Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant
2026-05-08
ECLI:NL:RBOBR:2026:2934
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
16,135 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBOBR:2026:2934 text/xml public 2026-05-08T13:36:51 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Oost-Brabant 2026-05-08 01.254981.25 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL 's-Hertogenbosch Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:2934 text/html public 2026-05-07T13:42:13 2026-05-08 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBOBR:2026:2934 Rechtbank Oost-Brabant , 08-05-2026 / 01.254981.25 Veroordeling voor verkrachting van een 13-jarig meisje. Verdachte ontkent dat de seks onder dwang heeft plaatsgevonden. De rechtbank vindt de verklaring van het slachtoffer betrouwbaar en is van oordeel dat deze verklaring voldoende wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen. Verdachte was ten tijde van het plegen van het feit 20 jaar oud. De rechtbank past, gelet op de persoon van verdachte, het jeugdstrafrecht toe. De rechtbank legt op een jeugddetentie van 9 maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en de bijzondere voorwaarden van meldplicht bij de jeugdreclassering, ambulante behandeling een contactverbod met het slachtoffer. Deze bijzondere voorwaarden en het toezicht zijn uitvoerbaar bij voorraad. Daarnaast moet verdachte schade vergoeden ter hoogte van € 10.188,76, bestaande uit € 10.000,-- immateriële schade en € 188,76, betreffende reiskosten. vonnis RECHTBANK OOST-BRABANT Locatie 's-Hertogenbosch Strafrecht Parketnummer: 01.254981.25 Datum uitspraak: 8 mei 2026 Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [2002] , wonende te [adres] . Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 24 april 2026. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht. De tenlastelegging. De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 19 maart 2026. Aan verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 12 februari 2023 te Oss, althans in Nederland, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten: - het brengen en/of duwen en/of bewegen van zijn penis in haar vagina, en bestaande dat geweld of die andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid hierin dat verdachte: - die [slachtoffer] bij haar polsen heeft gepakt en/of - haar heeft omgedraaid en/of op zijn bed heeft geduwd en/of - haar broek en/of onderbroek naar beneden heeft gedaan en/of getrokken en/of - haar benen uit elkaar heeft gedaan/geduwd en/of - boven op haar is gaan zitten; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 12 februari 2023 te Oss, althans in Nederland, met [slachtoffer] , geboren op [2009] , die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten: - het brengen en/of duwen en/of bewegen van zijn penis in haar vagina; De formele voorvragen. Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging. Bewijs. Het standpunt van de officier van justitie. De officier van justitie acht de primair ten laste gelegde verkrachting wettig en overtuigend bewezen. De officier van justitie vindt de verklaring van [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) betrouwbaar. Verdachte heeft op de zitting bekend dat de seksuele handeling, zoals deze is ten laste gelegd, heeft plaatsgevonden. In de verklaringen van de twee vriendinnen van [slachtoffer] en het bij haar geconstateerde letsel vindt de officier van justitie voldoende steunbewijs voor de dwang. Het standpunt van de verdediging. De raadsvrouw heeft vrijspraak van het primair ten laste gelegde bepleit. Verdachte bekent dat er seksueel contact met [slachtoffer] heeft plaatsgevonden. Dit seksueel contact was echter met wederzijds goedvinden. Het bewijs voor dwang rust in overwegende mate op de verklaring van [slachtoffer] . De overige verklaringen in het dossier, van vriendinnen en de moeder, zijn gebaseerd op wat [slachtoffer] hen achteraf heeft verteld. Deze verklaringen kunnen niet als zelfstandig steunbewijs dienen voor de kern van de beschuldiging. Ook de resultaten van het DNA-onderzoek, uitgevoerd door het NFI, bieden geen steun voor de stelling dat sprake is geweest van dwang. Uit de aard, locatie en omvang van de geconstateerde letsels bij [slachtoffer] kan niet zonder meer worden afgeleid wat de precieze toedracht is geweest, noch door wie en op welk moment deze letsels zijn ontstaan. De aangetroffen letsels zijn onvoldoende specifiek en onderscheidend om daaruit de door [slachtoffer] gestelde dwangsituatie af te leiden. De verklaring van aangeefster vindt onvoldoende steun in andere, onafhankelijke en objectieve bewijsmiddelen. Er is niet aan het bewijsminimum voldaan. De raadsvrouw heeft eveneens vrijspraak van het subsidiair ten laste gelegde bepleit. De raadsvrouw stelt zich, op de in de pleitnota genoemde gronden, op het standpunt dat in dit geval het ontuchtig karakter van de handelingen ontbreekt. Het oordeel van de rechtbank. De bewijsmiddelen. Voor de leesbaarheid van het vonnis wordt voor de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen verwezen naar de bij dit vonnis gevoegde bewijsbijlage. Bewijsoverweging. Juridisch kader. Voor het bewijs in strafzaken geldt de regel dat dit niet enkel gebaseerd mag worden op één getuigenverklaring (de bewijsminimumregel). Zedenzaken kenmerken zich echter in het algemeen door het feit dat zij zich voordoen in een situatie waarbij slechts twee personen zijn betrokken: de verdachte en het veronderstelde slachtoffer. Wanneer de verdachte de seksuele handelingen en/of de dwang ontkent, zoals zich in deze zaak voordoet, leidt dat er in veel gevallen toe dat alleen het veronderstelde slachtoffer kan verklaren over de seksuele handelingen of de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden. Daarnaast geldt dat in zedenzaken een geringe mate van steunbewijs in combinatie met de verklaringen van het veronderstelde slachtoffer reeds voldoende wettig bewijs van het tenlastegelegde kan opleveren. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad kan worden afgeleid dat niet is vereist dat het misbruik als zodanig bevestiging vindt in ander bewijsmateriaal, maar dat het afdoende is wanneer de verklaring van het veronderstelde slachtoffer op onderdelen voldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen, afkomstig van een andere bron dan degene die de belastende verklaring heeft afgelegd. Verklaringen van getuigen die niet meer inhouden dan wat zij van het veronderstelde slachtoffer over het tenlastegelegde hebben gehoord (een zogenaamde de auditu verklaring) zijn in beginsel niet toereikend om als steunbewijs te dienen. Dergelijke verklaringen zijn immers afkomstig uit één en dezelfde bron: het veronderstelde slachtoffer. De vraag die de rechtbank dan ook moet beantwoorden is of de verklaring van [slachtoffer] voldoende steun vindt in de overige bewijsmiddelen. Voordat de rechtbank aan die beoordeling toekomt, moet de rechtbank allereerst de vraag beantwoorden of de verklaring van [slachtoffer] betrouwbaar is en daarmee bruikbaar voor het bewijs. De betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer] .. Op 13 februari 2023 om 17.45 uur heeft na een gesprek op school een informatief zedengesprek bij de politie plaatsgevonden met [slachtoffer] .
Volledig
ECLI:NL:RBOBR:2026:2934 text/xml public 2026-05-08T13:36:51 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Oost-Brabant 2026-05-08 01.254981.25 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL 's-Hertogenbosch Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:2934 text/html public 2026-05-07T13:42:13 2026-05-08 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBOBR:2026:2934 Rechtbank Oost-Brabant , 08-05-2026 / 01.254981.25 Veroordeling voor verkrachting van een 13-jarig meisje. Verdachte ontkent dat de seks onder dwang heeft plaatsgevonden. De rechtbank vindt de verklaring van het slachtoffer betrouwbaar en is van oordeel dat deze verklaring voldoende wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen. Verdachte was ten tijde van het plegen van het feit 20 jaar oud. De rechtbank past, gelet op de persoon van verdachte, het jeugdstrafrecht toe. De rechtbank legt op een jeugddetentie van 9 maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en de bijzondere voorwaarden van meldplicht bij de jeugdreclassering, ambulante behandeling een contactverbod met het slachtoffer. Deze bijzondere voorwaarden en het toezicht zijn uitvoerbaar bij voorraad. Daarnaast moet verdachte schade vergoeden ter hoogte van € 10.188,76, bestaande uit € 10.000,-- immateriële schade en € 188,76, betreffende reiskosten. vonnis RECHTBANK OOST-BRABANT Locatie 's-Hertogenbosch Strafrecht Parketnummer: 01.254981.25 Datum uitspraak: 8 mei 2026 Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [2002] , wonende te [adres] . Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 24 april 2026. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht. De tenlastelegging. De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 19 maart 2026. Aan verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 12 februari 2023 te Oss, althans in Nederland, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten: - het brengen en/of duwen en/of bewegen van zijn penis in haar vagina, en bestaande dat geweld of die andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid hierin dat verdachte: - die [slachtoffer] bij haar polsen heeft gepakt en/of - haar heeft omgedraaid en/of op zijn bed heeft geduwd en/of - haar broek en/of onderbroek naar beneden heeft gedaan en/of getrokken en/of - haar benen uit elkaar heeft gedaan/geduwd en/of - boven op haar is gaan zitten; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 12 februari 2023 te Oss, althans in Nederland, met [slachtoffer] , geboren op [2009] , die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten: - het brengen en/of duwen en/of bewegen van zijn penis in haar vagina; De formele voorvragen. Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging. Bewijs. Het standpunt van de officier van justitie. De officier van justitie acht de primair ten laste gelegde verkrachting wettig en overtuigend bewezen. De officier van justitie vindt de verklaring van [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) betrouwbaar. Verdachte heeft op de zitting bekend dat de seksuele handeling, zoals deze is ten laste gelegd, heeft plaatsgevonden. In de verklaringen van de twee vriendinnen van [slachtoffer] en het bij haar geconstateerde letsel vindt de officier van justitie voldoende steunbewijs voor de dwang. Het standpunt van de verdediging. De raadsvrouw heeft vrijspraak van het primair ten laste gelegde bepleit. Verdachte bekent dat er seksueel contact met [slachtoffer] heeft plaatsgevonden. Dit seksueel contact was echter met wederzijds goedvinden. Het bewijs voor dwang rust in overwegende mate op de verklaring van [slachtoffer] . De overige verklaringen in het dossier, van vriendinnen en de moeder, zijn gebaseerd op wat [slachtoffer] hen achteraf heeft verteld. Deze verklaringen kunnen niet als zelfstandig steunbewijs dienen voor de kern van de beschuldiging. Ook de resultaten van het DNA-onderzoek, uitgevoerd door het NFI, bieden geen steun voor de stelling dat sprake is geweest van dwang. Uit de aard, locatie en omvang van de geconstateerde letsels bij [slachtoffer] kan niet zonder meer worden afgeleid wat de precieze toedracht is geweest, noch door wie en op welk moment deze letsels zijn ontstaan. De aangetroffen letsels zijn onvoldoende specifiek en onderscheidend om daaruit de door [slachtoffer] gestelde dwangsituatie af te leiden. De verklaring van aangeefster vindt onvoldoende steun in andere, onafhankelijke en objectieve bewijsmiddelen. Er is niet aan het bewijsminimum voldaan. De raadsvrouw heeft eveneens vrijspraak van het subsidiair ten laste gelegde bepleit. De raadsvrouw stelt zich, op de in de pleitnota genoemde gronden, op het standpunt dat in dit geval het ontuchtig karakter van de handelingen ontbreekt. Het oordeel van de rechtbank. De bewijsmiddelen. Voor de leesbaarheid van het vonnis wordt voor de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen verwezen naar de bij dit vonnis gevoegde bewijsbijlage. Bewijsoverweging. Juridisch kader. Voor het bewijs in strafzaken geldt de regel dat dit niet enkel gebaseerd mag worden op één getuigenverklaring (de bewijsminimumregel). Zedenzaken kenmerken zich echter in het algemeen door het feit dat zij zich voordoen in een situatie waarbij slechts twee personen zijn betrokken: de verdachte en het veronderstelde slachtoffer. Wanneer de verdachte de seksuele handelingen en/of de dwang ontkent, zoals zich in deze zaak voordoet, leidt dat er in veel gevallen toe dat alleen het veronderstelde slachtoffer kan verklaren over de seksuele handelingen of de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden. Daarnaast geldt dat in zedenzaken een geringe mate van steunbewijs in combinatie met de verklaringen van het veronderstelde slachtoffer reeds voldoende wettig bewijs van het tenlastegelegde kan opleveren. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad kan worden afgeleid dat niet is vereist dat het misbruik als zodanig bevestiging vindt in ander bewijsmateriaal, maar dat het afdoende is wanneer de verklaring van het veronderstelde slachtoffer op onderdelen voldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen, afkomstig van een andere bron dan degene die de belastende verklaring heeft afgelegd. Verklaringen van getuigen die niet meer inhouden dan wat zij van het veronderstelde slachtoffer over het tenlastegelegde hebben gehoord (een zogenaamde de auditu verklaring) zijn in beginsel niet toereikend om als steunbewijs te dienen. Dergelijke verklaringen zijn immers afkomstig uit één en dezelfde bron: het veronderstelde slachtoffer. De vraag die de rechtbank dan ook moet beantwoorden is of de verklaring van [slachtoffer] voldoende steun vindt in de overige bewijsmiddelen. Voordat de rechtbank aan die beoordeling toekomt, moet de rechtbank allereerst de vraag beantwoorden of de verklaring van [slachtoffer] betrouwbaar is en daarmee bruikbaar voor het bewijs. De betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer] .. Op 13 februari 2023 om 17.45 uur heeft na een gesprek op school een informatief zedengesprek bij de politie plaatsgevonden met [slachtoffer] .
Volledig
Op 14 februari 2023 13.30 uur is [slachtoffer] nogmaals door de politie verhoord en op diezelfde dag om 13.46 uur heeft de moeder van [slachtoffer] aangifte gedaan van verkrachting van [slachtoffer] door verdachte. [slachtoffer] heeft tijdens die gesprekken consistent en gedetailleerd verklaard over de gebeurtenissen. Haar verklaringen, zowel tijdens het informatief zedengesprek als het verhoor, bevatten geen tegenstrijdigheden of onduidelijkheid die de betrouwbaarheid daarvan aantasten en de verklaringen komen authentiek en niet aangedikt over. [slachtoffer] heeft meteen nadat het is gebeurd een vriendin, [persoon 1] , gebeld en tegen haar verteld wat er in de woning van verdachte is gebeurd. Ook de volgende dag op school heeft zij haar verhaal verteld tegenover [persoon 2] . Hetgeen [slachtoffer] heeft verklaard tegen deze getuigen komt in essentie overeen met haar bij de politie afgelegde verklaring. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van [slachtoffer] betrouwbaar en geloofwaardig is. De rechtbank ziet geen redenen om te twijfelen aan de juistheid van de verklaring van [slachtoffer] . Het steunbewijs. De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van [slachtoffer] voldoende steun vindt in ander bewijs. Dit bewijs zal de rechtbank hieronder kort bespreken. In de eerste plaats betreft dit de verklaring van getuige [persoon 1] . Zij heeft verklaard dat [slachtoffer] verdachte naar huis heeft gebracht. [slachtoffer] belde haar nadat het was gebeurd en ze was paniekerig. Zij vertelde (onder meer) dat verdachte iets moest pakken boven en haar vroeg of ze mee naar boven wilde. Boven heeft hij haar stevig vastgepakt bij haar arm; echt hard. Toen heeft hij haar broek uitgedaan en haar verkracht. [slachtoffer] vertelde aan de telefoon dat ze niet wilde en dat ze dat ook had gezegd tegen hem, maar dat hij niet stopte. De dag na het incident heeft [persoon 1] blauwe plekken gezien bij [slachtoffer] . Verder komt betekenis toe aan de verklaring van getuige [persoon 2] . De dag na het incident heeft [slachtoffer] op school tegen getuige [persoon 2] verklaard dat verdachte haar boven in de woning heeft vastgepakt (onder meer) bij haar polsen. Dat hij haar heeft geneukt. Dat ze vaak heeft gezegd dat ze niet wilde, maar dat hij toch door is gegaan. Terwijl zij dit vertelde moest ze huilen, maar ze hield het in. [persoon 2] zag dat op de polsen van [slachtoffer] handafdrukken stonden. Tot slot wordt de aangifte ondersteund door het bij [slachtoffer] op 13 februari 2023 geconstateerde letsel door de forensisch arts [naam] van het Landelijk Onderzoeks- en Expertisebureau FMO. Deze arts heeft bij [slachtoffer] -kort gezegd- op de buigzijde van de rechterpols een onderhuidse bloeduitstorting, op de buigzijde van de linkerpols aan de duimzijde een krasverwonding en in de onderwand van het voorhof (het eerste deel achter de binnenste schaamlippen) een oppervlakkige slijmvliesbeschadiging geconstateerd. Laatstgenoemd letsel betrof vers letsel, waardoor het spreiden van de schaamlippen pijnlijk was. Alles overziend is de rechtbank van oordeel dat het dossier voldoende steunbewijs bevat voor de verklaring van [slachtoffer] dat sprake is geweest van dwang tijdens de seksuele handeling. De verklaring van verdachte. Tegenover dit alles staat de verklaring van verdachte. Verdachte heeft op 3 april 2025 tijdens zijn verhoor bij de politie in alle toonaarden en bij herhaling ontkend dat [slachtoffer] bij hem in de woning is geweest en dat hij seks met haar heeft gehad. Pas bij de reclassering en ter terechtzitting op 24 april 2026 heeft verdachte bekend dat hij op 12 februari 2023 seks met [slachtoffer] heeft gehad in zijn woning, waarbij sprake is geweest van seksueel binnendringen met zijn penis in haar vagina. De verdachte heeft geen aannemelijke verklaring ter terechtzitting kunnen geven waarom hij in eerste instantie bij de politie heeft ontkend dat hij die bewuste dag seks heeft gehad met [slachtoffer] . Daarnaast bevat de verklaring van verdachte ter terechtzitting een tegenstrijdigheid met wat verdachte heeft verteld bij de reclassering, namelijk waar in de woning het seksueel binnendringen heeft plaatsgevonden. Ook voor deze tegenstrijdigheid heeft verdachte geen aannemelijke verklaring gegeven. Gelet op het voorgaande schuift de rechtbank de verklaring van verdachte als ongeloofwaardig terzijde. Conclusie: Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van de primair ten laste gelegde verkrachting. De bewezenverklaring. Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de in de bewijsbijlage uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte: op 12 februari 2023 te Oss, door geweld of een andere feitelijkheid [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van een handeling die bestond uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten: - het brengen en duwen en bewegen van zijn penis in haar vagina, en bestaande dat geweld of die andere feitelijkheid hierin dat verdachte: - die [slachtoffer] bij haar polsen heeft gepakt en - haar heeft omgedraaid en op zijn bed heeft geduwd en - haar broek en onderbroek naar beneden heeft gedaan en getrokken en - haar benen uit elkaar heeft gedaan/geduwd en - boven op haar is gaan zitten. De strafbaarheid van het feit. Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. De strafbaarheid van verdachte. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard. Oplegging van straf en/of maatregel. De eis van de officier van justitie. De officier van justitie heeft ten aanzien van het primair ten laste gelegde, met toepassing van het jeugdstrafrecht, een jeugddetentie van 9 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren gevorderd, met als bijzondere voorwaarden - kort gezegd – reclasseringstoezicht van de William Schrikker Stichting, medewerking verlenen aan nadere diagnostiek en eventuele ambulante behandeling die daaruit voortvloeit, een contactverbod met het slachtoffer en een locatieverbod voor de wijk [gebied] . Tevens heeft de officier van justitie de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden en het toezicht gevorderd. Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht. Het standpunt van de verdediging. De raadsvrouw heeft verzocht bij een bewezenverklaring het jeugdstrafrecht toe te passen, in verband met de psychosociale problematiek van verdachte en het feit dat hij op een lager sociaal-emotioneel niveau functioneert dan zijn kalenderleeftijd doet vermoeden. Daarnaast heeft de raadsvrouw verzocht bij een eventuele strafoplegging rekening te houden met de omstandigheid dat verdachte een hardwerkende jongeman is met een stabiel leven en rekening te houden met het aanzienlijke tijdsverloop in deze zaak. De raadsvrouw heeft verzocht bij een veroordeling een taakstraf op te leggen in combinatie met een voorwaardelijke straf, waaraan de door de reclassering geadviseerde voorwaarden kunnen worden verbonden. Het oordeel van de rechtbank. Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Toepassing van het jeugdstrafrecht. Uitgangspunt is dat een jongvolwassen verdachte, die ten tijde van het strafbare feit meerderjarig is, volgens het volwassenenstrafrecht wordt berecht.
Volledig
Op 14 februari 2023 13.30 uur is [slachtoffer] nogmaals door de politie verhoord en op diezelfde dag om 13.46 uur heeft de moeder van [slachtoffer] aangifte gedaan van verkrachting van [slachtoffer] door verdachte. [slachtoffer] heeft tijdens die gesprekken consistent en gedetailleerd verklaard over de gebeurtenissen. Haar verklaringen, zowel tijdens het informatief zedengesprek als het verhoor, bevatten geen tegenstrijdigheden of onduidelijkheid die de betrouwbaarheid daarvan aantasten en de verklaringen komen authentiek en niet aangedikt over. [slachtoffer] heeft meteen nadat het is gebeurd een vriendin, [persoon 1] , gebeld en tegen haar verteld wat er in de woning van verdachte is gebeurd. Ook de volgende dag op school heeft zij haar verhaal verteld tegenover [persoon 2] . Hetgeen [slachtoffer] heeft verklaard tegen deze getuigen komt in essentie overeen met haar bij de politie afgelegde verklaring. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van [slachtoffer] betrouwbaar en geloofwaardig is. De rechtbank ziet geen redenen om te twijfelen aan de juistheid van de verklaring van [slachtoffer] . Het steunbewijs. De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van [slachtoffer] voldoende steun vindt in ander bewijs. Dit bewijs zal de rechtbank hieronder kort bespreken. In de eerste plaats betreft dit de verklaring van getuige [persoon 1] . Zij heeft verklaard dat [slachtoffer] verdachte naar huis heeft gebracht. [slachtoffer] belde haar nadat het was gebeurd en ze was paniekerig. Zij vertelde (onder meer) dat verdachte iets moest pakken boven en haar vroeg of ze mee naar boven wilde. Boven heeft hij haar stevig vastgepakt bij haar arm; echt hard. Toen heeft hij haar broek uitgedaan en haar verkracht. [slachtoffer] vertelde aan de telefoon dat ze niet wilde en dat ze dat ook had gezegd tegen hem, maar dat hij niet stopte. De dag na het incident heeft [persoon 1] blauwe plekken gezien bij [slachtoffer] . Verder komt betekenis toe aan de verklaring van getuige [persoon 2] . De dag na het incident heeft [slachtoffer] op school tegen getuige [persoon 2] verklaard dat verdachte haar boven in de woning heeft vastgepakt (onder meer) bij haar polsen. Dat hij haar heeft geneukt. Dat ze vaak heeft gezegd dat ze niet wilde, maar dat hij toch door is gegaan. Terwijl zij dit vertelde moest ze huilen, maar ze hield het in. [persoon 2] zag dat op de polsen van [slachtoffer] handafdrukken stonden. Tot slot wordt de aangifte ondersteund door het bij [slachtoffer] op 13 februari 2023 geconstateerde letsel door de forensisch arts [naam] van het Landelijk Onderzoeks- en Expertisebureau FMO. Deze arts heeft bij [slachtoffer] -kort gezegd- op de buigzijde van de rechterpols een onderhuidse bloeduitstorting, op de buigzijde van de linkerpols aan de duimzijde een krasverwonding en in de onderwand van het voorhof (het eerste deel achter de binnenste schaamlippen) een oppervlakkige slijmvliesbeschadiging geconstateerd. Laatstgenoemd letsel betrof vers letsel, waardoor het spreiden van de schaamlippen pijnlijk was. Alles overziend is de rechtbank van oordeel dat het dossier voldoende steunbewijs bevat voor de verklaring van [slachtoffer] dat sprake is geweest van dwang tijdens de seksuele handeling. De verklaring van verdachte. Tegenover dit alles staat de verklaring van verdachte. Verdachte heeft op 3 april 2025 tijdens zijn verhoor bij de politie in alle toonaarden en bij herhaling ontkend dat [slachtoffer] bij hem in de woning is geweest en dat hij seks met haar heeft gehad. Pas bij de reclassering en ter terechtzitting op 24 april 2026 heeft verdachte bekend dat hij op 12 februari 2023 seks met [slachtoffer] heeft gehad in zijn woning, waarbij sprake is geweest van seksueel binnendringen met zijn penis in haar vagina. De verdachte heeft geen aannemelijke verklaring ter terechtzitting kunnen geven waarom hij in eerste instantie bij de politie heeft ontkend dat hij die bewuste dag seks heeft gehad met [slachtoffer] . Daarnaast bevat de verklaring van verdachte ter terechtzitting een tegenstrijdigheid met wat verdachte heeft verteld bij de reclassering, namelijk waar in de woning het seksueel binnendringen heeft plaatsgevonden. Ook voor deze tegenstrijdigheid heeft verdachte geen aannemelijke verklaring gegeven. Gelet op het voorgaande schuift de rechtbank de verklaring van verdachte als ongeloofwaardig terzijde. Conclusie: Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van de primair ten laste gelegde verkrachting. De bewezenverklaring. Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de in de bewijsbijlage uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte: op 12 februari 2023 te Oss, door geweld of een andere feitelijkheid [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van een handeling die bestond uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten: - het brengen en duwen en bewegen van zijn penis in haar vagina, en bestaande dat geweld of die andere feitelijkheid hierin dat verdachte: - die [slachtoffer] bij haar polsen heeft gepakt en - haar heeft omgedraaid en op zijn bed heeft geduwd en - haar broek en onderbroek naar beneden heeft gedaan en getrokken en - haar benen uit elkaar heeft gedaan/geduwd en - boven op haar is gaan zitten. De strafbaarheid van het feit. Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. De strafbaarheid van verdachte. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard. Oplegging van straf en/of maatregel. De eis van de officier van justitie. De officier van justitie heeft ten aanzien van het primair ten laste gelegde, met toepassing van het jeugdstrafrecht, een jeugddetentie van 9 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren gevorderd, met als bijzondere voorwaarden - kort gezegd – reclasseringstoezicht van de William Schrikker Stichting, medewerking verlenen aan nadere diagnostiek en eventuele ambulante behandeling die daaruit voortvloeit, een contactverbod met het slachtoffer en een locatieverbod voor de wijk [gebied] . Tevens heeft de officier van justitie de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden en het toezicht gevorderd. Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht. Het standpunt van de verdediging. De raadsvrouw heeft verzocht bij een bewezenverklaring het jeugdstrafrecht toe te passen, in verband met de psychosociale problematiek van verdachte en het feit dat hij op een lager sociaal-emotioneel niveau functioneert dan zijn kalenderleeftijd doet vermoeden. Daarnaast heeft de raadsvrouw verzocht bij een eventuele strafoplegging rekening te houden met de omstandigheid dat verdachte een hardwerkende jongeman is met een stabiel leven en rekening te houden met het aanzienlijke tijdsverloop in deze zaak. De raadsvrouw heeft verzocht bij een veroordeling een taakstraf op te leggen in combinatie met een voorwaardelijke straf, waaraan de door de reclassering geadviseerde voorwaarden kunnen worden verbonden. Het oordeel van de rechtbank. Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Toepassing van het jeugdstrafrecht. Uitgangspunt is dat een jongvolwassen verdachte, die ten tijde van het strafbare feit meerderjarig is, volgens het volwassenenstrafrecht wordt berecht.
Volledig
De rechtbank kan echter besluiten het jeugdrecht toe te passen indien daartoe grond wordt gevonden in de persoonlijkheid van verdachte of de omstandigheden waaronder het feit is begaan. De rechtbank stelt vast dat verdachte ten tijde van het bewezen verklaarde feit 20 jaar oud was. De reclassering heeft in haar rapport van 10 april 2026 geadviseerd het jeugstrafrecht toe te passen. Uit het ASR wegingskader is de reclassering gebleken dat er sprake is van tekorten op het gebied van handelingsvaardigheden. Verdachte is impulsief, schat risico's van zijn handelen slecht in en vertoont kinderlijk gedrag. Daarnaast ziet de reclassering dat verdachte gebaat is bij een pedagogische aanpak. In 2020 stelde het NIFP nog dat er sprake was van een achterstand wat betreft het sociaal-emotioneel functioneren vanverdachte, waarbij een leeftijd van 10 jaar werd gesteld. Hoe dit vandaag de dag is, is de reclassering niet geheel duidelijk, maar dat er sprake is van functioneren op een lagere leeftijd dan zijn kalenderleeftijd is in de ogen van de reclassering wel duidelijk. De reclassering adviseert derhalve het jeugdstrafrecht toe te passen, waarbij de reclassering de inzet van de jeugdreclassering daarbij het meest passend vindt, gezien hun pedagogische benadering en het betrekken van het systeem. Gelet op de inhoud van het reclasseringsrapport en de indruk die verdachte ter terechtzitting op de rechtbank heeft gemaakt, sluit de rechtbank zich aan bij bovengenoemde conclusie van de reclassering. De rechtbank ziet daarom aanleiding om het jeugdstrafrecht toe te passen. De aard en de ernst van de feiten. Verdachte heeft een dertienjarig meisje in zijn woning met een smoes naar de bovenverdieping gelokt. In zijn slaapkamer heeft hij het jonge meisje onverhoeds vastgepakt, haar op bed geduwd en haar verkracht. Dit is een zeer ernstig feit. Verdachte heeft door zijn handelwijze op brute wijze inbreuk gemaakt op de psychische en lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Het slachtoffer heeft verklaard dat dit de eerste keer was dat zij seks heeft gehad. Door zijn handelen heeft verdachte het slachtoffer de kans op een normale seksuele ontwikkeling ontnomen. De verdachte heeft zijn lustgevoelens vooropgesteld zonder oog te hebben voor de mogelijk nadelige psychische gevolgen of gevolgen voor de seksuele ontwikkeling die het feit bij het slachtoffer teweeg kan brengen. Het moet voor het slachtoffer een zeer kwetsende en beangstigende ervaring zijn geweest. Het is algemeen bekend dat de psychische gevolgen van dergelijke seksuele contacten voor het slachtoffer veelal ernstig en langdurig kunnen zijn. Dat dit ook voor dit slachtoffer geldt, blijkt wel uit het schadeonderbouwingsformulier. Uit de schadeonderbouwing blijkt dat er sprake is van gedragsproblemen en dat therapie nodig is. Tot slot was niet bekend of de seks beschermd of onbeschermd is geweest. Het slachtoffer heeft daardoor een vervelende en belastende behandeling moeten ondergaan, teneinde (onder meer) eventuele geslachtsziekten te voorkomen. Dit alles rekent de rechtbank de verdachte zwaar aan. Verdachte heeft geen verantwoordelijkheid genomen voor zijn daden. Hij heeft gelogen tegen de politie door te ontkennen dat er seks is geweest. Vervolgens zegt hij tegen de reclassering en tegen de rechtbank dat er wel seks is geweest maar dat dit vrijwillig was. Hij beschuldigt het slachtoffer ervan dat ze liegt, terwijl hij zelf juist de ene na de andere leugen vertelt. Verdachte toont geen inzicht in de ernst en laakbaarheid van zijn handelen. Uitgangspunt strafoplegging. Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde, veelal lagere oriëntatiepunten voor het jeugdstrafrecht. Bij het bepalen van de straf wordt veel belang gehecht aan wat de straf betekent voor de persoonlijke ontwikkeling van de jonge verdachte. Er wordt veel meer dan bij het strafrecht voor volwassenen rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Persoon van de verdachte. De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 17 maart 2026. Uit het strafblad volgt dat de verdachte in 2020 onherroepelijk is veroordeeld voor een soortgelijk feit. Deze veroordeling heeft hem er niet van weerhouden in 2023 opnieuw de fout in te gaan. Uit het hiervoor genoemde reclasseringsrapport van 10 april 2026 blijkt dat het recidive risico op het gebied van seksuele delicten bovengemiddeld is. Dit maakt dat het inzetten van interventies geïndiceerd is. De reclassering adviseert bij een veroordeling van de verdachte een voorwaardelijke straf op te leggen, met als bijzondere voorwaarden begeleiding door de jeugdreclassering, ambulante behandeling, een contactverbod met de aangeefster en een locatieverbod zonder elektronisch toezicht. De reclassering vindt een onvoorwaardelijke jeugddetentie niet passend. De straf. Gelet op wat hiervoor is overwogen, waaronder de ernst van het feit en de recidive, en in verband met een juiste normhandhaving, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een (deels) onvoorwaardelijke jeugddetentie. Alles afwegende acht de rechtbank een jeugddetentie voor de duur van negen maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk en een proeftijd van twee jaren, met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden van begeleiding door de jeugdreclassering, ambulante behandeling en een contactverbod met het slachtoffer, passend en geboden. De rechtbank legt deze bijzondere voorwaarden op, teneinde verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Verdachte heeft ter terechtzitting aangegeven dat hij niet weet waar het slachtoffer woont. De rechtbank ziet in hetgeen op de zitting aan de orde is gekomen en het tijdsverloop sinds het gepleegde feit geen reden om aan te nemen dat verdachte het slachtoffer bewust gaat opzoeken. De rechtbank is van oordeel dat de veiligheid van het slachtoffer voldoende wordt gewaarborgd door een contactverbod en ziet in hetgeen ter zitting aan de orde is gekomen, geen aanleiding daarnaast nog een locatieverbod als bijzondere voorwaarde op te leggen. Dadelijke uitvoerbaarheid. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf dat is gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon. De rechtbank ziet aanleiding om de op grond van artikel 77z Sr te stellen voorwaarden en het op grond van artikel 77aa Sr uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar te verklaren. De omstandigheden waaronder het feit heeft plaatsgevonden, het gebrek aan inzicht van verdachte, het feit dat verdachte eerder voor een soortgelijk delict is veroordeeld en het bovengemiddelde recidiverisico maken dat er ernstig rekening mee moet worden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] . De benadeelde partij heeft met betrekking tot de materiële schade een bedrag van € 188,76 gevorderd, betreffende de reiskosten en met betrekking tot de immateriële schade een bedrag van € 13.000,--, met wettelijke rente en het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel. Het standpunt van de officier van justitie. De officier van justitie heeft toewijzing van de gehele vordering bepleit, met de wettelijke rente. Tevens heeft de officier van justitie het opleggen van de maatregel van 36f van het Wetboek van Strafrecht gevorderd. Het standpunt van de verdediging. De raadsvrouw heeft primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering, gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht het toe te wijzen bedrag bij een veroordeling flink te matigen. Hoewel het gaat om een ernstig feit, rechtvaardigen de concrete omstandigheden, aldus de raadsvrouw, geen plaatsing in de hoogste bandbreedte van de Rotterdamse schaal. De seksuele handelingen waren van korte duur en de verzwarende factor, het vervaardigen en verspreiden van seksueel getint beeldmateriaal, was niet aan de orde.
Volledig
De rechtbank kan echter besluiten het jeugdrecht toe te passen indien daartoe grond wordt gevonden in de persoonlijkheid van verdachte of de omstandigheden waaronder het feit is begaan. De rechtbank stelt vast dat verdachte ten tijde van het bewezen verklaarde feit 20 jaar oud was. De reclassering heeft in haar rapport van 10 april 2026 geadviseerd het jeugstrafrecht toe te passen. Uit het ASR wegingskader is de reclassering gebleken dat er sprake is van tekorten op het gebied van handelingsvaardigheden. Verdachte is impulsief, schat risico's van zijn handelen slecht in en vertoont kinderlijk gedrag. Daarnaast ziet de reclassering dat verdachte gebaat is bij een pedagogische aanpak. In 2020 stelde het NIFP nog dat er sprake was van een achterstand wat betreft het sociaal-emotioneel functioneren vanverdachte, waarbij een leeftijd van 10 jaar werd gesteld. Hoe dit vandaag de dag is, is de reclassering niet geheel duidelijk, maar dat er sprake is van functioneren op een lagere leeftijd dan zijn kalenderleeftijd is in de ogen van de reclassering wel duidelijk. De reclassering adviseert derhalve het jeugdstrafrecht toe te passen, waarbij de reclassering de inzet van de jeugdreclassering daarbij het meest passend vindt, gezien hun pedagogische benadering en het betrekken van het systeem. Gelet op de inhoud van het reclasseringsrapport en de indruk die verdachte ter terechtzitting op de rechtbank heeft gemaakt, sluit de rechtbank zich aan bij bovengenoemde conclusie van de reclassering. De rechtbank ziet daarom aanleiding om het jeugdstrafrecht toe te passen. De aard en de ernst van de feiten. Verdachte heeft een dertienjarig meisje in zijn woning met een smoes naar de bovenverdieping gelokt. In zijn slaapkamer heeft hij het jonge meisje onverhoeds vastgepakt, haar op bed geduwd en haar verkracht. Dit is een zeer ernstig feit. Verdachte heeft door zijn handelwijze op brute wijze inbreuk gemaakt op de psychische en lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Het slachtoffer heeft verklaard dat dit de eerste keer was dat zij seks heeft gehad. Door zijn handelen heeft verdachte het slachtoffer de kans op een normale seksuele ontwikkeling ontnomen. De verdachte heeft zijn lustgevoelens vooropgesteld zonder oog te hebben voor de mogelijk nadelige psychische gevolgen of gevolgen voor de seksuele ontwikkeling die het feit bij het slachtoffer teweeg kan brengen. Het moet voor het slachtoffer een zeer kwetsende en beangstigende ervaring zijn geweest. Het is algemeen bekend dat de psychische gevolgen van dergelijke seksuele contacten voor het slachtoffer veelal ernstig en langdurig kunnen zijn. Dat dit ook voor dit slachtoffer geldt, blijkt wel uit het schadeonderbouwingsformulier. Uit de schadeonderbouwing blijkt dat er sprake is van gedragsproblemen en dat therapie nodig is. Tot slot was niet bekend of de seks beschermd of onbeschermd is geweest. Het slachtoffer heeft daardoor een vervelende en belastende behandeling moeten ondergaan, teneinde (onder meer) eventuele geslachtsziekten te voorkomen. Dit alles rekent de rechtbank de verdachte zwaar aan. Verdachte heeft geen verantwoordelijkheid genomen voor zijn daden. Hij heeft gelogen tegen de politie door te ontkennen dat er seks is geweest. Vervolgens zegt hij tegen de reclassering en tegen de rechtbank dat er wel seks is geweest maar dat dit vrijwillig was. Hij beschuldigt het slachtoffer ervan dat ze liegt, terwijl hij zelf juist de ene na de andere leugen vertelt. Verdachte toont geen inzicht in de ernst en laakbaarheid van zijn handelen. Uitgangspunt strafoplegging. Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde, veelal lagere oriëntatiepunten voor het jeugdstrafrecht. Bij het bepalen van de straf wordt veel belang gehecht aan wat de straf betekent voor de persoonlijke ontwikkeling van de jonge verdachte. Er wordt veel meer dan bij het strafrecht voor volwassenen rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Persoon van de verdachte. De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 17 maart 2026. Uit het strafblad volgt dat de verdachte in 2020 onherroepelijk is veroordeeld voor een soortgelijk feit. Deze veroordeling heeft hem er niet van weerhouden in 2023 opnieuw de fout in te gaan. Uit het hiervoor genoemde reclasseringsrapport van 10 april 2026 blijkt dat het recidive risico op het gebied van seksuele delicten bovengemiddeld is. Dit maakt dat het inzetten van interventies geïndiceerd is. De reclassering adviseert bij een veroordeling van de verdachte een voorwaardelijke straf op te leggen, met als bijzondere voorwaarden begeleiding door de jeugdreclassering, ambulante behandeling, een contactverbod met de aangeefster en een locatieverbod zonder elektronisch toezicht. De reclassering vindt een onvoorwaardelijke jeugddetentie niet passend. De straf. Gelet op wat hiervoor is overwogen, waaronder de ernst van het feit en de recidive, en in verband met een juiste normhandhaving, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een (deels) onvoorwaardelijke jeugddetentie. Alles afwegende acht de rechtbank een jeugddetentie voor de duur van negen maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk en een proeftijd van twee jaren, met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden van begeleiding door de jeugdreclassering, ambulante behandeling en een contactverbod met het slachtoffer, passend en geboden. De rechtbank legt deze bijzondere voorwaarden op, teneinde verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Verdachte heeft ter terechtzitting aangegeven dat hij niet weet waar het slachtoffer woont. De rechtbank ziet in hetgeen op de zitting aan de orde is gekomen en het tijdsverloop sinds het gepleegde feit geen reden om aan te nemen dat verdachte het slachtoffer bewust gaat opzoeken. De rechtbank is van oordeel dat de veiligheid van het slachtoffer voldoende wordt gewaarborgd door een contactverbod en ziet in hetgeen ter zitting aan de orde is gekomen, geen aanleiding daarnaast nog een locatieverbod als bijzondere voorwaarde op te leggen. Dadelijke uitvoerbaarheid. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf dat is gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon. De rechtbank ziet aanleiding om de op grond van artikel 77z Sr te stellen voorwaarden en het op grond van artikel 77aa Sr uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar te verklaren. De omstandigheden waaronder het feit heeft plaatsgevonden, het gebrek aan inzicht van verdachte, het feit dat verdachte eerder voor een soortgelijk delict is veroordeeld en het bovengemiddelde recidiverisico maken dat er ernstig rekening mee moet worden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] . De benadeelde partij heeft met betrekking tot de materiële schade een bedrag van € 188,76 gevorderd, betreffende de reiskosten en met betrekking tot de immateriële schade een bedrag van € 13.000,--, met wettelijke rente en het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel. Het standpunt van de officier van justitie. De officier van justitie heeft toewijzing van de gehele vordering bepleit, met de wettelijke rente. Tevens heeft de officier van justitie het opleggen van de maatregel van 36f van het Wetboek van Strafrecht gevorderd. Het standpunt van de verdediging. De raadsvrouw heeft primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering, gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht het toe te wijzen bedrag bij een veroordeling flink te matigen. Hoewel het gaat om een ernstig feit, rechtvaardigen de concrete omstandigheden, aldus de raadsvrouw, geen plaatsing in de hoogste bandbreedte van de Rotterdamse schaal. De seksuele handelingen waren van korte duur en de verzwarende factor, het vervaardigen en verspreiden van seksueel getint beeldmateriaal, was niet aan de orde.
Volledig
Verder dient het leeftijdsverschil genuanceerd te worden. De gestelde gevolgen voor [slachtoffer] zijn niet objectief onderbouwd met bijvoorbeeld een psychiatrisch rapport. Een lagere toewijzing of aanzienlijke matiging van het gevorderde bedrag is aangewezen. Ten aanzien van de gevorderde materiële schade heeft de raadsvrouw geen verweer gevoerd. Beoordeling. Materiële schade Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreekse schade heeft geleden. De opgevoerde reiskosten zijn voldoende onderbouwd en aannemelijk. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk. Daarom is de rechtbank van oordeel dat de gevorderde materiële schade ten bedrage van € 188,76 kan worden toegewezen. Immateriële schade. De rechtbank is van oordeel dat de aard en de ernst van de bewezenverklaarde verkrachting meebrengen dat de nadelige gevolgen voor de benadeelde partij zozeer voor de hand liggen, dat zonder meer kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106 sub b BW. Dit is aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank constateert dat verdachte het jonge, dertienjarige slachtoffer uit het niets heeft verkracht. Dit was het eerste seksuele contact van het jonge slachtoffer. Na de verkrachting heeft het slachtoffer (voor de zekerheid) zeer belastende maatregelen moeten ondergaan, ter voorkoming van (onder meer) seksueel overdraagbare aandoeningen. De rechtbank maakt gebruik van haar schattingsbevoegdheid en heeft gekeken wat er in vergelijkbare zaken wordt toegewezen aan immateriële schade. De rechtbank stelt de immateriële schade naar billijkheid vast op een bedrag van € 10.000,-. Verdachte is vanaf 12 februari 2023 wettelijke rente verschuldigd over het totale toegewezen bedrag. Schadevergoedingsmaatregel. De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening. De rechtbank zal, nu verdachte meerderjarig is en inkomsten uit werk heeft, bepalen dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 75 dagen. De rechtbank heeft daarbij aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten voor meerderjarigen voor de bepaling van de duur van de gijzeling. Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen. Toepasselijke wetsartikelen. De beslissing is gegrond op de artikelen: 36f, 63, 77c, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 242 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden. DE UITSPRAAK De rechtbank: verklaart het primair ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven. verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij. Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf: Ten aanzien van primair: Verkrachting. verklaart verdachte hiervoor strafbaar. legt op de volgende straf en maatregel. Een jeugddetentie voor de duur van 9 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit. En stelt als bijzondere voorwaarden: 1 Begeleiding door jeugdreclassering en houden aan meldplicht. Veroordeelde werkt mee aan het toezicht door de jeugdreclassering van de William Schrikker Stichting en meldt zich gedurende een door de jeugdreclassering te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) en op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen bij de jeugdreclassering, zo frequent en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht en de (daaruit voortvloeiende) afspraken/aanwijzingen van de jeugdreclassering zal volgen. Veroordeelde werkt mee aan huisbezoeken als onderdeel van het contact met de jeugdreclassering. 2 2. Ambulante behandeling Veroordeelde werkt mee aan diagnostisch onderzoek door de forensische polikliniek van Kaïros (jeugd), of een soortgelijke hulpverleningsinstantie. De reclassering bepaalt welke aanbieder het wordt. Indien uit diagnostiek blijkt dat ambulante behandeling of begeleiding geïndiceerd is, dan werkt veroordeelde hieraan mee zolang de reclassering dit nodig vindt. Het diagnostisch onderzoek start zo spoedig mogelijk. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling/begeleiding. De behandeling/begeleiding is gericht op psychische problematiek, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden, seksueel grensoverschrijdend gedrag en/of andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken. 3 Contactverbod Verdachte zoekt of heeft gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact met: [slachtoffer] , geboren op [2009] te [geboorteplaats] , (slachtoffer in onderhavige zaak). Geeft aan William Schrikker Stichting. Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, de opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden onder 1 en 2 en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden. Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd: - ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; - medewerking zal verlenen aan het jeugdreclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de jeugdreclassering zo vaak en zo lang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht. Beveelt de dadelijke uitvoerbaarheid van de op grond van artikel 77z van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 77aa van het Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht . legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer] van een bedrag van € 10.188,76. bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 75 dagen. Voormeld bedrag bestaat uit immateriële schade van € 10.000,-- en materiële schade van € 188,76. De vergoeding van immateriële en materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 februari 2023 tot aan de dag der algehele voldoening. Beslissing vordering benadeelde partij [slachtoffer] . Wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] , van een bedrag € 10.188,76, bestaande uit € 10.000,-- immateriële schade en € 188,76 materiële schade (reiskosten). Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict, 12 februari 2023, tot aan de dag der algehele voldoening. Veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de (proces)kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. Verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk ten aanzien van het overige deel van de vordering (overige deel van de gevorderde immateriële schade). Bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.
Volledig
Verder dient het leeftijdsverschil genuanceerd te worden. De gestelde gevolgen voor [slachtoffer] zijn niet objectief onderbouwd met bijvoorbeeld een psychiatrisch rapport. Een lagere toewijzing of aanzienlijke matiging van het gevorderde bedrag is aangewezen. Ten aanzien van de gevorderde materiële schade heeft de raadsvrouw geen verweer gevoerd. Beoordeling. Materiële schade Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreekse schade heeft geleden. De opgevoerde reiskosten zijn voldoende onderbouwd en aannemelijk. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk. Daarom is de rechtbank van oordeel dat de gevorderde materiële schade ten bedrage van € 188,76 kan worden toegewezen. Immateriële schade. De rechtbank is van oordeel dat de aard en de ernst van de bewezenverklaarde verkrachting meebrengen dat de nadelige gevolgen voor de benadeelde partij zozeer voor de hand liggen, dat zonder meer kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106 sub b BW. Dit is aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank constateert dat verdachte het jonge, dertienjarige slachtoffer uit het niets heeft verkracht. Dit was het eerste seksuele contact van het jonge slachtoffer. Na de verkrachting heeft het slachtoffer (voor de zekerheid) zeer belastende maatregelen moeten ondergaan, ter voorkoming van (onder meer) seksueel overdraagbare aandoeningen. De rechtbank maakt gebruik van haar schattingsbevoegdheid en heeft gekeken wat er in vergelijkbare zaken wordt toegewezen aan immateriële schade. De rechtbank stelt de immateriële schade naar billijkheid vast op een bedrag van € 10.000,-. Verdachte is vanaf 12 februari 2023 wettelijke rente verschuldigd over het totale toegewezen bedrag. Schadevergoedingsmaatregel. De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening. De rechtbank zal, nu verdachte meerderjarig is en inkomsten uit werk heeft, bepalen dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 75 dagen. De rechtbank heeft daarbij aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten voor meerderjarigen voor de bepaling van de duur van de gijzeling. Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen. Toepasselijke wetsartikelen. De beslissing is gegrond op de artikelen: 36f, 63, 77c, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 242 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden. DE UITSPRAAK De rechtbank: verklaart het primair ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven. verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij. Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf: Ten aanzien van primair: Verkrachting. verklaart verdachte hiervoor strafbaar. legt op de volgende straf en maatregel. Een jeugddetentie voor de duur van 9 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit. En stelt als bijzondere voorwaarden: 1 Begeleiding door jeugdreclassering en houden aan meldplicht. Veroordeelde werkt mee aan het toezicht door de jeugdreclassering van de William Schrikker Stichting en meldt zich gedurende een door de jeugdreclassering te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) en op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen bij de jeugdreclassering, zo frequent en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht en de (daaruit voortvloeiende) afspraken/aanwijzingen van de jeugdreclassering zal volgen. Veroordeelde werkt mee aan huisbezoeken als onderdeel van het contact met de jeugdreclassering. 2 2. Ambulante behandeling Veroordeelde werkt mee aan diagnostisch onderzoek door de forensische polikliniek van Kaïros (jeugd), of een soortgelijke hulpverleningsinstantie. De reclassering bepaalt welke aanbieder het wordt. Indien uit diagnostiek blijkt dat ambulante behandeling of begeleiding geïndiceerd is, dan werkt veroordeelde hieraan mee zolang de reclassering dit nodig vindt. Het diagnostisch onderzoek start zo spoedig mogelijk. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling/begeleiding. De behandeling/begeleiding is gericht op psychische problematiek, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden, seksueel grensoverschrijdend gedrag en/of andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken. 3 Contactverbod Verdachte zoekt of heeft gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact met: [slachtoffer] , geboren op [2009] te [geboorteplaats] , (slachtoffer in onderhavige zaak). Geeft aan William Schrikker Stichting. Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, de opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden onder 1 en 2 en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden. Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd: - ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; - medewerking zal verlenen aan het jeugdreclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de jeugdreclassering zo vaak en zo lang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht. Beveelt de dadelijke uitvoerbaarheid van de op grond van artikel 77z van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 77aa van het Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht . legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer] van een bedrag van € 10.188,76. bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 75 dagen. Voormeld bedrag bestaat uit immateriële schade van € 10.000,-- en materiële schade van € 188,76. De vergoeding van immateriële en materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 februari 2023 tot aan de dag der algehele voldoening. Beslissing vordering benadeelde partij [slachtoffer] . Wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] , van een bedrag € 10.188,76, bestaande uit € 10.000,-- immateriële schade en € 188,76 materiële schade (reiskosten). Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict, 12 februari 2023, tot aan de dag der algehele voldoening. Veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de (proces)kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. Verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk ten aanzien van het overige deel van de vordering (overige deel van de gevorderde immateriële schade). Bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.