Rechtspraak Rechtbank Overijssel 2017-10-02
ECLI:NL:RBOVE:2017:5290
Rechtbank Overijssel Afdeling Strafrecht Meervoudige economische kamer voor strafzaken Zittingsplaats Almelo Parketnummer: 08/994554-16 (P) Datum vonnis: 2 oktober 2017 Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen: [verdachte] B.V., gevestigd te [adres] . 1 Het onderzoek op de terechtzitting Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 23 januari 2017, 4 september 2017 en 18 september 2017. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. S. Buist en van hetgeen namens verdachte en door de raadslieden mr. M. de Waard en R. van Saane, advocaten te Amsterdam, naar voren is gebracht. 2 De tenlastelegging Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat: verdachte op of omstreeks 11 december 2013, althans in of omstreeks de maand december 2013, in de gemeente Nijmegen, als degene die aan of nabij de [adres] te Nijmegen een inrichting dreef waarin krachtens de vigerende milieuvergunning van Gedeputeerde Staten van Gelderland d.d. 22 april 2004 een zodanige hoeveelheid aan gevaarlijke stoffen aanwezig mocht zijn dat het 'Besluit risico's zware ongevallen 1999' van toepassing was, al dan niet opzettelijk, niet alle maatregelen heeft getroffen die nodig waren om zware ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan voor mens en milieu te beperken, immers waren er geen, althans onvoldoende maatregelen getroffen met betrekking tot: - het aanzetten, inschakelen en in werking houden van het/een beveiligingssysteem tegen te hoge druk in het gascabinet c.q. spoelgasleidingsysteem, en/of - het volledig en juist instellen van de monitoring van het gassysteem (waarbij de registratie van de druk niet afgekapt werd op 9 bar), en/of - het met (voldoende) deskundigheid systematisch identificeren en/of beoordelen van het gevaar van terugstromen van het gevaarlijke procesgas silaan naar het spoelgassysteem in de/een uitgevoerde veiligheidsstudie, waardoor, althans (mede) ten gevolge waarvan bij het uitvoeren van onderhoudswerkzaamheden aan of bij een spoel(gas)leidingsysteem de gevaarlijke stof silaan in aanraking kwam met de buitenlucht en een explosieve verbranding zich voordeed waarbij de monteur dhr. [slachtoffer] ernstig gewond raakte (gescheurde trommelvliezen aan beide oren en/of problemen met het zicht in beide ogen en/of 2e tot 3e graad brandwonden aan de bovenbenen). 3 De voorvragen De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 4. De bewijsoverwegingen 4.1 Inleiding Op de locatie [adres] in Nijmegen, waar verdachte is gevestigd, worden ‘wafers’ geproduceerd. Vanuit meerdere gascabinetten wordt silaan naar de ‘Tools’ getransporteerd ten behoeve van deze productie. In ieder gascabinet staan twee gasflessen met silaan. Wanneer de ene gasfles leeg is, wordt automatisch overgeschakeld naar de tweede fles. Silaan reageert explosief met zuurstof. Alvorens kan worden overgeschakeld naar een tweede fles met silaan, worden de leidingen schoongespoeld (“purgen”) met een mengsel van stikstof en heliumgas om alle zuurstof uit de leidingen te krijgen (spoelgasleidingsysteem). Tijdens onderhoudswerkzaamheden heeft [slachtoffer] , die in dienst was van [bedrijf] , op 11 december 2013 de handafsluiter MV12 dichtgedraaid en de wartel opengedraaid. [slachtoffer] constateerde dat de druk te hoog was en heeft de wartel gesloten. Er was al silaan ontsnapt, dit is in aanraking gekomen met zuurstof en er is een explosieve reactie ontstaan. [slachtoffer] heeft hierdoor diverse verwondingen opgelopen. Het leidingwerk van het spoelgasleidingsysteem is via afsluiter V-4 verbonden met het procesgasleidingsysteem. De V-4 dient gesloten te zijn, tenzij het leidingnetwerk wordt doorgespoeld met purgegas. Uit onderzoek is gebleken dat in de afsluiter V-4 en in de terugslagkleppen C 4.4 Het oordeel van de rechtbank 1e gedachtestreepje De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte het eerste gedachtestreepje van het tenlastegelegde feit heeft begaan. De rechtbank overweegt daartoe het volgende. [verdachte] is een inrichting waarin krachtens de vergunning Wet milieubeheer gevaarlijke stoffen aanwezig mogen zijn. Door de krachtens deze vergunning toegestane hoeveelheden gevaarlijke stoffen, valt verdachte onder de werkingssfeer van het Brzo (https://www.navigator.nl/document/openCitation/%20id9b99b65eb6dca73096647bc4c116dedc) 1999. De vennootschap erkent dit ook. Op grond van artikel 5, eerste lid (https://www.navigator.nl/document/openCitation/%20id68a8c8d05f16710afc43805978f9419e), van het Brzo 1999 is degene die een inrichting drijft gehouden alle maatregelen te treffen die nodig zijn om zware ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan voor mens en milieu te beperken. Op de houder van de inrichting rust dus een algemene zorgplicht die inhoudt dat hij alle nodige maatregelen moet nemen om zware ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan voor mens en milieu te beperken. Het preventiebeleid moet zijn afgestemd op de risico's van zware ongevallen die de inrichting veroorzaakt. Om dit beleid te kunnen voeren, dient de inrichting over een passende organisatorische structuur en over een adequaat veiligheidsbeheerssysteem te beschikken. De vraag die centraal staat is of [verdachte] alle noodzakelijke maatregelen heeft getroffen ter zake het aanzetten, inschakelen en in werking houden van het beveiligingssysteem tegen te hoge druk in het gascabinet c.q. spoelgasleidingsysteem. Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat vaststaat dat de shutdown-functie van de PT-8 drukopnemer ten tijde van het incident op 11 december 2013 niet was ingeschakeld waardoor het - aangezien de V4-afsluiter en de terugslagkleppen niet volledig afsloten - mogelijk werd dat silaan in aanraking kon komen met zuurstof en waardoor er een ontploffing heeft plaatsgevonden ten gevolge waarvan een persoon ernstig gewond is geraakt. Vaststaat zodoende dat het beveiligingssysteem tegen te hoge druk niet in werking was gehouden. Zowel medewerkers van [verdachte] als medewerkers van [bedrijf] hadden de beschikking over het wachtwoord dat toegang gaf tot het systeem om deze functie aan/uit te zetten. Niet is komen vast te staan wie de shutdown-functie van de PT-8 heeft uitgeschakeld. Op een terrein van een bedrijf waar met gevaarlijke stoffen wordt gewerkt, zoals dat van [verdachte] , is altijd gevaar te duchten voor de veiligheid en/of de gezondheid van personen. Dat geldt temeer als - zoals binnen de inrichting van verdachte - door personeel van een ander bedrijf (i.c. [bedrijf] ) werkzaamheden aan de installaties worden verricht. Op [verdachte] rustte de verplichting om te controleren of de veiligheidsvoorschriften en – waarborgen die aanwezig waren, ook daadwerkelijk werden nageleefd. Daaronder valt ook het controleren of de PT-8 drukopnemer op de shutdown-functie stond. Door onvoldoende controle kon de situatie ontstaan dat de shutdown-functie van de PT-8 drukopnemer niet was ingeschakeld, met alle gevolgen van dien. Verdachte is naar het oordeel van de rechtbank tekort geschoten op het gebied van de te nemen voorzorgsmaatregelen en de te stellen eisen van veiligheid, nu reeds op grond van de aard van het ongeval niet anders geconstateerd kan worden dan dat niet alle noodzakelijke maatregelen zijn genomen zoals deze conform artikel 5 Brzo 1999 van verdachte als normadressaat konden worden verlangd. Dat verdachte heeft getracht zo goed mogelijk invulling te geven aan deze zorgplicht, door de van haar te vergen maatregelen uit te besteden aan het ter zake deskundige bedrijf [bedrijf] , doet in het kader van haar aansprakelijkheid op grond van de tenlastegelegde overtreding niet af. Van een situatie waarin [verdachte] zou moeten worden geacht alle in redelijkheid van haar 4.5 De bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van de in de bijlage genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat: verdachte op 11 december 2013, in de gemeente Nijmegen, als degene die aan de [adres] te Nijmegen een inrichting dreef waarin krachtens de vigerende milieuvergunning van Gedeputeerde Staten van Gelderland d.d. 22 april 2004 een zodanige hoeveelheid aan gevaarlijke stoffen aanwezig mocht zijn dat het 'Besluit risico's zware ongevallen 1999' van toepassing was, niet alle maatregelen heeft getroffen die nodig waren om zware ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan voor mens en milieu te beperken, immers waren er onvoldoende maatregelen getroffen met betrekking tot het in werking houden van een beveiligingssysteem tegen te hoge druk in het gascabinet c.q. spoelgasleidingsysteem, waardoor, althans mede ten gevolge waarvan bij het uitvoeren van onderhoudswerkzaamheden aan of bij een spoel(gas)leidingsysteem de gevaarlijke stof silaan in aanraking kwam met de buitenlucht en een explosieve verbranding zich voordeed waarbij de monteur [slachtoffer] ernstig gewond raakte (gescheurde trommelvliezen aan beide oren en problemen met het zicht in beide ogen en 2e tot 3e graad brandwonden aan de bovenbenen). De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in haar verdediging geschaad. De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij haar daarvan zal vrijspreken. 5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde De rechtbank ziet zich thans gesteld voor de vraag of het bewezenverklaarde een strafbaar feit oplevert. De rechtbank stelt in dat verband het volgende vast. De tenlastelegging is toegespitst op de tekst van artikel 5 lid 1 Besluit risico’s zware ongevallen 1999 die luidt: “Degene die een inrichting drijft, treft alle maatregelen die nodig zijn om zware ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan voor mens en milieu te beperken.” Uit de artikelen genoemd in de tenlastelegging alsmede uit de inhoud van de processen-verbaal in het dossier, maakt de rechtbank op dat het Openbaar Ministerie heeft bedoeld [verdachte] te vervolgen voor overtreding van artikel 5 Brzo 1999 in samenhang met artikel 6 van de Arbeidsomstandighedenwet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft overtreding van artikel 5 Brzo in samenhang met artikel 6 van de Arbeidsomstandighedenwet te gelden als een economisch delict. Artikel 6 van de Arbeidsomstandighedenwet bepaalt: “Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot: o a. de categorieën van bedrijven, inrichtingen of delen daarvan ten aanzien waarvan de werkgever die maatregelen neemt; o b. de gegevens die de werkgever met betrekking tot de bedrijven, inrichtingen of delen daarvan, bedoeld onder a, op schrift stelt of verstrekt aan de toezichthouder of aan de werknemers en de andere deskundige personen, bedoeld in artikel 13, eerste tot en met derde lid, de personen, bedoeld in artikel 14, eerste lid en de arbodienst; o c. de maatregelen die de werkgever neemt ten aanzien van de bedrijven, inrichtingen of delen daarvan, bedoeld onder a; o d. het tijdstip waarop en de frequentie waarmee wordt voldaan aan de verplichtingen, bedoeld onder b en c o e. een verbod op de exploitatie van het bedrijf, de inrichting of een deel daarvan, indien niet of niet voldoende is voldaan aan een of meer verplichtingen krachtens dit artikel; o f. het toezicht op de naleving van het bij of krachtens dit artikel bepaalde.” De nader te stellen regels die uitgevaardigd kunnen worden dienen aldus telkens betrekking te hebben op de werkgever. Een bevoegdheid tot uitbreiding van de normadressaat naar het begrip “degene die de inrichting drijft” is niet gegeven. Naar het oordeel van de rechtbank kan hetgeen krachtens artikel 6 van de Arbeidsomstandighedenwet bij algemene maatregel van bestuur (in casu het Brzo 1999) is uitgevaardigd slechts