Rechtspraak Rechtbank Oost-Brabant 2026-06-04
ECLI:NL:RBOBR:2026:4440
RECHTBANK OOST-BRABANT Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Eindhoven Zaaknummer: 12161463 \ CV EXPL 26-2643 Vonnis van 4 juni 2026 in de zaak van ELBUCO B.V. , gevestigd te Culemborg, eisende partij, gemachtigde: Janssen & Janssen Gerechtsdeurwaarders, tegen [gedaagde] , wonende te [woonplaats] , gedaagde partij, niet verschenen. 1 De procedure 1.1. Eisende partij heeft gevorderd dat gedaagde partij bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld om aan haar een bedrag te betalen met rente en kosten, zoals in de dagvaarding is omschreven. Ook heeft eisende partij een verklaring voor recht dat de huurovereenkomst tegen de einddatum is beëindigd en afgifte van het gehuurde product gevorderd. 1.2. Tegen de niet verschenen gedaagde partij is verstek verleend. 1.3. Daarna heeft de kantonrechter bepaald dat een vonnis wordt uitgesproken. 2 De beoordeling 2.1. De vordering van eisende partij ziet op een overeenkomst op afstand tussen een handelaar en een consument. De handelaar moet bij het sluiten van dat soort overeenkomsten voldoen aan de wettelijke (pre)contractuele informatieplichten van artikelen 6:230m en 6:230v van het Burgerlijk Wetboek (BW). 2.2. In deze procedure moet eisende partij gemotiveerd stellen en onderbouwen dat aan de essentiële informatieplichten is voldaan. De kantonrechter moet vervolgens ambtshalve onderzoeken of aan de plichten is voldaan, dus ook als er geen verweer is gevoerd. Als sprake is van een voldoende ernstige schending van zo’n informatieplicht moet de rechter een sanctie toepassen (zie het arrest van de Hoge Raad van 12 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1677). 2.3. De rechtbanken hebben naar aanleiding van de uitspraak van de Hoge Raad voor de schending van de essentiële informatieverplichtingen een sanctierichtlijn opgesteld (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl). Deze sanctierichtlijn houdt samengevat in dat de betalingsverplichting van de consument wordt verminderd met een bepaald percentage afhankelijk van het aantal voldoende ernstige schendingen. Bij de precontractuele informatieverplichtingen geldt dat meerdere voldoende ernstige schendingen van de essentiële informatieverplichtingen die onder dezelfde letter van artikel 6:230m lid 1 BW vallen samen worden geteld als één schending. Eventuele schendingen van de verplichting om de informatie te bevestigen op een duurzame gegevensdrager worden gerekend als één schending. De bestelknop; de informatieverplichting van artikel 6:230v lid 3 BW 2.4. Volgens artikel 6:230v lid 3 BW moet de handelaar het elektronische bestelproces zo inrichten dat de consument een aanbod pas kan aanvaarden als hem op niet voor misverstand vatbare wijze duidelijk is gemaakt dat zijn bestelling een betalingsverplichting inhoudt. Als gebruik wordt gemaakt van een bestelknop of een soortgelijke functie, moet deze een ondubbelzinnige formulering bevatten die goed leesbaar is en waaruit blijkt dat het plaatsen van een bestelling een betalingsverplichting ten opzichte van de handelaar inhoudt. Overige essentiële (pre)contractuele informatieplichten; artikel 6:230m lid 1 BW 2.5. Volgens artikel 6:230m lid 1 BW moet de handelaar de consument voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst op duidelijke en begrijpelijke wijze informeren over (in dit geval): de kenmerken van het product (sub a), de identiteit van de handelaar (sub b), de contactinformatie van de handelaar (sub c), de prijs van het product (sub e), de wijze van betaling en levering inclusief de leveringstermijn (sub g) en het recht van ontbinding van de overeenkomst (sub h). Voor zover van toepassing, moet de handelaar de consument ook informeren over de duur van de overeenkomst en de voorwaarde van opzegging (sub o) en de minimumduur waarbinnen de consument niet kan opzeggen (sub p). De handelaar moet deze informatie vervolgens bevestigen op een duurzame gegevensdrager. Een duurzame gegevensdrager betekent dat de consument de informatie eenvoudig moet kunnen bewaren, zoals bijvoorbeeld een e-mail of ee De kantonrechter moet in iedere procedure over ieder onderdeel van de vordering beoordelen of daarover in de overeenkomst en de daarop van toepassing verklaarde algemene voorwaarden afspraken zijn gemaakt en of die afspraken al dan niet eerlijk zijn ten opzichte van de consument in de zin van artikel 3 van de Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn). Artikel 3 van de richtlijn is in het Nederlandse recht tot uitdrukking gebracht in artikel 6:233 onder a BW waarin kort gezegd is bepaald dat een beding dat onredelijk bezwarend is, vernietigbaar is. Alle bedingen die aan de vordering zijn of kunnen worden gelegd moeten door de kantonrechter worden getoetst. Dat volgt uit de uitspraken van het Europese Hof van Justitie van 27 januari 2021, C-229/19, ECLI:EU:C:2021:68 (Dexia) en 8 december 2022, C-625/21, ECLI:EU:C:2022:971 (Gupfinger). Op grond van deze uitspraken moet de kantonrechter ook als eisende partij zich in de procedure niet beroept op het toepasselijke beding, maar op de wet ambtshalve onderzoeken of het beding waarop zij zich had kunnen beroepen niet oneerlijk is in de zin van de richtlijn. Indien een beding als oneerlijk wordt aangemerkt, wordt de vordering gegrond op dat beding afgewezen. Daarnaast kan eisende partij geen aanspraak meer maken op de wettelijke regeling die zonder dat beding van toepassing zou zijn geweest. Bij de beoordeling van het oneerlijke karakter van een beding gaat het erom of dat beding, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. Hierbij moeten alle omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst worden meegewogen en het cumulatieve effect van alle andere bedingen van de overeenkomst, rekening houdend met de aard van de goederen of diensten waarop de overeenkomst betrekking heeft, in aanmerking worden genomen. Niet van belang voor deze toets is dus de feitelijke toepassing en uitvoering van de bedingen, of een achteraf gegeven uitleg. 2.13. Eisende partij heeft betaling gevorderd van een bedrag van € 993,98 met als beschrijving “Huurtermijnen, gederfde huur, vervangings-Schade en ophaalkosten” In eerdere zaken van eisende partij heeft de kantonrechter geoordeeld dat de bedingen in de algemene voorwaarden van eisende partij omtrent de aanspraak van schadevergoeding voor het vroegtijdig beëindigen van de overeenkomst en de bedongen vervangingswaarde van het gehuurde product oneerlijk zijn. Ook heeft de kantonrechter gewezen op discrepanties tussen de wijze waarop eisende partij opereert, haar stellingen in de dagvaarding en de ingestelde vorderingen. In het bijzonder heeft de kantonrechter erop gewezen dat eisende partij in de door haar gestuurde sommatiebrief een ontbindingsverklaring én een omzettingsverklaring heeft gedaan, maar desondanks aanspraak maakt op afgifte van het gehuurde product en ophaalkosten in rekening brengt, terwijl na omzetting niet langer een verplichting tot afgifte bestaat. In die eerdere zaken (zie onder meer de uitspraken van 19 maart 2026 ECLI:NL:RBOBR:2026:3401 en 7 mei 2026 ECLI:NL:RBOBR:2026:3403) heeft de kantonrechter de gevorderde schadevergoeding mede vanwege deze discrepanties en de aanwezige oneerlijke bedingen in de algemene voorwaarden afgewezen. 2.14. Dit heeft er kennelijk toe geleid dat eisende partij haar stellingen in de dagvaarding van deze zaak heeft aangepast. Uit de door eisende partij overgelegde facturen blijkt dat zij nog steeds dergelijke bedragen in rekening brengt. Echter valt uit de dagvaarding niet langer te herleiden welke afzonderlijke bedragen worden gevorderd omdat in het lichaam van de dagvaarding verschillende afwijkende bedragen worden genoemd en de facturen waarna eisende partij verwijst niet overeenkomen met die bedragen. 2.15. De kantonrechter begrijpt dat in het gevorderde bedrag een bedrag van € 352,70 aan niet betaalde huurtermij