Rechtspraak
Rechtbank Overijssel
2014-11-26
ECLI:NL:RBOVE:2014:6744
Civiel recht; Internationaal privaatrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,573 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK OVERIJSSEL
Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Almelo
zaaknummer / rolnummer: C/08/158246 / HA ZA 14-336
Vonnis van 26 november 2014
in de zaak van
[eiser]
,
wonende te [woonplaats] (Oekraïne),
eiser,
advocaat mr. D.A. Witberg te Eindhoven,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
VENEER DESIGN INTERNATIONAL B.V.,
gevestigd te Haaksbergen,
gedaagde,
advocaat mr. W.H.J.M. Haafkes te Hengelo.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding;
de in de brief van 30 september 2014 gedane mededeling door de advocaat van gedaagde dat geen verweer zal worden gevoerd.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Beoordeling
2.1.
Bij Oekraïens vonnis van 4 juli 2012 is gedaagde - onder meer - veroordeeld tot betaling van (omgerekend) € 30.000,-- te vermeerderen met andere kosten zoals kosten van rechtsbijstand, proceskosten en griffierecht.
2.2.
Vaststaat dat tussen Nederland en Oekraïne geen verdragen van kracht zijn ter zake van de erkenning en/of tenuitvoerlegging van uitspraken van de Oekraïense rechter, op grond waarvan de Nederlandse rechter gehouden zou zijn tot erkenning van het voornoemd vonnis van Oekraïne. Het Oekraïens vonnis kan derhalve niet via de exequaturprocedure op de voet van artikel 985 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) ten uitvoer worden gelegd. Dit betekent dat het commune Nederlandse internationale erkenningsrecht, zoals geregeld in artikel 431 lid 2 Rv, van toepassing is.
2.3.
Op grond van artikel 431 Rv en het gegeven dat gedaagde in Nederland haar (statutaire) vestigingsplaats heeft, heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht.
2.4.
Naar commuun Nederlands internationaal privaatrecht is de rechter - mede in het kader van artikel 431 Rv - in beginsel vrij in elk bijzonder geval te beoordelen of en in hoeverre aan een buitenlands vonnis gezag moet worden toegekend (vgl. HR 26 januari 1996, ECLI:NL:HR:1996:AD2477). Daarbij geldt als uitgangspunt dat een buitenlands vonnis (of akte) wordt erkend indien is voldaan aan drie in de jurisprudentie ontwikkelde minimumvereisten (vgl. HR 14 november 1924, NJ 1925, 91, Bontmantel). In de eerste plaats geldt het vereiste dat de buitenlandse rechter zijn internationale bevoegdheid heeft ontleend aan een internationaal algemeen aanvaarde bevoegdheidsgrond. In de tweede plaats dient het buitenlandse vonnis tot stand te zijn gekomen na een behoorlijke rechtspleging en in de derde plaats mag het buitenlandse vonnis niet in strijd zijn met de openbare orde.
2.5.
In de onderhavige zaak is niet gebleken dat het vonnis van de rechter in Oekraïne niet voldoet aan de hiervoor genoemde minimumvereisten. Zo is niet gebleken dat het vonnis tot stand is gekomen zonder een behoorlijke procesvoering. Weliswaar is gedaagde niet bij de (hoor)zitting in Oekraïne verschenen, doch uit het vonnis blijkt dat zij via de dagvaarding en brieven naar behoren is geïnformeerd over de (hoor)zitting. Voorts is niet gebleken dat het Oekraïense recht ten aanzien van de geldvordering in strijd is met de Nederlandse openbare orde. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een hoge mate van aanvaardbaarheid van de grond waaraan de Oekraïense rechter zijn bevoegdheid ontleende. Gelet op de wijze van de totstandkoming van het vonnis dient derhalve, naar het oordeel van de rechtbank, gewicht te worden toegekend aan het vonnis van de Oekraïense rechter en kan daaraan gezag worden toegekend.
2.6.
Gelet op het bovenstaande, de omstandigheid dat door gedaagde geen verweer is gevoerd, alsmede de inhoud van het Oekraïense vonnis, is de rechtbank van oordeel dat het gevorderde door eiser dient te worden toegewezen, met inachtneming van en behoudens het navolgende.
2.7.
De gevorderde wettelijke handelsrente over het bedrag van € 607,30 wordt afgewezen, aangezien artikel 6:119a van het Burgerlijk Wetboek (BW) op die kostenposten niet van toepassing is. De wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW is hierbij wel toewijsbaar.
2.8.
De gevorderde buitengerechtelijke kosten van € 1.905,37 zal de rechtbank afwijzen, nu niet (voldoende onderbouwd) is gesteld dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht.
2.9.
Gedaagde zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van eiser worden begroot op € 968,43 aan verschotten en € 579,-- aan salaris van de advocaat.
Dictum
De rechtbank
3.1.
Verklaart voor recht dat eiser een vordering heeft op gedaagde uit hoofde van toerekenbare tekortkoming in de nakoming van zijn verplichtingen zoals vastgelegd in artikel 3.1. van de tussen partijen gesloten koopovereenkomst van 21 augustus 2008.
3.2.
Veroordeelt gedaagde om aan eiser te voldoen een bedrag van € 30.000,-- te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119a BW over dat bedrag vanaf de dag der dagvaarding, te weten 17 juni 2014, tot aan de dag der algehele voldoening.
3.3.
Veroordeelt gedaagde om aan eiser te voldoen een bedrag van € 607,30 te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de dag der dagvaarding, te weten 17 juni 2014, tot aan de dag der algehele voldoening.
3.4.
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten, aan de zijde van eiser tot op heden begroot op € 1.547,43.
3.5.
Verklaart de onderdelen 3.2. tot en met 3.4. uitvoerbaar bij voorraad.
3.6.
Wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. Lorist en in het openbaar uitgesproken op 26 november 2014.
type:
coll: