Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant
2026-01-23
ECLI:NL:RBOBR:2026:360
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,233 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBOBR:2026:360 text/xml public 2026-02-27T11:26:00 2026-01-22 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Oost-Brabant 2026-01-23 25/1390 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL 's-Hertogenbosch Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026021007 FutD 2026-0287 NLF 2026/0291 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:360 text/html public 2026-02-10T09:27:34 2026-02-10 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBOBR:2026:360 Rechtbank Oost-Brabant , 23-01-2026 / 25/1390 Aanmaning (i.v.m. niet volledig voldoen gemeentelijke heffingen). Eiseres maakt alleen bezwaar tegen de (voorlopig berekende) rente, maar dit is niet vatbaar voor bezwaar (en beroep). De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van eiseres daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard. Beroep ongegrond. RECHTBANK OOST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: SHE 25/1390 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 januari 2026 in de zaak tussen [eiseres], uit [woonplaats], eiseres (gemachtigde: [naam]), en de heffingsambtenaar van de gemeente ‘s-Hertogenbosch, de heffingsambtenaar (gemachtigde: mr. M.T. Klaassen). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank of de heffingsambtenaar terecht het namens eiseres gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk heeft verklaard. 1.1. De heffingsambtenaar heeft op 30 april 2025 aan eiseres een aanmaning gezonden in verband met het niet (volledig) voldoen van gemeentelijke heffingen 2018. 1.2. Met de uitspraak op bezwaar van 12 juni 2025 (de bestreden uitspraak) heeft de heffingsambtenaar het daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. 1.3. Eiseres heeft tegen de bestreden uitspraak bezwaar gemaakt. 1.4. De heffingsambtenaar heeft het tegen de bestreden uitspraak gemaakte bezwaar als beroepschrift aan de rechtbank doorgezonden. 1.5. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. 1.6. Eiseres heeft op het verweerschrift gereageerd met een conclusie van repliek. 1.7. Omdat het beroep kennelijk ongegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Beoordeling door de rechtbank 2. Voor de beoordeling van deze zaak zijn de volgende wettelijke regels van belang. 2.1. Uit artikel 231, eerste lid, van de Gemeentewet volgt dat op de heffing en invordering van gemeentelijke belastingen (onder andere) de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) en de Invorderingswet 1990 van toepassing is. 2.2. In de artikelen 27quinquies tot en met 31a van de Invorderingswet 1990 staan de toepasselijke bepalingen over invorderingsrente. In artikel 30, tweede lid, van de Invorderingswet 1990 staat dat voor bezwaar en beroep hoofdstuk V van de AWR van toepassing is. 2.3. Hoofdstuk V van de AWR bestaat uit de artikelen 22j tot en met 30e. In artikel 26, eerste lid, van de AWR staat dat tegen een ingevolge de belastingwet genomen besluit slechts beroep bij de bestuursrechter worden ingesteld, indien het betreft: een belastingaanslag, daaronder begrepen de in artikel 15 voorgeschreven verrekening, of een voor bezwaar vatbare beschikking. 2.4. In artikel 7:1, eerste lid en aanhef, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) staat dat degene aan wie het recht is toegekend beroep bij een bestuursrechter in te stellen, alvorens beroep in te stellen bezwaar dient te maken. 3. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar het namens eiseres gemaakte bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. Voor dit oordeel is het volgende van belang. 3.1. In de aanmaning staat onder andere het volgende: “ Niet eens met de aanmaningskosten? U kunt binnen zes weken een bezwaar indienen bij het hoofd van het bureau Heffen en innen. Dit doet u per mail of schriftelijk. Een mail stuurt u naar belastingen@s-hertogenbosch.nl. Een brief stuurt u aan de gemeente ’s-Hertogenbosch, afdeling Belastingen, Postbus 12345, 5200 GZ, ’s-Hertogenbosch. In uw bezwaar vermeldt u waarom u het niet eens bent met de aanmaningskosten. ” 3.2. Eiseres heeft in haar bezwaarschrift het volgende ‘feitenoverzicht’ opgenomen: “Op 30 oktober 2024 werd aanslag ten bedrage van € 926,84 gegrond verklaard. Op 22 december 2024 is € 223,93 betaald, waarvan € 14 werd afgeboekt als rente. Op 7 januari 2025 is € 50 aan rente bijgeschreven. Op 30 april 2025 volgde een eindafrekening met € 39 rente en € 21 aanmaningskosten. In totaal is dus € 103 aan rente geheven .” 3.3. In de bestreden uitspraak is – voor zover van belang – het volgende overwogen: “ U tekende namens uw cliënt bezwaar aan tegen de opgelegde aanmaning d.d. 30 april 2025. Meer specifiek tegen het op de aanmaning genoemde bedrag aan invorderingsrente, betreffende de tot dusverre belopen rente (nog niet zijnde het definitieve bedrag aan rente). U maakt geen bezwaar tegen de juistheid van de opgelegde aanmaningskosten. De vermelding van de rente betreft op de aanmaning, zoals gezegd, enkel een mededeling en geen voor bezwaar vatbare beschikking. Om die reden staat ook de bezwaarmogelijkheid terzake van de aanmaning ook enkel open tegen de aanmaningskosten. Echter, daar hebt u geen bezwaren tegen ingediend. Ik verklaar u daarom niet-ontvankelijk in uw bezwaar tegen het op de aanmaning genoemde bedrag aan invorderingskosten. ” 3.4. Eiseres vindt het onterecht dat haar bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard. Zij stelt in beroep dat de heffingsambtenaar inconsistent gebruikmaakt van de termen rente en aanmaningskosten (paragraaf 5.3, randnummers 42 tot en met 44). Ook is volgens eiseres de heffingsambtenaar niet duidelijk geweest over of (in bezwaar) er mogelijk toch nog andere aspecten dan de aanmaningskosten ter discussie konden staan (paragraaf 8, randnummers 57 tot en met 60). Wel erkent eiseres dat zijn geen bezwaar heeft gemaakt tegen de aanmaningskosten, maar zij vindt dat de heffingsambtenaar haar in de gelegenheid had moeten stellen om dit verzuim te herstellen (paragraaf 9, randnummers 75 tot en met 78). In haar conclusie van repliek merkt eiseres echter op dat haar bezwaar (ook) tegen de aanmaningskosten was gericht (randnummer 138). 3.5. De heffingsambtenaar blijft erbij dat hij het bezwaar van eiseres terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. In zijn verweerschrift merkt hij op dat het belastingrecht een gesloten stelsel van rechtsmiddelen kent. Dat betekent dat alleen bezwaar en beroep kan worden ingesteld tegen beslissingen die in de belastingwetgeving zijn aanmerkt als voor bezwaar vatbaar. Gelet op artikel 28, tweede lid, in samenhang gelezen met artikel 30 van de lnvorderingswet 1990 is de in de aanmaning genoemde rente nog niet definitieve rente en is in zoverre geen sprake van een voor bezwaar vatbare beschikking. 3.6. De rechtbank overweegt als volgt. 3.6.1. Tegen de in de aanmaning opgenomen (voorlopig berekende) rente staat geen bezwaar (en beroep) open. Dit volgt uit de in overwegingen 2.1. tot en met 2.4. van deze uitspraak opgenomen wettelijke bepalingen. Eiseres stelt dit ook niet ter discussie. 3.6.2. Het meest vergaande standpunt van eiseres is dat zij (ook) bezwaar heeft gemaakt tegen de aanmaningskosten en dat om die reden haar bezwaar daartegen inhoudelijk had moeten worden behandeld. De rechtbank volgt eiseres hierin niet. Uit het bezwaarschrift van eiseres volgt dat zij heeft gezien dat in de aanmaning zowel aanmaningskosten als rente is opgenomen, wat blijkt uit het daarin opgenomen (in overweging 3.2. van deze uitspraak aangehaalde) ‘feitenoverzicht’. In het bezwaarschrift stelt eiseres vervolgens alleen de rente ter discussie. Zij verzoekt (tot slot) ook om herziening en herberekening daarvan. In het bezwaarschift bestrijdt eiseres de aanmaningskosten niet. Sterker nog: na het ‘feitenoverzicht’ noemt eiseres deze kosten in het geheel niet meer. Verder merkt eiseres in genoemd ‘feitenoverzicht’ op dat er “€ 103 aan rente [is] geheven.” Tot dit totaal wordt gekomen door de daarvoor genoemde bedragen van € 14, € 50 en € 39 bij elkaar op te tellen en de € 21 aan aanmaningskosten buiten beschouwing te laten. Dit alles betekent dat de aanmaningskosten door eiseres in bezwaar niet zijn bestreden, ook niet impliciet. 3.6.3.
Volledig
Eiseres voert verder aan dat de heffingsambtenaar haar in de gelegenheid had moeten stellen om het niet indienen van bezwaargronden tegen de aanmaningskosten te herstellen. De rechtbank volgt eiseres hierin niet. In artikel 6:6 van de Awb staat dat de heffingsambtenaar een herstelmogelijkheid moet bieden, onder andere als het bezwaarschrift niet de (in artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb voorgeschreven) gronden bevat. Dat gaat dus over de situatie dat in een bezwaarschrift in het geheel geen gronden staan. Van die situatie is geen sprake. Eiseres heeft uitvoerige gronden ingediend, maar tegen een onderdeel van de aanmaning waartegen geen bezwaar (en beroep) openstaat. Daarbij is ook van belang dat eiseres er in de aanmaning expliciet op is gewezen dat (alleen) bezwaar openstaat als zij het niet eens is met de aanmaningskosten. 3.6.4. Ook voert eiseres aan dat het haar niet duidelijk was dat zij haar bezwaar alleen richtte tegen de (niet voor bezwaar vatbare) rentekosten, omdat de heffingsambtenaar de toepasselijke terminologie inconsequent zou gebruiken. De rechtbank volgt eiseres hierin niet. Allereerst is zij met dit argument inconsequent, omdat zij eerder heeft betoogd dat zij wel tegen de aanmaningskosten bezwaar heeft gemaakt (waar de rechtbank haar in overweging 3.6.2. overigens niet in volgt). Van een onduidelijkheid kan om die reden geen sprake zijn. Verder stelt eiseres wel dat de heffingsambtenaar inconsequent met de terminologie omgaat, maar onderbouwt dat verder niet. De rechtbank kan haar daar overigens ook niet in volgen. In de (in overweging 3.1. aangehaalde) rechtsmiddelenverwijzing onder de aanmaning staat expliciet dat alleen bezwaar mogelijk is tegen de aanmaningskosten. Het woord rente wordt er in het geheel niet genoemd. Bovendien is in de wet bepaald tegen welke besluiten of onderdelen daarvan bezwaar kan worden gemaakt (en beroep kan worden ingesteld). Eventueel andersluidende mededelingen van het betrokken bestuursorgaan – waar in dit geval overigens geen sprake van is – doen daar niet aan af. 3.6.5. Tot slot zegt eiseres dat de heffingsambtenaar er niet duidelijk over is geweest dat er mogelijk toch nog andere aspecten dan de aanmaningskosten in bezwaar ter discussie konden staan. Dit standpunt mist feitelijke grondslag. In de (in overweging 3.1. aangehaalde) rechtsmiddelenverwijzing van de aanmaning staat onomwonden dat de aanmaningskosten voor bezwaar vatbaar zijn. Andere aspecten worden – terecht – niet genoemd. Verder blijkt uit het bezwaarschrift ook niet dat eiseres iets anders dan de (voorlopig berekende) rente ter discussie heeft willen stellen. 3.6.6. Dit alles betekent overigens niet dat er nimmer rechtsmiddelen kunnen worden aangewend tegen de rente. De heffingsambtenaar merkt in zijn verweerschrift terecht op dat de rente definitief wordt vastgesteld met een rentebeschikking zodra de gehele belastingschuld is voldaan. Op dat moment kan immers pas een definitieve uitspraak over de daadwerkelijk verschuldigde rente worden gedaan. Tegen een dergelijke – in het geval van eiseres dus nog te nemen – rentebeschikking staan wel rechtsmiddelen open. 4. In gevallen waarin tussen partijen een geschil bestaat, kan de rechter de zaak afdoen met toepassing van artikel 8:54 van de Awb (en dus geen zitting houden) als hij van oordeel is dat over de uitkomst van dat geschil in redelijkheid geen twijfel mogelijk is. Die situatie doet zich hier voor; de rechtbank acht het beroep van eiseres dus kennelijk ongegrond. Voor dat oordeel is van belang dat de ontvankelijkheid van het bezwaar in een geval als dit moet worden beoordeeld op basis van de in de bezwaarfase gewisselde stukken. Daaruit komt onmiskenbaar naar voren dat eiseres een onderdeel van de aanmaning heeft bestreden – de (voorlopige) rente – die niet voor bezwaar (en beroep) vatbaar is. Een eventueel te houden zitting bij de rechtbank kan daarin geen verandering brengen. 5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F. Vink, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Mutsaers, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 23 januari 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over verzet Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Hoge Raad 24 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:787, overweging 2.3.1.