raad, zal de raadkamer de klagers niet-ontvankelijk verklaren in het aanvullende klaagschrift van 16 maart 2020.
De klaagschriften van 10 december 2019 en 17 augustus 2021
De klagers zijn ontvankelijk in het klaagschrift van 10 december 2019.
Voor zover de klagers in hun klaagschrift van 17 augustus 2021 het aanvullende klaagschrift van 16 maart 2020 hebben opgenomen en beogen dat de raadkamer dat aanvullende klaagschrift als integrerend onderdeel van het klaagschrift van 17 augustus 2021 (alsnog) inhoudelijk beoordeelt, brengt voornoemde beslissing van de Hoge Raad mee dat de klagers in zoverre niet in hun klaagschrift van 17 augustus 2021 kunnen worden ontvangen. Voor het overige zijn de klagers in het klaagschrift van 17 augustus 2021 ontvankelijk.
6De volgorde van behandeling van de klaagschriften
De raadkamer stelt vast dat zij moet oordelen over het klaagschrift op de voet van artikel 552a Sv (10 december 2019) en over het klaagschrift op de voet van 98 lid 4 Sv (17 augustus 2021). Het beklag van 10 december 2019 kan niet (on)gegrond worden verklaard als geen beschikking van de rechter-commissaris als bedoeld in artikel 98 lid 1 Sv voorligt. De raadkamer zal voor wat betreft de klaagschriften dan ook eerst oordelen over de beschikking van de rechter-commissaris.
7Het klaagschrift tegen de beschikking van de rechter-commissaris
De rechter-commissaris heeft het klaagschrift van de klagers ongegrond verklaard.
De rechter-commissaris heeft zich bij zijn oordeel beperkt tot de doorzoekingen en inbeslagnames die in het strafrechtelijk onderzoek tegen verdachte [naam 1] hebben plaatsgevonden. De rechter-commissaris is – na een weergave van zijn overwegingen – in zijn beschikking tot het oordeel gekomen dat de klagers [klager 2] , [klager 3] , [klager 4] en [klager 5] als ouderling van de [klager 1] niet zodanig intensief betrokken zijn geweest bij het verlenen van geestelijke hulp en zorg aan verdachte [naam 1] dat zij kunnen worden aangemerkt als behorende tot de geestelijke stand tot wie een lid van de gemeente zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van het toevertrouwde moet kunnen wenden. Deze conclusie brengt naar het oordeel van de rechter-commissaris mee dat de [klager 1] zich evenmin kan beroepen op een van die ouderlingen afgeleid verschoningsrecht. Verder betekent dit volgens de rechter-commissaris dat hij geen kennis hoeft te nemen van de stukken en gegevens ten aanzien waarvan de klagers zich op hun verschoningsrecht hebben beroepen. De rechter-commissaris is van oordeel dat artikel 98 lid 1 Sv dan ook niet in de weg staat aan de inbeslagneming van de in het geding zijnde fysieke en digitale stukken.
8De standpunten
8.1
Het standpunt van de klagers
De klagers hebben zich – samengevat – op het standpunt gesteld dat het klaagschrift tegen de beschikking van de rechter-commissaris gegrond moet worden verklaard, en wel om de volgende redenen.
Ten eerste heeft de rechter-commissaris zich ten onrechte beperkt tot het strafrechtelijk onderzoek tegen verdachte [naam 1] . De klagers verzoeken de raadkamer een oordeel te geven over alle informatie met betrekking waartoe zij een beroep op hun verschoningsrecht hebben gedaan, inclusief de informatie de middels het tappen van de ouderlingen is verkregen. Indien de rechter daar geen ruimte toe ziet, schiet het wettelijke systeem tekort en verzoeken zij de raadkamer dat expliciet te overwegen.
Ten tweede heeft de rechter-commissaris miskend dat het standpunt van de verschoningsgerechtigde leidend is. Het uitgangpunt is dat ouderlingen van de [klager 1] kunnen worden aangemerkt als geestelijke bedienaren die op grond van artikel 218 Sv een beroep kunnen doen op hun verschoningsrecht. Het criterium dat de rechter-commissaris vervolgens heeft toegepast, is niet overeenkomstig de rechtspraak van het EHRM en de jurisprudentie van de Hoge Raad.
Ten derde heeft de rechter-commissaris het religieuze proces binnen de religie van de [klager 1] van het in vertrouwen belijden van zonden en de rol van de betrokken ouderlingen daarbij miskend. Het is niet zo dat als een verschoningsgerechtigde vertrouwelijke informatie deelt met personen die zelf een (afgeleid) verschoningsrecht hebben, dan wel niet-verschoningsgerechtigden, de geheimhouder zijn/haar verschoningsrecht volledig kwijt is. Bovendien is relevant dat de zondaar ervan op de hoogte is wat de procedure is ingeval van een religieus rechterlijk comité. De vertrouwelijkheid waar het de klagers om gaat is de vertrouwelijkheid buiten de [klager 1] , met name waar de overheid of derden met dwangmiddelen kennis wensen te nemen van dergelijke informatie. Dit is waar artikel 218 Sv primair bescherming tegen biedt. De geestelijke zorg die ouderlingen verlenen aan een zondaar staat niet op zichzelf, maar is een onderdeel van de geestelijke zorg die de ouderlingen verlenen aan leden van de [klager 1] . Hierdoor ontstaat een vertrouwensband.
Beoordeling
9.1
Het wettelijk kader
Bij de beoordeling van het klaagschrift tegen de beschikking van de rechter-commissaris zijn in dit stadium de volgende wettelijke bepalingen van belang:
- artikel 98 Sv:
“1. Bij personen met bevoegdheid tot verschooning, als bedoeld bij de artikelen 218 en 218a, worden, tenzij met hunne toestemming, niet in beslag genomen brieven of andere geschriften, tot welke hun plicht tot geheimhouding zich uitstrekt. De rechter-commissaris is bevoegd ter zake te beslissen.
2. Indien de persoon met bevoegdheid tot verschoning bezwaar maakt tegen de inbeslagneming van brieven of andere geschriften omdat zijn plicht tot geheimhouding zich daartoe uitstrekt, wordt niet tot kennisneming overgegaan dan nadat de rechter-commissaris daarover heeft bepaald.
3. De rechter-commissaris die beslist dat inbeslagneming is toegestaan, deelt de persoon met bevoegdheid tot verschoning mede dat tegen zijn beslissing beklag open staat bij het gerecht in feitelijke aanleg waarvoor de zaak wordt vervolgd en tevens dat niet tot kennisneming wordt overgegaan dan nadat onherroepelijk over het beklag is beslist.
4. Tegen de beschikking van de rechter-commissaris kan de persoon met bevoegdheid tot verschoning binnen veertien dagen na de betekening daarvan een klaagschrift indienen bij het gerecht in feitelijke aanleg waarvoor de zaak wordt vervolgd. Artikel 552a is van toepassing.
5. Een doorzoeking vindt bij zodanige personen, tenzij met hun toestemming, alleen plaats voor zover het zonder schending van het stands-, beroeps- of ambtsgeheim kan geschieden, en strekt zich niet uit tot andere brieven of geschriften dan die welke het voorwerp van het strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan gediend hebben.
6. De rechter-commissaris kan zich bij de beoordeling van de aannemelijkheid van het beroep van de verschoningsgerechtigde op zijn geheimhoudingsplicht laten voorlichten door een vertegenwoordiger van de beroepsgroep waartoe de verschoningsgerechtigde behoort.”
- artikel 218 Sv:
“Van het geven van getuigenis of van het beantwoorden van bepaalde vragen kunnen zich ook verschoonen zij die uit hoofde van hun stand, hun beroep of hun ambt tot geheimhouding verplicht zijn, doch alleen omtrent hetgeen waarvan de wetenschap aan hen als zoodanig is toevertrouwd.”
9.2
De beschikking van de Hoge Raad
De raadkamer neemt de hieronder aangehaalde rechtsoverwegingen van de Hoge Raad in zijn beschikking van 19 januari 2021 als uitgangspunt:
“6.2.1 Artikel 218 Sv heeft het oog op personen tot wier taak het behoort aan anderen hulp te verlenen maar die deze taak slechts dan naar behoren kunnen vervullen indien zij zich kunnen verschonen ten aanzien van geheimen welke hun zijn toevertrouwd door hulpzoekenden die zonder zekerheid van geheimhouding tegenover justitie aan deze beroepsbeoefenaren geen hulp zouden vragen.
Aan het verschoningsrecht ligt ten grondslag dat het maatschappelijk belang dat de waarheid in rechte aan het licht komt, moet wijken voor het maatschappelijk belang dat een ieder zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van het toevertrouwde om bijstand en advies tot de verschoningsgerechtigde moet kunnen wenden.
Tot de beroepsbeoefenaren die op grond van artikel 218 Sv een verschoningsrecht hebben, behoren de arts, de advocaat en de notaris. Ook de geestelijke stand komt dat verschoningsrecht toe.
Het verschoningsrecht geldt daarbij voor wetenschap die hun als zodanig is toevertrouwd.
6.2.2
Op grond van artikel 98 Sv mogen bij personen met een bevoegdheid tot verschoning als bedoeld in artikel 218 Sv zonder hun toestemming brieven of andere geschriften tot welke hun plicht tot geheimhouding zich uitstrekt, niet in beslag worden genomen. Wel mogen, zoals volgt uit artikel 98 lid 5 Sv, zonder hun toestemming in beslag worden genomen brieven of geschriften die voorwerp van het strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan hebben gediend, nu dergelijke brieven of geschriften geen object zijn van de aan bedoelde personen toekomende bevoegdheid tot verschoning.
Wanneer de verschoningsgerechtigde zich op het standpunt stelt dat het gaat om brieven of geschriften die geen voorwerp van het strafbare feit uitmaken en evenmin tot het begaan daarvan hebben gediend en waarvan kennisneming zou leiden tot schending van het beroepsgeheim, dient dit standpunt door de organen van politie en justitie te worden geëerbiedigd, tenzij redelijkerwijze geen twijfel erover kan bestaan dat dit standpunt onjuist is.
6.2.3
Op grond van artikel 98 lid 1 Sv is het eerst aan de rechter-commissaris om te beslissen over het beroep op het verschoningsrecht dat is gedaan ten aanzien van stukken dan wel gegevens die zijn opgeslagen op gegevensdragers.
Indien de rechtbank bij de behandeling van een op grond van artikel 552a Sv ingediend klaagschrift vaststelt dat de klager met betrekking tot inbeslaggenomen stukken of vastgelegde gegevens zich op zijn verschoningsrecht heeft beroepen en dat de rechter-commissaris daarover (nog) niet heeft beslist, dient zij de behandeling van het klaagschrift aan te houden en de zaak in handen van de rechter-commissaris te stellen teneinde een beschikking te geven als bedoeld in artikel 98 lid 1 Sv.
”
Naar het oordeel van de Hoge Raad kunnen zich situaties voordoen waarin een ouderling van de [klager 1] verschoningsgerechtigd is. Een ouderling van de [klager 1] kan in uitzonderlijke gevallen zodanig intensief betrokken zijn bij het verlenen van geestelijke hulp en zorg aan gemeenteleden dat hij in die hoedanigheid kan worden aangemerkt als behorende tot de geestelijke stand tot wie een lid van de gemeente zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van het toevertrouwde moet kunnen wenden. Gegeven dit oordeel en gelet op de vaststelling dat de klagers met betrekking tot inbeslaggenomen stukken en vastgelegde gegevens zich op hun verschoningsrecht hebben beroepen, moet de rechter-commissaris – vóórdat het klaagschrift op grond van artikel 552a Sv (on)gegrond kan worden verklaard – een beschikking geven als bedoeld in artikel 98 lid 1 Sv. De enkele omstandigheid dat een ouderling al dan niet lid was van het rechterlijk comité dat is gevormd naar aanleiding van verdenkingen van seksueel misbruik, sluit volgens de Hoge Raad niet uit dat de in het klaagschrift bedoelde stukken en vastgelegde gegevens object kunnen zijn van het (afgeleide) verschoningsrecht van de klagers als zich een uitzonderlijk geval voordoet waarbij een ouderling van de [klager 1] zodanig intensief betrokken is bij het verlenen van geestelijke hulp en zorg aan een gemeentelid dat hij in die hoedanigheid kan worden aangemerkt als behorende tot de geestelijke stand tot wie een lid van de gemeente zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van het toevertrouwde moet kunnen wenden.
9.3
Overwegingen
De klagers [klager 2] , [klager 3] , [klager 4] en [klager 5] waren ten tijde van de doorzoekingen ouderling van de [klager 1] . In het licht van wat onder 9.1 en 9.2 is overwogen betekent dit dat aan (één van) de klager(s) een (afgeleid) verschoningsrecht kan toekomen. De bij de doorzoekingen van de woningen van de klagers, de [locatie] en [locatie] op 19 november 2018 door de officier van justitie en/of de rechter-commissaris inbeslaggenomen stukken en vastgelegde gegevens kunnen dus (deels) object zijn van het (afgeleide) verschoningsrecht van (één van) de klager(s).
Dit brengt mee dat de rechter-commissaris in volle omvang het beroep van de klagers op hun mogelijke verschoningsrecht moet beoordelen. Dit betekent dat de rechter-commissaris in dit geval (van de aard en/of inhoud) van de inbeslaggenomen stukken en vastgelegde gegevens kennis moet nemen, en op grond van de aard en/of de inhoud van de stukken en vastgelegde gegevens de vraag moet beantwoorden of deze stukken of vastgelegde gegevens wel of niet onder het mogelijke (afgeleide) verschoningsrecht van klagers vallen, en zo ja of dit recht kan worden doorbroken.
De raadkamer leest en verstaat de beschikking van de rechter-commissaris aldus dat de rechter-commissaris het door de klagers gedane beroep op het (afgeleide) verschoningsrecht in zijn algemeenheid heeft beoordeeld. De rechter-commissaris heeft immers gemotiveerd geconcludeerd dat de klagers geen (afgeleid) verschoningsrecht toekomt, omdat de ouderlingen [klager 2] , [klager 3] , [klager 4] en [klager 5] niet zodanig intensief betrokken zijn geweest bij het verlenen van geestelijke hulp en zorg aan verdachte [naam 1] dat zij kunnen worden aangemerkt als behorende tot de geestelijke stand tot wie een lid van de gemeente zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van het toevertrouwde moet kunnen wenden. De rechter-commissaris heeft het vervolgens niet noodzakelijk geacht om kennis te nemen van de stukken en gegevens ten aanzien waarvan de klagers zich op hun verschoningsrecht hebben beroepen.
De raadkamer is evenwel van oordeel dat de rechter-commissaris hiermee voorbij is gegaan aan de mogelijkheid dat de in de woningen van de klagers, de [locatie] en [locatie] inbeslaggenomen stukken en vastgelegde gegevens (deels) object kunnen zijn van een eventueel aan (één van) de klager(s) toekomend (afgeleid) verschoningsrecht. Immers, enkel nadat de rechter-commissaris heeft kennisgenomen van de inbeslaggenomen stukken en gegevens kan worden vastgesteld in hoeverre deze stukken en gegevens vallen onder het mogelijke verschoningsrecht dat de klagers hebben, bij welke vaststelling mede een rol kan spelen of de (betreffende) klager(s) als ouderling deel uitmaakte(n) van het rechterlijk comité dat is gevormd naar aanleiding van verdenkingen van seksueel misbruik.
Nu niet volgens het wettelijk systeem onderzoek is gedaan naar de aard en/of de inhoud van alle op 19 november 2018 onder de klagers inbeslaggenomen stukken en vastgelegde gegevens, is naar het oordeel van de raadkamer onvoldoende onderzocht of een ouderling van de [klager 1] , ook wanneer hij deel uitmaakte van het hiervoor genoemde rechterlijk comité, ten aanzien van één of meer van deze stukken of gegevens een verschoningsrecht kan toekomen.
De raadkamer is dan ook van oordeel dat de rechter-commissaris niet heeft gedaan waartoe hij op de voet van artikel 98 Sv gehouden was, namelijk het doen van concrete vaststellingen, zo nodig per stuk of categorie van stukken en vastgelegde gegevens, omtrent de aard en inhoud van de inbeslaggenomen stukken en vastgelegde gegevens en hoe die aard en inhoud zich verhouden tot enig wel of niet geldig beroep op het verschoningsrecht van de individuele klagers. De raadkamer komt dus tot de conclusie dat het onderzoek van de rechter-commissaris ontoereikend is geweest. Het klaagschrift van 17 augustus 2021 (artikel 98 lid 4 Sv) is in zoverre gegrond. Dit leidt echter in dit stadium niet tot een (eind)oordeel (gegrond of ongegrond) over het oorspronkelijke klaagschrift van 10 december 2019 (artikel 552a Sv), omdat nader onderzoek nodig is om de vraag te kunnen beantwoorden of ten aanzien van de inbeslaggenomen stukken en vastgelegde gegevens een verschoningsrecht geldt.
10Heropening onderzoek
Artikel 448 lid 1 Sv luidt: ‘De rechtbank, het gerechtshof of de Hooge Raad zullen het beroep of het bezwaarschrift afwijzen, of bevelen hetgeen overeenkomstig de bepalingen der wet behoort of had behooren te geschieden’. De raadkamer is van oordeel dat de wet haar, gelet op de inhoud van artikel 448 lid 1 Sv, de ruimte biedt om de zaak (wederom) in handen te stellen van de rechter-commissaris om (volledig) op grond van artikel 98 lid 1 Sv te beslissen.
De raadkamer zal om die reden het onderzoek heropenen en de zaak naar de rechter-commissaris verwijzen om op de voet van artikel 98 lid 1 Sv (volledig), met concrete vaststellingen, te beslissen over het door de klagers gedane beroep op het (afgeleide) verschoningsrecht met betrekking tot alle onder de klagers op 19 november 2018 inbeslaggenomen stukken en vastgelegde gegevens.
11Aanhouding iedere (verdere) beslissing
Zoals hierboven overwogen verwijst de raadkamer de zaak naar de rechter-commissaris om op de voet van artikel 98 lid 1 Sv (volledig) te beslissen. Gelet op wat hiervoor onder punt 9 en 10 is overwogen, zal de raadkamer om proceseconomische redenen – in afwachting van de beschikking van de rechter-commissaris – iedere (verdere) beslissing aanhouden, waaronder die tot niet-ontvankelijkverklaring van de klagers in het aanvullende klaagschrift van 16 maart 2020, op zichzelf en als integrerend onderdeel van het klaagschrift van 17 augustus 2021, een en ander zoals hiervoor onder punt 5 is overwogen. De raadkamer geeft de rechter-commissaris met het oog op de hierna genoemde datum van hervatting van het onderzoek in overweging zijn of haar beschikking zodanig tijdig af te geven, dat de klagers en het Openbaar Ministerie nadien drie weken de gelegenheid hebben hun (nadere) standpunt naar aanleiding van die beschikking aan de raadkamer kenbaar te maken.
Dictum
De raadkamer:
heropent het onderzoek;
schorst het onderzoek in het belang van het onderzoek en beveelt de hervatting van het onderzoek op de raadkamerzitting van 30 maart 2022 om 15:00 uur;
verwijst de zaak naar de rechter-commissaris voor zover het betreft het klaagschrift van 17 augustus 2021 tegen de beschikking van de rechter-commissaris van 15 juli 2021 tot afwijzing van het beroep van de klagers op een (afgeleid) verschoningsrecht om op de voet van artikel 98 lid 1 Sv en met inachtneming van hetgeen hiervoor onder 9.3 is overwogen te beslissen over het door de klagers gedane beroep op het (afgeleide) verschoningsrecht met betrekking tot alle onder de klagers op 19 november 2018 inbeslaggenomen stukken en vastgelegde gegevens;
stelt de stukken daartoe in handen van de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank;
houdt iedere (verdere) beslissing aan;
beveelt de oproeping van de klagers, met afschrift daarvan aan de raadslieden, om op de genoemde raadkamerzitting te verschijnen.
Deze tussenbeschikking is gegeven door mr. A. van Holten, voorzitter, mr. H. Manuel en
mr. A.S. Metgod, rechters, in tegenwoordigheid van N. Klunder, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de terechtzitting van 10 december 2021.
De jongste rechter is buiten staat deze tussenbeschikking mede te ondertekenen.
Rb. Overijssel 8 mei 2020, ECLI:NL:RBOVE:2020:1694, onder 7.
HR 19 januari 2021, ECLI:NL:HR:2021:68, onder 8.
HR 19 januari 2021, ECLI:NL:HR:2021:68, onder 6.3.3.
HR 19 januari 2021, ECLI:NL:HR:2021:68, onder 6.2.1 tot en met 6.3.3.
vgl. HR 25 oktober 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4685.
vgl. HR 1 maart 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC9066.
vgl. Kamerstukken II 1913/14, 286, nr. 3, p. 90, 93, 94, Kamerstukken II 1917/18, 77, nr. 1, p. 48 en HR 14 december 1948, ECLI:NL:HR:1948:83, NJ 1949/95.
HR 19 januari 2021, ECLI:NL:HR:2021:68, onder 6.2.1.
vgl. HR 22 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2783.
vgl. HR 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1960, r.o. 4.2.3.
vgl. HR 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1960 en HR 10 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:553.
HR 19 januari 2021, ECLI:NL:HR:2021:68, onder 6.3.2.
HR 19 januari 2021, ECLI:NL:HR:2021:68, onder 6.3.3.