Rechtspraak Rechtbank Overijssel 2017-11-17
ECLI:NL:RBOVE:2017:4305
RECHTBANK OVERIJSSEL Bestuursrecht Zittingsplaats Zwolle Registratienummer: Awb 17/1294 uitspraak van de meervoudige belastingkamer in het geschil tussen [naam 1] , gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres, en de heffingsambtenaar van de provincie Overijssel, verweerder, gemachtigde: mr. M.A.J. Mehciz. 17/1294 1 Ontstaan en loop van het geding Met dagtekening 30 januari 2017 heeft verweerder eiseres aangeslagen in de leges ten bedrage van € 634,- voor een aanvraag voor een ontheffing als bedoeld in artikel 8a.51 van de Wet luchtvaart. Bij uitspraak op bezwaar van 4 mei 2017 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Eiseres heeft bij brief van 1 juni 2017 aan de provincie gereageerd op voormelde uitspraak op bezwaar. De provincie heeft deze brief op 13 juni 2017 naar de rechtbank doorgezonden met het verzoek deze brief als beroepschrift in behandeling te nemen. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 september 2017. Namens eiseres zijn [naam 2] en [naam 3] verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten. 2 De feiten Eiseres heeft op 12 december 2016 per e-mail bij de provincie Overijssel een aanvraag voor een ontheffing als bedoeld in artikel 8a.51 van de Wet luchtvaart ingediend. Blijkens de aanvraag geeft een op deze aanvraag verleende ontheffing afhankelijk van de aanvraag voor 1 tot 12 dagen per kalenderjaar het recht op het gebruik door een luchtvaartuig van een terrein dat geschikt is voor tijdelijk en uitzonderlijk gebruik (TUG) in de zin van de Wet luchtvaart, het Besluit burgerluchthavens en de Regeling veilig gebruik luchthavens en andere terreinen. Bij e-mail van mevrouw [naam 4] , adviseur geluid en luchtvaart bij de provincie Overijssel, van 5 januari 2017 is eiseres erop gewezen dat de periode voor de ontheffing kan worden aangepast naar drie jaar en dat de leges voor een TUG-aanvraag voor helikopter-vluchten € 634,- bedraagt. Bij e-mail van [naam 5] van 10 januari 2017 heeft eiseres de aanvraag ingetrokken. Bij brief van [naam 6] teamleider vergunningverlening, namens Gedeputeerde Staten van Overijssel van 16 januari 2017 is de intrekking van de aanvraag op 10 januari 2017 bevestigd. Aan eiseres is medegedeeld dat op grond van artikel 5.2.1 van de Belastingverordening provincie Overijssel 2016 een bedrag van € 634,- aan leges is verschuldigd en dat dit legesbedrag niet wordt verminderd, omdat de aanvraag niet binnen vier weken na het indienen ervan is ingetrokken. Bij brief van eiseres van 19 januari 2017 is bezwaar gemaakt tegen de leges. Bij aanslag met dagtekening 30 januari 2017 is aan eiseres een legesbedrag van € 634,- in rekening gebracht. 3 Het geschil In geschil is of de legesaanslag terecht en tot de juiste hoogte aan eiseres is opgelegd. Eiseres heeft zich gemotiveerd op het standpunt gesteld dat zij ten onrechte in de legesheffing is betrokken. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de leges terecht en tot de juiste hoogte zijn geheven. Voor een meer uitvoerige weergave van de standpunten van partijen verwijst de rechtbank naar de gedingstukken. 4 Beoordeling van het geschil 4.1.1 De rechtbank stelt ambtshalve vast dat eiseres bij brief van 19 januari 2017 bezwaar heeft gemaakt tegen de leges en dat de legesaanslag is gedagtekend op 30 januari 2017. In zoverre is dan ook sprake van een prematuur ingediend bezwaarschrift. 4.1.2 Ingevolge artikel 6:10, eerste lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht blijft niet-ontvankelijkverklaring van een prematuur ingediend bezwaarschrift achterwege als het besluit ten tijde van de indiening nog niet tot stand was gekomen, maar de indiener redelijkerwijs kon menen dat dit wel reeds het geval was. 4.1.3 Nu de teamleider vergunningverlening namens Gedeputeerde Staten van Overijssel in zijn brief van 16 januari 2017 heeft aangegeven dat eiseres ter zake van de TUG-aanvraag een