Rechtspraak
Rechtbank Overijssel
2021-11-11
ECLI:NL:RBOVE:2021:4240
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,498 tokens
Inleiding
RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 20/2020
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
T [eiseres] , te [woonplaats] , eiseres,
gemachtigde: mr. A. Faber-Speksnijder,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, verweerder,
gemachtigde: E.H. van den Brink.
Procesverloop
In het besluit van 19 maart 2020 (primair besluit) heeft verweerder eiseres per 19 maart 2020 voor 66,64% arbeidsongeschikt geacht. De loonaanvullingsuitkering is niet gewijzigd.
In het besluit van 7 september 2020 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 29 september 2021 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen met haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door
zijn gemachtigde.
Overwegingen
Feiten
1.1
Eiseres heeft gewerkt als managementassistente bij Alliander N.V. voor gemiddeld 37,93 uur per week. Zij heeft zich op 3 september 2013 ziek gemeld in verband met vermoeidheid en psychische klachten. Verweerder heeft aan de ex-werkgever van eiseres een loondoorbetalingsverplichting van 52 weken opgelegd. Vervolgens heeft verweerder aan eiseres sinds 30 augustus 2016 een WGA-uitkering toegekend op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80-100%. Verweerder heeft de loongerelateerde uitkering op 30 januari 2018 omgezet naar een loonaanvullingsuitkering.
1.2
Na een verzoek om herbeoordeling van de ex-werkgever heeft verweerder in het besluit van 29 augustus 2019 het arbeidsongeschiktheidspercentage van 80-100% gehandhaafd. Een bezwaar van de werkgever hiertegen is ongegrond verklaard.
1.3
Op 24 oktober 2019 heeft de ex-werkgever opnieuw gevraagd om een heronderzoek. Vervolgens heeft medisch en arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden, wat heeft geleid
tot de besluitvorming, zoals vermeld onder ‘Procesverloop’.
Standpunten van partijen
2.1
Verweerder heeft vastgesteld dat eiseres 66,64% arbeidsongeschikt is. Dit besluit is gebaseerd op medisch onderzoek en een functionele mogelijkhedenlijst (FML) van
18 februari 2020. Hierin is onder meer een urenbeperking aangenomen van gemiddeld 6 uur per dag en 30 uur per week. Na arbeidsdeskundig onderzoek heeft verweerder een aantal functies geselecteerd die eiseres met haar beperkingen kan verrichten.
2.2
Eiseres stelt dat tijdens de bezwaarprocedure ten onrechte geen hoorzitting heeft plaatsgevonden, waardoor het onderzoek van de verzekeringsarts bezwaar en beroep summier en onvoldoende is geweest.
Eiseres is voorts van mening dat zij maximaal 10 tot 12 uur per week kan werken. Zij heeft dit in het aanvullend beroep van 11 september 2021 onderbouwd met medische informatie van de vermoeidheidskliniek waar zij onder behandeling is.
Beoordeling
Zorgvuldigheid medisch onderzoek, de procedure
3. Eerst gaat de rechtbank na of het medisch onderzoek qua procedure zorgvuldig is geweest.
3.1
De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft in zijn uitspraak van 23 juni jl., (ECLI:NL:CRVB:2021:1491) overwogen dat aan een onderzoek door een niet als verzekeringsarts geregistreerde arts niet dezelfde waarde kan worden toegekend als aan een onderzoek door een geregistreerde verzekeringsarts. Registratie als verzekeringsarts staat in beginsel borg voor een zekere kwaliteit. Zolang registratie als verzekeringsarts nog niet heeft plaatsgevonden kan er in beginsel niet van worden uitgegaan dat het onderzoek van de (nog) niet als verzekeringsarts geregistreerde arts diezelfde kwaliteit bezit (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 18 juli 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA9904).
De CRvB heeft voor de fase van de primaire besluitvorming echter aanvaard dat er geen aanleiding is om een rapport van een niet als verzekeringsarts geregistreerde arts als onzorgvuldig aan te merken, indien een verzekeringsarts in zijn hoedanigheid van mentor/begeleider dit rapport met zijn handtekening voor zijn rekening heeft genomen (zie de uitspraak van de CRvB van 14 december 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BC0360).
Voorts heeft de CRvB in zijn uitspraak van 15 januari 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:39) de situatie waarin een geregistreerde verzekeringsarts een rapport beoordeelt van een niet als verzekeringsarts geregistreerde arts, opgemaakt na spreekuuronderzoek door deze niet als verzekeringsarts geregistreerde arts, en waarbij de geregistreerde verzekeringsarts de beschikking heeft over het gehele dossier en het rapport vervolgens medeondertekent, geheel in lijn geacht met de in de uitspraak van 14 december 2007 als voldoende zorgvuldig geoordeelde handelwijze.
3.2
Vervolgens heeft de CRvB in de uitspraak van 23 juni 2021 overwogen dat in de bezwaarfase een volledige heroverweging dient plaats te vinden, waarbij de feiten juist worden vastgesteld en de conclusies logisch uit die feiten voortvloeien. Daarom zal, indien de medische grondslag van de besluitvorming wordt betwist, in deze fase van de procedure een louter dossieronderzoek als regel niet volstaan (zie ook de uitspraak van de CRvB van 22 oktober 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BG1543). De zorgvuldigheid van de besluit-vorming in bezwaar brengt verder met zich dat in situaties waarin de medische grondslag van het primaire besluit gemotiveerd wordt betwist en waarin in de primaire fase geen sprake is geweest van een spreekuurcontact met een geregistreerde verzekeringsarts, als uitgangspunt geldt dat in de fase van bezwaar de betrokkene door een verzekeringsarts bezwaar en beroep tijdens een spreekuurcontact wordt onderzocht en er dus feitelijk sprake is van een contact met deze verzekeringsarts. Van een spreekuurcontact kan in zo’n situatie in beginsel slechts worden afgezien indien de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende kan motiveren dat in het licht van de aard van de klachten en de beschikbare medische informatie, een spreekuurcontact geen toegevoegde waarde heeft. Dit betekent tevens dat het toetsen en akkoord bevinden van de medische heroverweging door medeondertekening door een geregistreerde verzekeringsarts bezwaar en beroep, niet volstaat als deze toets beperkt blijft tot de vraag of de inhoud logisch en consistent is (zie de uitspraak van de CRvB van 13 december 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:4018), als deze slechts geschiedt op hoofdlijnen of als door de geregistreerde verzekeringsarts bezwaar en beroep slechts wordt bezien of deze tot de eerder getrokken conclusies zou hebben kunnen komen.
De rechtbank verwijst ook naar de uitspraak van de CRvB van 22 juli 2021 (ECLI:NL:CRVB:2021:1836). In die uitspraak is sprake van een arts, die ten tijde van
de primaire beoordeling niet als verzekeringsarts geregistreerd stond. Het primaire verzekeringsgeneeskundige rapport is beoordeeld en digitaal gecontrasigneerd door een verzekeringsarts. In de fase van bezwaar heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep volstaan met dossieronderzoek. De CRvB heeft in die situatie geoordeeld dat het medisch onderzoek niet met de vereiste zorgvuldigheid is verricht.
3.3
Toepassing van de genoemde uitgangspunten leidt volgens de rechtbank tot het oordeel dat het medisch onderzoek ook in dit geval in de bezwaarfase niet met de vereiste zorgvuldigheid is geschied. Het sociaal medisch onderzoek van 18 februari 2020 is uitgevoerd door een arts. De arts heeft eiseres gesproken en psychisch onderzocht. Een verzekeringsarts heeft het rapport getoetst en akkoord bevonden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de heroverweging uitgevoerd op basis van het dossier. Er is geen spreekuurcontact bij de verzekeringsarts bezwaar en beroep geweest. Een motivering daarvoor is in het rapport van 2 september 2020 niet gegeven.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat het medisch onderzoek om procedurele redenen onzorgvuldig is.
Zorgvuldigheid medisch onderzoek, inhoudelijk
4. Ook inhoudelijk kan de rechtbank de medische beoordeling van verweerder niet volgen. Niet in geschil is dat eiseres lijdt aan het chronisch vermoeidheidssyndroom (CVS). Volgens verweerder geldt voor haar een urenbeperking van gemiddeld 6 uur per dag en
30 uur per week.
De rechtbank vindt de onderbouwing van de arts hiervoor niet overtuigend. De rechtbank licht dit als volgt toe.
4.1
De primaire arts motiveert de urenbeperking met het feit dat eiseres in staat is om
als alleenstaande ouder haar gehele huishouden en pasgeboren kindje te verzorgen. Dit argument vindt de rechtbank niet overtuigend, omdat de arts ook meldt dat dit duidelijk meer energie kost.
Daarnaast beargumenteert de arts de urenbeperking met het feit dat het eiseres lukt om diverse sociale activiteiten te ondernemen. Ook dit aspect kan de rechtbank niet overtuigen, omdat de arts daarbij ook opmerkt dat eiseres niet te veel op één dag moet doen.
De primaire arts vindt het ook van belang dat eiseres in het revalidatietraject in staat bleek om meerdere maanden ca. 24 uur per week te werken en dat bij een deskundigenoordeel van 26 februari 2016 geen duurbelastbaarheidsbeperking werd afgegeven, ook al was dit ten tijde van de psychische decompensatie. De rechtbank wijst erop dat hier de situatie op datum in geding, 19 maart 2020, van belang is. Ook dit argument kan de rechtbank daarom niet overtuigen.
4.2
Daarbij vindt de rechtbank voorts het volgende van belang.
De primaire arts heeft in zijn rapport van 18 februari 2020 verwezen naar het verzekeringsgeneeskundig protocol “Chronisch vermoeidheidssyndroom”. Volgens dit protocol is CVS een aandoening die per definitie het functioneren ernstig beperkt. Hierbij dient rekening gehouden te worden met grote individuele verschillen.
Bij CVS is er een vertraagd herstel na inspanning dat kan leiden tot een toegenomen behoefte aan recuperatiemomenten, hetgeen volgens de arts bij eiseres de hoofdklacht is.
Voor CVS-patiënten is het volgens het protocol o.a. van belang rekening te houden met de werktijden.
Conclusie
6. Gelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiseres per 19 maart 2020 voor 66,64% arbeidsongeschikt is.
Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met
de artikelen 3:2, 7:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb. Bij de nieuwe besluitvorming dient verweerder:
- eiseres te laten onderzoeken door een verzekeringsarts bezwaar en beroep;
- bij de beoordeling in ieder geval de informatie van de vermoeidheidskliniek te betrekken;
- eiseres in de gelegenheid te stellen haar standpunt mondeling toe te lichten en
- de door eiseres naar voren gebrachte informatie bij de heroverweging te betrekken.
De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Ook past de rechtbank niet een bestuurlijke lus toe, omdat te verwachten is dat het onderzoek dat nodig is om de gebreken te herstellen zeer lang zal duren en te onzeker is wanneer dat kan worden afgerond. Verweerder moet daarom een nieuw besluit nemen en rekening houden met deze uitspraak.
7. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoeden.
8. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen.
De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 748,- en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 748,-), bij een wegingsfactor 1. Toegekend wordt € 1.496,-.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 48,- aan eiseres te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.496,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Oosterveld, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.A.H. Beenen-Oskam, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
De uitspraak wordt openbaar gemaakt op de eerstvolgende donderdag na deze datum.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.