Rechtspraak
Rechtbank Overijssel
2015-03-10
ECLI:NL:RBOVE:2015:1218
Bestuursrecht
Eerste aanleg - meervoudig
8,172 tokens
Inleiding
RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 14/2701
uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen
het college van burgemeester en wethouders van Almelo, te Almelo, eiser,
gemachtigde: mr. I.C. Dunhof-Lampe en mr. M. Ichoh,
en
de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder
gemachtigde: mr. H.P.M. Schenkels.
Procesverloop
Bij besluit van 12 juni 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van het bepaalde in artikel 9, eerste lid, van de Wet sociale werkvoorziening (Wsw) een bedrag van
€ 1.388.099,-- aan uitkering van eiser teruggevorderd op de grond dat de totale realisatie aantal arbeidsplaatsen in het kader van de Wsw over het jaar 2011, uitgedrukt in arbeidsjaren, minder bedraagt dan tot uitdrukking is gebracht in de verstrekte uitkering over dat jaar.
Bij besluit van 16 september 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het primaire besluit in stand gelaten.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep gevoegd met een drietal soortgelijke beroepen, geregistreerd onder de nummers 14/2470, 14/2699 en 14/2700, behandeld ter openbare zitting van
9 februari 2015. Namens eiser is aldaar verschenen J. Spruit, bijgestaan door de gemachtigden mr. I.C. Dunhof-Lampe en mr. M. Ichoh, voornoemd. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. H.P.M. Schenkels en drs. M.J. Meihuizen, werkzaam bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Na de zitting zijn de beroepen weer gesplitst voor het doen van uitspraak
Overwegingen
1. Op 2 juli 2013 is de door eiser bij de Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties ingediende bijlage bij de jaarrekening 2012, met verantwoordings-
informatie over het jaar 2011 betreffende de Wsw (specifieke uitkering nr. G1C-1 of G1C-2)
voorzien van een verklaring van de accountant, door het ministerie van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid ontvangen.
Bij besluit van 12 juni 2014 heeft verweerder met toepassing van artikel 9 van de Wsw
een bedrag van € 1.388.099,-- van eiser teruggevorderd op de grond dat aan eiser een
uitkering is verstrekt voor 706,92 arbeidsjaren, terwijl er blijkens de verantwoording slechts
653,03 arbeidsjaren zijn gerealiseerd, zodat sprake is van een onderrealisatie van 53,89
arbeidsjaren welke per arbeidsjaarjaar een bedrag van € 25.758,-- vertegenwoordigen.
Eiser heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt, samengevat op de grond dat hij bij de
verantwoording de aangeleverde Sisa (Single information single audit) -informatie uit de
accountantsverklaring van de SW-bedrijven 1 op 1 heeft overgenomen, terwijl nu blijkt dat
het Sociaal Werkvoorzieningsschap SOWECO heeft verzuimd om de begeleid werkers uit
indicator G1C-2/05 (totaal 51,01 arbeidsjaren) toe te voegen aan het totaal van de indicator
C, hetgeen er toe zou moeten leiden dat er niet 653,03 arbeidsjaren, maar 704,04 (653,03 +
51,01) arbeidsjaren zijn gerealiseerd en er dus slechts sprake is van een onderrealisatie van
2,88 arbeidsjaren.
Bij besluit van 16 september 2014 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond
verklaard en de terugvordering gehandhaafd.
2. In geschil is of verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat sprake is van een
verwijtbaar ontoereikende verantwoordingsprocedure waarvan eiser de gevolgen dient te
dragen.
3. Eiser erkent dat een fout is geslopen in de Sisa-verantwoordingsbijlage bij de
verantwoording betreffende de Wsw over het jaar 2011, maar stelt dat sprake is van
overmacht door een menselijke fout. Het kenmerkende van Sisa is, aldus eiser, dat slechts
éénmaal wordt gecontroleerd. De vaststelling van de jaarrekening, met inbegrip van de Sisa-
bijlage is volgens eiser een verantwoordelijkheid van het werkvoorzieningsschap en diens
controlerende accountant.
Voorts is niet eiser maar diens accountant primair verantwoordelijk voor het indienen van
een juiste en tijdige verantwoording. Eiser beroept zich op overmacht door een kennelijke
fout van de accountant, welke fout volgens eiser onder omstandigheden in bezwaar kan
worden hersteld.
Daarnaast wordt verwezen naar hetgeen in het aanvullend bezwaarschrift van 12 augustus
2014 is aangevoerd.
Ook stelt eiser dat er sprake is van een gedeelde verantwoordelijkheid voor een correcte
uitvoering van de Wsw en doet hij een beroep op verweerder om samen de financiële
gevolgen van de kennelijke fout te dragen. Eiser benadrukt daarbij dat de arbeidsjaren (voor het overgrote deel) wel zijn gemaakt maar niet juist zijn verantwoord. Daarnaast wijst eiser er op dat de invoering van de Sisa-verantwoordingssystematiek mede als doel had tot een lastenverlichting te komen.
Eiser stelt dat een fout van de accountant op grond van vaste jurisprudentie kan worden
hersteld. Voorts stelt eiser met een beroep op artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb) dat de nadelige gevolgen van het besluit niet onevenredig mogen zijn in
verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. Eiser stelt dat verweerder ten onrechte het
doel van de wet en de geleverde prestaties niet in de heroverweging heeft betrokken.
Tevens voert eiser aan dat sprake is van een strafsanctie en dat het terugvorderingsbesluit het
reparatoire karakter te boven gaat.
Eiser beroept zich er op dat de bijzondere omstandigheden van het geval voor verweerder
aanleiding hadden moeten zijn om van het stringente toetsingskader af te wijken.
Eiser stelt zich op het standpunt dat de onmogelijkheid om een menselijke fout te herstellen
en het rigide vasthouden aan de strakke termijnen en letterlijke tekst van de wet, in strijd is
met artikel 9, vijfde lid, van het Europees Handvest inzake lokale autonomie (het Handvest),
welk artikel is bedoeld ter bescherming van de financieel zwakkere lokale autoriteiten.
Ten slotte verzoekt eiser om te bepalen dat verweerder de schade in de vorm van rente-
derving dient te vergoeden.
4. De rechtbank overweegt dat eiser gelet op het bepaalde in artikel 13 van de Wsw verantwoording dient af te leggen op de wijze als bedoeld in artikel 17a van de Financiële verhoudingswet. Het is eisers verantwoordelijkheid dat die verantwoording juist en binnen de in laatstgenoemd artikel genoemde fatale termijn, in het onderhavige geval 15 juli 2013, wordt ingediend. Daarnaast hanteert de Minister van BZK nog een buitenwettelijke hersteltermijn, die in het onderhavige geval op 30 september 2013 eindigde.
Ten aanzien van de verantwoording is voorts bepaald dat deze plaatsvindt via een bijlage bij de gemeentelijke jaarrekening. Deze zogenoemde Sisa-bijlage wordt door een door de gemeente ingeschakelde accountant gecertificeerd, waarmee een uitspraak wordt gedaan over de betrouwbaarheid van de aangeleverde cijfers en daarmee tevens over de aansluiting van de Sisa-bijlage op de jaarrekening. Vervolgens wordt de verantwoording door de gemeenteraad vastgesteld en ingediend bij het Rijk. Op grond van het bepaalde in artikel 9a van de Wsw wordt, in afwijking van artikel 7:11 van de Awb, bij de toepassing van de artikelen 8, tweede lid, en 9 van de Wsw gebruik gemaakt van de gegevens in de bijlage, waarvan de minister kennis heeft op 15 augustus voor zover het betreft artikel 8, tweede lid, en 30 september voor zover het betreft artikel 9 van het tweede jaar volgend op het verantwoordingsjaar, met dien verstande dat gegevens die op verzoek van de minister op een latere datum zijn verstrekt mede in aanmerking worden genomen.
Verweerder ontvangt uiteindelijk slechts de Sisa-verantwoording zonder de jaarrekening. Verweerder mag op grond van de gehanteerde systematiek, waarbij de verantwoording door een accountant is gecertificeerd, uitgaan van de juistheid van die gegevens. Daarin is in de voorliggende zaak bij indicator 3 een realisatie verantwoord, die lager is dan de voor eiser geldende taakstelling.
In artikel 9, eerste lid van de Wsw is voorts bepaald dat, indien uit de verantwoordingsinformatie blijkt dat in het kalenderjaar waarop de uitkering betrekking heeft een onderrealisatie aan arbeidsjaren heeft plaatsgevonden, het teveel uitgekeerde bedrag dient te worden teruggevorderd. De wet kent verweerder derhalve geen beleidsruimte toe bij de terugvordering.
Niet in geschil is dat uit de verantwoordingsinformatie is gebleken dat sprake is van onderrealisatie en dat eiser niet in de fatale termijn, maar eerst in de bezwaarfase heeft gemeld dat er een fout is gemaakt in de door het werkvoorzieningsschap Soweco aan verweerder aangeleverde gegevens, dat die fout niet door de accountant van verweerder is ontdekt en 1 op 1 is overgenomen in de Sisa-verantwoordingsbijlage.
Gelet op het bepaalde in artikel 9, eerste lid, van de Wsw diende verweerder derhalve te besluiten tot terugvordering. Eisers stelling dat daarmee artikel 3:4, tweede lid, van de Awb is geschonden kan, gelet op het ontbreken van beleidsruimte, niet leiden tot de conclusie dat verweerder diende af te zien van terugvordering.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Hardonk-Prins, voorzitter, en mr. W.F. Bijloo en
mr. W.M.B. Elferink, leden, in aanwezigheid van M.W. Hulsman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.
Inleiding
RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 14/2701
uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen
het college van burgemeester en wethouders van Almelo, te Almelo, eiser,
gemachtigde: mr. I.C. Dunhof-Lampe en mr. M. Ichoh,
en
de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder
gemachtigde: mr. H.P.M. Schenkels.
Procesverloop
Bij besluit van 12 juni 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van het bepaalde in artikel 9, eerste lid, van de Wet sociale werkvoorziening (Wsw) een bedrag van
€ 1.388.099,-- aan uitkering van eiser teruggevorderd op de grond dat de totale realisatie aantal arbeidsplaatsen in het kader van de Wsw over het jaar 2011, uitgedrukt in arbeidsjaren, minder bedraagt dan tot uitdrukking is gebracht in de verstrekte uitkering over dat jaar.
Bij besluit van 16 september 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het primaire besluit in stand gelaten.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep gevoegd met een drietal soortgelijke beroepen, geregistreerd onder de nummers 14/2470, 14/2699 en 14/2700, behandeld ter openbare zitting van
9 februari 2015. Namens eiser is aldaar verschenen J. Spruit, bijgestaan door de gemachtigden mr. I.C. Dunhof-Lampe en mr. M. Ichoh, voornoemd. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. H.P.M. Schenkels en drs. M.J. Meihuizen, werkzaam bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Na de zitting zijn de beroepen weer gesplitst voor het doen van uitspraak
Overwegingen
1. Op 2 juli 2013 is de door eiser bij de Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties ingediende bijlage bij de jaarrekening 2012, met verantwoordings-
informatie over het jaar 2011 betreffende de Wsw (specifieke uitkering nr. G1C-1 of G1C-2)
voorzien van een verklaring van de accountant, door het ministerie van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid ontvangen.
Bij besluit van 12 juni 2014 heeft verweerder met toepassing van artikel 9 van de Wsw
een bedrag van € 1.388.099,-- van eiser teruggevorderd op de grond dat aan eiser een
uitkering is verstrekt voor 706,92 arbeidsjaren, terwijl er blijkens de verantwoording slechts
653,03 arbeidsjaren zijn gerealiseerd, zodat sprake is van een onderrealisatie van 53,89
arbeidsjaren welke per arbeidsjaarjaar een bedrag van € 25.758,-- vertegenwoordigen.
Eiser heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt, samengevat op de grond dat hij bij de
verantwoording de aangeleverde Sisa (Single information single audit) -informatie uit de
accountantsverklaring van de SW-bedrijven 1 op 1 heeft overgenomen, terwijl nu blijkt dat
het Sociaal Werkvoorzieningsschap SOWECO heeft verzuimd om de begeleid werkers uit
indicator G1C-2/05 (totaal 51,01 arbeidsjaren) toe te voegen aan het totaal van de indicator
C, hetgeen er toe zou moeten leiden dat er niet 653,03 arbeidsjaren, maar 704,04 (653,03 +
51,01) arbeidsjaren zijn gerealiseerd en er dus slechts sprake is van een onderrealisatie van
2,88 arbeidsjaren.
Bij besluit van 16 september 2014 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond
verklaard en de terugvordering gehandhaafd.
2. In geschil is of verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat sprake is van een
verwijtbaar ontoereikende verantwoordingsprocedure waarvan eiser de gevolgen dient te
dragen.
3. Eiser erkent dat een fout is geslopen in de Sisa-verantwoordingsbijlage bij de
verantwoording betreffende de Wsw over het jaar 2011, maar stelt dat sprake is van
overmacht door een menselijke fout. Het kenmerkende van Sisa is, aldus eiser, dat slechts
éénmaal wordt gecontroleerd. De vaststelling van de jaarrekening, met inbegrip van de Sisa-
bijlage is volgens eiser een verantwoordelijkheid van het werkvoorzieningsschap en diens
controlerende accountant.
Voorts is niet eiser maar diens accountant primair verantwoordelijk voor het indienen van
een juiste en tijdige verantwoording. Eiser beroept zich op overmacht door een kennelijke
fout van de accountant, welke fout volgens eiser onder omstandigheden in bezwaar kan
worden hersteld.
Daarnaast wordt verwezen naar hetgeen in het aanvullend bezwaarschrift van 12 augustus
2014 is aangevoerd.
Ook stelt eiser dat er sprake is van een gedeelde verantwoordelijkheid voor een correcte
uitvoering van de Wsw en doet hij een beroep op verweerder om samen de financiële
gevolgen van de kennelijke fout te dragen. Eiser benadrukt daarbij dat de arbeidsjaren (voor het overgrote deel) wel zijn gemaakt maar niet juist zijn verantwoord. Daarnaast wijst eiser er op dat de invoering van de Sisa-verantwoordingssystematiek mede als doel had tot een lastenverlichting te komen.
Eiser stelt dat een fout van de accountant op grond van vaste jurisprudentie kan worden
hersteld. Voorts stelt eiser met een beroep op artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb) dat de nadelige gevolgen van het besluit niet onevenredig mogen zijn in
verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. Eiser stelt dat verweerder ten onrechte het
doel van de wet en de geleverde prestaties niet in de heroverweging heeft betrokken.
Tevens voert eiser aan dat sprake is van een strafsanctie en dat het terugvorderingsbesluit het
reparatoire karakter te boven gaat.
Eiser beroept zich er op dat de bijzondere omstandigheden van het geval voor verweerder
aanleiding hadden moeten zijn om van het stringente toetsingskader af te wijken.
Eiser stelt zich op het standpunt dat de onmogelijkheid om een menselijke fout te herstellen
en het rigide vasthouden aan de strakke termijnen en letterlijke tekst van de wet, in strijd is
met artikel 9, vijfde lid, van het Europees Handvest inzake lokale autonomie (het Handvest),
welk artikel is bedoeld ter bescherming van de financieel zwakkere lokale autoriteiten.
Ten slotte verzoekt eiser om te bepalen dat verweerder de schade in de vorm van rente-
derving dient te vergoeden.
4. De rechtbank overweegt dat eiser gelet op het bepaalde in artikel 13 van de Wsw verantwoording dient af te leggen op de wijze als bedoeld in artikel 17a van de Financiële verhoudingswet. Het is eisers verantwoordelijkheid dat die verantwoording juist en binnen de in laatstgenoemd artikel genoemde fatale termijn, in het onderhavige geval 15 juli 2013, wordt ingediend. Daarnaast hanteert de Minister van BZK nog een buitenwettelijke hersteltermijn, die in het onderhavige geval op 30 september 2013 eindigde.
Ten aanzien van de verantwoording is voorts bepaald dat deze plaatsvindt via een bijlage bij de gemeentelijke jaarrekening. Deze zogenoemde Sisa-bijlage wordt door een door de gemeente ingeschakelde accountant gecertificeerd, waarmee een uitspraak wordt gedaan over de betrouwbaarheid van de aangeleverde cijfers en daarmee tevens over de aansluiting van de Sisa-bijlage op de jaarrekening. Vervolgens wordt de verantwoording door de gemeenteraad vastgesteld en ingediend bij het Rijk. Op grond van het bepaalde in artikel 9a van de Wsw wordt, in afwijking van artikel 7:11 van de Awb, bij de toepassing van de artikelen 8, tweede lid, en 9 van de Wsw gebruik gemaakt van de gegevens in de bijlage, waarvan de minister kennis heeft op 15 augustus voor zover het betreft artikel 8, tweede lid, en 30 september voor zover het betreft artikel 9 van het tweede jaar volgend op het verantwoordingsjaar, met dien verstande dat gegevens die op verzoek van de minister op een latere datum zijn verstrekt mede in aanmerking worden genomen.
Verweerder ontvangt uiteindelijk slechts de Sisa-verantwoording zonder de jaarrekening. Verweerder mag op grond van de gehanteerde systematiek, waarbij de verantwoording door een accountant is gecertificeerd, uitgaan van de juistheid van die gegevens. Daarin is in de voorliggende zaak bij indicator 3 een realisatie verantwoord, die lager is dan de voor eiser geldende taakstelling.
In artikel 9, eerste lid van de Wsw is voorts bepaald dat, indien uit de verantwoordingsinformatie blijkt dat in het kalenderjaar waarop de uitkering betrekking heeft een onderrealisatie aan arbeidsjaren heeft plaatsgevonden, het teveel uitgekeerde bedrag dient te worden teruggevorderd. De wet kent verweerder derhalve geen beleidsruimte toe bij de terugvordering.
Niet in geschil is dat uit de verantwoordingsinformatie is gebleken dat sprake is van onderrealisatie en dat eiser niet in de fatale termijn, maar eerst in de bezwaarfase heeft gemeld dat er een fout is gemaakt in de door het werkvoorzieningsschap Soweco aan verweerder aangeleverde gegevens, dat die fout niet door de accountant van verweerder is ontdekt en 1 op 1 is overgenomen in de Sisa-verantwoordingsbijlage.
Gelet op het bepaalde in artikel 9, eerste lid, van de Wsw diende verweerder derhalve te besluiten tot terugvordering. Eisers stelling dat daarmee artikel 3:4, tweede lid, van de Awb is geschonden kan, gelet op het ontbreken van beleidsruimte, niet leiden tot de conclusie dat verweerder diende af te zien van terugvordering.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Hardonk-Prins, voorzitter, en mr. W.F. Bijloo en
mr. W.M.B. Elferink, leden, in aanwezigheid van M.W. Hulsman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.
Inleiding
RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 14/2701
uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen
het college van burgemeester en wethouders van Almelo, te Almelo, eiser,
gemachtigde: mr. I.C. Dunhof-Lampe en mr. M. Ichoh,
en
de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder
gemachtigde: mr. H.P.M. Schenkels.
Procesverloop
Bij besluit van 12 juni 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van het bepaalde in artikel 9, eerste lid, van de Wet sociale werkvoorziening (Wsw) een bedrag van
€ 1.388.099,-- aan uitkering van eiser teruggevorderd op de grond dat de totale realisatie aantal arbeidsplaatsen in het kader van de Wsw over het jaar 2011, uitgedrukt in arbeidsjaren, minder bedraagt dan tot uitdrukking is gebracht in de verstrekte uitkering over dat jaar.
Bij besluit van 16 september 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het primaire besluit in stand gelaten.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep gevoegd met een drietal soortgelijke beroepen, geregistreerd onder de nummers 14/2470, 14/2699 en 14/2700, behandeld ter openbare zitting van
9 februari 2015. Namens eiser is aldaar verschenen J. Spruit, bijgestaan door de gemachtigden mr. I.C. Dunhof-Lampe en mr. M. Ichoh, voornoemd. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. H.P.M. Schenkels en drs. M.J. Meihuizen, werkzaam bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Na de zitting zijn de beroepen weer gesplitst voor het doen van uitspraak
Overwegingen
1. Op 2 juli 2013 is de door eiser bij de Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties ingediende bijlage bij de jaarrekening 2012, met verantwoordings-
informatie over het jaar 2011 betreffende de Wsw (specifieke uitkering nr. G1C-1 of G1C-2)
voorzien van een verklaring van de accountant, door het ministerie van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid ontvangen.
Bij besluit van 12 juni 2014 heeft verweerder met toepassing van artikel 9 van de Wsw
een bedrag van € 1.388.099,-- van eiser teruggevorderd op de grond dat aan eiser een
uitkering is verstrekt voor 706,92 arbeidsjaren, terwijl er blijkens de verantwoording slechts
653,03 arbeidsjaren zijn gerealiseerd, zodat sprake is van een onderrealisatie van 53,89
arbeidsjaren welke per arbeidsjaarjaar een bedrag van € 25.758,-- vertegenwoordigen.
Eiser heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt, samengevat op de grond dat hij bij de
verantwoording de aangeleverde Sisa (Single information single audit) -informatie uit de
accountantsverklaring van de SW-bedrijven 1 op 1 heeft overgenomen, terwijl nu blijkt dat
het Sociaal Werkvoorzieningsschap SOWECO heeft verzuimd om de begeleid werkers uit
indicator G1C-2/05 (totaal 51,01 arbeidsjaren) toe te voegen aan het totaal van de indicator
C, hetgeen er toe zou moeten leiden dat er niet 653,03 arbeidsjaren, maar 704,04 (653,03 +
51,01) arbeidsjaren zijn gerealiseerd en er dus slechts sprake is van een onderrealisatie van
2,88 arbeidsjaren.
Bij besluit van 16 september 2014 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond
verklaard en de terugvordering gehandhaafd.
2. In geschil is of verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat sprake is van een
verwijtbaar ontoereikende verantwoordingsprocedure waarvan eiser de gevolgen dient te
dragen.
3. Eiser erkent dat een fout is geslopen in de Sisa-verantwoordingsbijlage bij de
verantwoording betreffende de Wsw over het jaar 2011, maar stelt dat sprake is van
overmacht door een menselijke fout. Het kenmerkende van Sisa is, aldus eiser, dat slechts
éénmaal wordt gecontroleerd. De vaststelling van de jaarrekening, met inbegrip van de Sisa-
bijlage is volgens eiser een verantwoordelijkheid van het werkvoorzieningsschap en diens
controlerende accountant.
Voorts is niet eiser maar diens accountant primair verantwoordelijk voor het indienen van
een juiste en tijdige verantwoording. Eiser beroept zich op overmacht door een kennelijke
fout van de accountant, welke fout volgens eiser onder omstandigheden in bezwaar kan
worden hersteld.
Daarnaast wordt verwezen naar hetgeen in het aanvullend bezwaarschrift van 12 augustus
2014 is aangevoerd.
Ook stelt eiser dat er sprake is van een gedeelde verantwoordelijkheid voor een correcte
uitvoering van de Wsw en doet hij een beroep op verweerder om samen de financiële
gevolgen van de kennelijke fout te dragen. Eiser benadrukt daarbij dat de arbeidsjaren (voor het overgrote deel) wel zijn gemaakt maar niet juist zijn verantwoord. Daarnaast wijst eiser er op dat de invoering van de Sisa-verantwoordingssystematiek mede als doel had tot een lastenverlichting te komen.
Eiser stelt dat een fout van de accountant op grond van vaste jurisprudentie kan worden
hersteld. Voorts stelt eiser met een beroep op artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb) dat de nadelige gevolgen van het besluit niet onevenredig mogen zijn in
verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. Eiser stelt dat verweerder ten onrechte het
doel van de wet en de geleverde prestaties niet in de heroverweging heeft betrokken.
Tevens voert eiser aan dat sprake is van een strafsanctie en dat het terugvorderingsbesluit het
reparatoire karakter te boven gaat.
Eiser beroept zich er op dat de bijzondere omstandigheden van het geval voor verweerder
aanleiding hadden moeten zijn om van het stringente toetsingskader af te wijken.
Eiser stelt zich op het standpunt dat de onmogelijkheid om een menselijke fout te herstellen
en het rigide vasthouden aan de strakke termijnen en letterlijke tekst van de wet, in strijd is
met artikel 9, vijfde lid, van het Europees Handvest inzake lokale autonomie (het Handvest),
welk artikel is bedoeld ter bescherming van de financieel zwakkere lokale autoriteiten.
Ten slotte verzoekt eiser om te bepalen dat verweerder de schade in de vorm van rente-
derving dient te vergoeden.
4. De rechtbank overweegt dat eiser gelet op het bepaalde in artikel 13 van de Wsw verantwoording dient af te leggen op de wijze als bedoeld in artikel 17a van de Financiële verhoudingswet. Het is eisers verantwoordelijkheid dat die verantwoording juist en binnen de in laatstgenoemd artikel genoemde fatale termijn, in het onderhavige geval 15 juli 2013, wordt ingediend. Daarnaast hanteert de Minister van BZK nog een buitenwettelijke hersteltermijn, die in het onderhavige geval op 30 september 2013 eindigde.
Ten aanzien van de verantwoording is voorts bepaald dat deze plaatsvindt via een bijlage bij de gemeentelijke jaarrekening. Deze zogenoemde Sisa-bijlage wordt door een door de gemeente ingeschakelde accountant gecertificeerd, waarmee een uitspraak wordt gedaan over de betrouwbaarheid van de aangeleverde cijfers en daarmee tevens over de aansluiting van de Sisa-bijlage op de jaarrekening. Vervolgens wordt de verantwoording door de gemeenteraad vastgesteld en ingediend bij het Rijk. Op grond van het bepaalde in artikel 9a van de Wsw wordt, in afwijking van artikel 7:11 van de Awb, bij de toepassing van de artikelen 8, tweede lid, en 9 van de Wsw gebruik gemaakt van de gegevens in de bijlage, waarvan de minister kennis heeft op 15 augustus voor zover het betreft artikel 8, tweede lid, en 30 september voor zover het betreft artikel 9 van het tweede jaar volgend op het verantwoordingsjaar, met dien verstande dat gegevens die op verzoek van de minister op een latere datum zijn verstrekt mede in aanmerking worden genomen.
Verweerder ontvangt uiteindelijk slechts de Sisa-verantwoording zonder de jaarrekening. Verweerder mag op grond van de gehanteerde systematiek, waarbij de verantwoording door een accountant is gecertificeerd, uitgaan van de juistheid van die gegevens. Daarin is in de voorliggende zaak bij indicator 3 een realisatie verantwoord, die lager is dan de voor eiser geldende taakstelling.
In artikel 9, eerste lid van de Wsw is voorts bepaald dat, indien uit de verantwoordingsinformatie blijkt dat in het kalenderjaar waarop de uitkering betrekking heeft een onderrealisatie aan arbeidsjaren heeft plaatsgevonden, het teveel uitgekeerde bedrag dient te worden teruggevorderd. De wet kent verweerder derhalve geen beleidsruimte toe bij de terugvordering.
Niet in geschil is dat uit de verantwoordingsinformatie is gebleken dat sprake is van onderrealisatie en dat eiser niet in de fatale termijn, maar eerst in de bezwaarfase heeft gemeld dat er een fout is gemaakt in de door het werkvoorzieningsschap Soweco aan verweerder aangeleverde gegevens, dat die fout niet door de accountant van verweerder is ontdekt en 1 op 1 is overgenomen in de Sisa-verantwoordingsbijlage.
Gelet op het bepaalde in artikel 9, eerste lid, van de Wsw diende verweerder derhalve te besluiten tot terugvordering. Eisers stelling dat daarmee artikel 3:4, tweede lid, van de Awb is geschonden kan, gelet op het ontbreken van beleidsruimte, niet leiden tot de conclusie dat verweerder diende af te zien van terugvordering.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Hardonk-Prins, voorzitter, en mr. W.F. Bijloo en
mr. W.M.B. Elferink, leden, in aanwezigheid van M.W. Hulsman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.