Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant
2026-04-15
ECLI:NL:RBOBR:2026:2491
Civiel recht
Bodemzaak
11,736 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBOBR:2026:2491 text/xml public 2026-05-07T14:35:23 2026-04-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Oost-Brabant 2026-04-15 C/01/406739 / HA ZA 24-455 Uitspraak Bodemzaak Eerste aanleg - enkelvoudig NL 's-Hertogenbosch Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:2491 text/html public 2026-04-24T15:24:21 2026-04-24 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBOBR:2026:2491 Rechtbank Oost-Brabant , 15-04-2026 / C/01/406739 / HA ZA 24-455 opzegging duurovereenkomst, verwijzing schadestaat RECHTBANK Oost-Brabant Civiel recht Zittingsplaats 's-Hertogenbosch Zaaknummer: C/01/406739 / HA ZA 24-455 Vonnis van 15 april 2026 in de zaak van [eiser] B.V. , te [plaats] , eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , advocaat: mr. M.F. de Jong, tegen GXO LOGISTICS NETHERLANDS III B.V. , te Eindhoven, gedaagde partij, hierna te noemen: GXO, advocaat: mr. E. Beele. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding; - de conclusie van antwoord; - de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald; - de mondelinge behandeling van 16 december 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. [eiser] is een internationaal opererend wegtransportbedrijf. GXO is een logistieke dienstverlener. 2.2. [eiser] heeft gedurende circa 15 jaar transporten verricht voor [A] ( [A] ). [eiser] bevoorraadde een aantal Retail Outletlocaties (winkels) van [A] . 2.3. [A] heeft op enig moment besloten dat zij haar warehouseactiviteiten wilde uitbesteden. Dit heeft zij gedaan aan GXO, destijds XPO Supply Chain III B.V. (XPO) geheten. Mede op aangeven van [A] is op 10 mei 2021 een zogenoemde Standard Operating Procedure-overeenkomst (SOP) tussen (de rechtsvoorganger van) GXO en [eiser] tot stand gekomen. 2.4. De werkwijze tussen [eiser] en GXO was globaal als volgt: GXO stuurde per e-mail transportopdrachten aan [eiser] . GXO ging er zonder tegenbericht van [eiser] vanuit dat [eiser] dan het toegezonden transport zou verzorgen. Zo heeft [eiser] de mailberichten ook opgevat. [eiser] kreeg zo’n 2 à 3 keer per week opdrachten om in totaal 12 locaties van [A] te bevoorraden. 2.5. Deze werkwijze heeft voortgeduurd tot in augustus 2023. Zonder vooraankondiging is GXO gestopt met het verstrekken van opdrachten aan [eiser] . [eiser] kwam achter de stop doordat een van de adressen die [eiser] met regelmaat bevoorraadde, vroeg waar de vracht bleef, terwijl [eiser] van niets wist omdat zij geen opdracht tot bevoorrading had gekregen. Dit bleek te zijn opgedragen aan een derde. 2.6. Op 30 augustus 2023 hebben [eiser] en GXO een gesprek gehad over het plots stilvallen van de opdrachten. GXO heeft in dat gesprek aangegeven dat de handelswijze niet netjes was en dat het niet lag aan de kwaliteit van de dienstverlening van [eiser] . Het probleem zat hem in de prijzen die [eiser] hanteerde. Die waren voor GXO te hoog om opdrachten te blijven verstrekken, aldus GXO. 2.7. Op 11 september 2023 heeft [eiser] een prijsaanbod gestuurd. Ook heeft [eiser] aangekaart dat zij door de handelswijze van GXO tot 25% omzetdaling heeft gehad en zij vraagt om compensatie daarvan. Op aanraden van Transport en Logistiek Nederland (TLN) heeft [eiser] aan GXO gefactureerd als ware er de gebruikelijke opdrachten verstrekt. In totaal is er voor € 108.223, - aan GXO in rekening gebracht. 2.8. Op 22 september 2023 laat GXO weten dat er op basis van de voorgestelde tarieven weer vrachten aan [eiser] zullen worden toegekend. Wel tekent GXO aan dat er nog toeslagen (surcharges) missen in het voorstel van [eiser] . [eiser] wordt verzocht die nog toe te voegen. 2.9. De opdrachten aan [eiser] worden hervat in oktober 2023. 2.10. Op 21 november 2023 stuurt GXO aan [eiser] een bericht waarin GXO kort gezegd: refereert aan het volgens haar op 30 augustus 2023 uitgesproken voornemen tot het beëindigen van de (handels)relatie wegens te hoge prijzen; aangeeft zich niet gehouden te achten tot betaling van compensatie; vermeldt dat zij uit goede wil de opdrachten tijdelijk hervat heeft en de opzeggingstermijn heeft verlengd tot eind februari 2024. 2.11. Partijen hebben over het bericht van 21 november 2023 opnieuw een gesprek gehad. Het struikelblok voor GXO bleken (opnieuw) de prijzen van [eiser] te zijn. 2.12. Op 15 januari 2024 stuurt [eiser] een prijsvoorstel aan GXO. In de reactie op 18 januari 2024 vraagt GXO om verduidelijking, met name op het punt van de Dieselolietoeslag (DOT). 2.13. Op 2 februari 2024 stuurt [eiser] een nieuwe offerte aan GXO. 2.14. Op 5 februari 2024 antwoordt GXO dat [eiser] – door de DOT – nog steeds te duur is. 2.15. Op 8 februari 2024 stuurt [eiser] aan GXO een aangepaste versie van haar offerte. 2.16. Op 14 februari 2024 schrijft [eiser] dat haar chauffeurs met enige spanning kampen doordat er onzekerheid heerst over de vraag of zij aan het einde van de maand nog werk hebben. Zij wil graag weten of er al iets bekend is over de nieuwe tarieven en of [eiser] met die nieuwe tarieven in maart 2024 zal gaan starten. 2.17. Op 15 februari 2024 laat GXO weten dat zij – ondanks het nieuwe prijsaanbod – niet van gedachte is veranderd en de samenwerking aan het einde van februari 2024 zal eindigen. Er zijn volgens GXO meerdere redenen voor het niet accepteren van het aanbod, onder meer de gehanteerde overuurvergoedingen (die volgens GXO boven de marktarieven liggen) en de tekortschietende servicegerichtheid aan GXO omdat [eiser] naliet om bepaalde details in een Excel-bestand aan te leveren. 2.18. Ondanks voornoemd bericht zijn er tot en met 11 maart 2024 opdrachten aan [eiser] verstrekt. 2.19. Per bericht van 6 maart 2024 maakt (de advocaat van [eiser] ) bij GXO kenbaar dat GXO de overeenkomst – die zij kwalificeert als duurovereenkomst – niet, althans niet onder deze voorwaarden had mogen beëindigen. [eiser] stuurt aan op een gesprek. Bij een negatieve reactie stelt zij GXO (nu voor alsdan) aansprakelijk voor de schade die [eiser] lijdt door de beëindiging. Ook sommeert [eiser] GXO tot betaling van een aantal facturen, waaronder die onder #2.7. 2.20. Per bericht van 26 maart 2024 wijst GXO – kort gezegd – de aansprakelijkheid van de hand. Zij betwist de stellingen van [eiser] . 2.21. Partijen raken er onderling niet uit. Op 15 juli 2024 laat [eiser] de dagvaarding bij GXO betekenen. 3 Het geschil 3.1. [eiser] vordert – samengevat – het volgende: I. Een verklaring voor recht dat GXO – zowel voor de eerste als voor de tweede opzegging – niet was toegestaan om de duurovereenkomst tussen partijen op te zeggen zonder een zwaarwegende grond en/of zonder inachtneming van een (langere) opzegtermijn en/of aanbod tot vergoeding van schade; II. Een verklaring voor recht dat GXO aansprakelijk is voor de door [eiser] geleden en te lijden schade als gevolg van de eerste en tweede opzegging en gehouden is deze schade aan haar te vergoeden; III. GXO te veroordelen tot betaling van een voorschot van € 108.223, -, te vermeerderen met de wettelijke rente, voor de door [eiser] geleden schade, en voor het overige de zaak te verwijzen naar de schadestaatprocedure; IV. Een veroordeling in de proceskosten, nakosten en rente daarover. 3.2. [eiser] legt aan de vordering samengevat het volgende ten grondslag. [eiser] stelt dat er tussen haar en (de rechtsvoorgangster van) GXO een duurovereenkomst tot stand is gekomen. [eiser] stelt dat GXO deze duurovereenkomst zonder recht tot twee keer toe heeft opgezegd. [eiser] stelt primair dat voor opzegging een voldoende zwaarwegende grond moest bestaan en die was er volgens [eiser] niet. Subsidiair stelt zij dat er een langere opzegtermijn gehanteerd had moeten worden en dat aan haar een aanbod tot schadevergoeding had moeten worden gedaan. Ter onderbouwing stelt [eiser] : een grote regelmaat van opdrachten sinds 2021, grote afhankelijkheid (ca 80% van omzet) van GXO, grote organisatorische afhankelijkheid van GXO (het grootste deel van haar capaciteit moest beschikbaar zijn voor GXO. Er was weinig ruimte om andere opdrachten te accommoderen).
Volledig
ECLI:NL:RBOBR:2026:2491 text/xml public 2026-05-07T14:35:23 2026-04-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Oost-Brabant 2026-04-15 C/01/406739 / HA ZA 24-455 Uitspraak Bodemzaak Eerste aanleg - enkelvoudig NL 's-Hertogenbosch Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:2491 text/html public 2026-04-24T15:24:21 2026-04-24 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBOBR:2026:2491 Rechtbank Oost-Brabant , 15-04-2026 / C/01/406739 / HA ZA 24-455 opzegging duurovereenkomst, verwijzing schadestaat RECHTBANK Oost-Brabant Civiel recht Zittingsplaats 's-Hertogenbosch Zaaknummer: C/01/406739 / HA ZA 24-455 Vonnis van 15 april 2026 in de zaak van [eiser] B.V. , te [plaats] , eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , advocaat: mr. M.F. de Jong, tegen GXO LOGISTICS NETHERLANDS III B.V. , te Eindhoven, gedaagde partij, hierna te noemen: GXO, advocaat: mr. E. Beele. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding; - de conclusie van antwoord; - de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald; - de mondelinge behandeling van 16 december 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. [eiser] is een internationaal opererend wegtransportbedrijf. GXO is een logistieke dienstverlener. 2.2. [eiser] heeft gedurende circa 15 jaar transporten verricht voor [A] ( [A] ). [eiser] bevoorraadde een aantal Retail Outletlocaties (winkels) van [A] . 2.3. [A] heeft op enig moment besloten dat zij haar warehouseactiviteiten wilde uitbesteden. Dit heeft zij gedaan aan GXO, destijds XPO Supply Chain III B.V. (XPO) geheten. Mede op aangeven van [A] is op 10 mei 2021 een zogenoemde Standard Operating Procedure-overeenkomst (SOP) tussen (de rechtsvoorganger van) GXO en [eiser] tot stand gekomen. 2.4. De werkwijze tussen [eiser] en GXO was globaal als volgt: GXO stuurde per e-mail transportopdrachten aan [eiser] . GXO ging er zonder tegenbericht van [eiser] vanuit dat [eiser] dan het toegezonden transport zou verzorgen. Zo heeft [eiser] de mailberichten ook opgevat. [eiser] kreeg zo’n 2 à 3 keer per week opdrachten om in totaal 12 locaties van [A] te bevoorraden. 2.5. Deze werkwijze heeft voortgeduurd tot in augustus 2023. Zonder vooraankondiging is GXO gestopt met het verstrekken van opdrachten aan [eiser] . [eiser] kwam achter de stop doordat een van de adressen die [eiser] met regelmaat bevoorraadde, vroeg waar de vracht bleef, terwijl [eiser] van niets wist omdat zij geen opdracht tot bevoorrading had gekregen. Dit bleek te zijn opgedragen aan een derde. 2.6. Op 30 augustus 2023 hebben [eiser] en GXO een gesprek gehad over het plots stilvallen van de opdrachten. GXO heeft in dat gesprek aangegeven dat de handelswijze niet netjes was en dat het niet lag aan de kwaliteit van de dienstverlening van [eiser] . Het probleem zat hem in de prijzen die [eiser] hanteerde. Die waren voor GXO te hoog om opdrachten te blijven verstrekken, aldus GXO. 2.7. Op 11 september 2023 heeft [eiser] een prijsaanbod gestuurd. Ook heeft [eiser] aangekaart dat zij door de handelswijze van GXO tot 25% omzetdaling heeft gehad en zij vraagt om compensatie daarvan. Op aanraden van Transport en Logistiek Nederland (TLN) heeft [eiser] aan GXO gefactureerd als ware er de gebruikelijke opdrachten verstrekt. In totaal is er voor € 108.223, - aan GXO in rekening gebracht. 2.8. Op 22 september 2023 laat GXO weten dat er op basis van de voorgestelde tarieven weer vrachten aan [eiser] zullen worden toegekend. Wel tekent GXO aan dat er nog toeslagen (surcharges) missen in het voorstel van [eiser] . [eiser] wordt verzocht die nog toe te voegen. 2.9. De opdrachten aan [eiser] worden hervat in oktober 2023. 2.10. Op 21 november 2023 stuurt GXO aan [eiser] een bericht waarin GXO kort gezegd: refereert aan het volgens haar op 30 augustus 2023 uitgesproken voornemen tot het beëindigen van de (handels)relatie wegens te hoge prijzen; aangeeft zich niet gehouden te achten tot betaling van compensatie; vermeldt dat zij uit goede wil de opdrachten tijdelijk hervat heeft en de opzeggingstermijn heeft verlengd tot eind februari 2024. 2.11. Partijen hebben over het bericht van 21 november 2023 opnieuw een gesprek gehad. Het struikelblok voor GXO bleken (opnieuw) de prijzen van [eiser] te zijn. 2.12. Op 15 januari 2024 stuurt [eiser] een prijsvoorstel aan GXO. In de reactie op 18 januari 2024 vraagt GXO om verduidelijking, met name op het punt van de Dieselolietoeslag (DOT). 2.13. Op 2 februari 2024 stuurt [eiser] een nieuwe offerte aan GXO. 2.14. Op 5 februari 2024 antwoordt GXO dat [eiser] – door de DOT – nog steeds te duur is. 2.15. Op 8 februari 2024 stuurt [eiser] aan GXO een aangepaste versie van haar offerte. 2.16. Op 14 februari 2024 schrijft [eiser] dat haar chauffeurs met enige spanning kampen doordat er onzekerheid heerst over de vraag of zij aan het einde van de maand nog werk hebben. Zij wil graag weten of er al iets bekend is over de nieuwe tarieven en of [eiser] met die nieuwe tarieven in maart 2024 zal gaan starten. 2.17. Op 15 februari 2024 laat GXO weten dat zij – ondanks het nieuwe prijsaanbod – niet van gedachte is veranderd en de samenwerking aan het einde van februari 2024 zal eindigen. Er zijn volgens GXO meerdere redenen voor het niet accepteren van het aanbod, onder meer de gehanteerde overuurvergoedingen (die volgens GXO boven de marktarieven liggen) en de tekortschietende servicegerichtheid aan GXO omdat [eiser] naliet om bepaalde details in een Excel-bestand aan te leveren. 2.18. Ondanks voornoemd bericht zijn er tot en met 11 maart 2024 opdrachten aan [eiser] verstrekt. 2.19. Per bericht van 6 maart 2024 maakt (de advocaat van [eiser] ) bij GXO kenbaar dat GXO de overeenkomst – die zij kwalificeert als duurovereenkomst – niet, althans niet onder deze voorwaarden had mogen beëindigen. [eiser] stuurt aan op een gesprek. Bij een negatieve reactie stelt zij GXO (nu voor alsdan) aansprakelijk voor de schade die [eiser] lijdt door de beëindiging. Ook sommeert [eiser] GXO tot betaling van een aantal facturen, waaronder die onder #2.7. 2.20. Per bericht van 26 maart 2024 wijst GXO – kort gezegd – de aansprakelijkheid van de hand. Zij betwist de stellingen van [eiser] . 2.21. Partijen raken er onderling niet uit. Op 15 juli 2024 laat [eiser] de dagvaarding bij GXO betekenen. 3 Het geschil 3.1. [eiser] vordert – samengevat – het volgende: I. Een verklaring voor recht dat GXO – zowel voor de eerste als voor de tweede opzegging – niet was toegestaan om de duurovereenkomst tussen partijen op te zeggen zonder een zwaarwegende grond en/of zonder inachtneming van een (langere) opzegtermijn en/of aanbod tot vergoeding van schade; II. Een verklaring voor recht dat GXO aansprakelijk is voor de door [eiser] geleden en te lijden schade als gevolg van de eerste en tweede opzegging en gehouden is deze schade aan haar te vergoeden; III. GXO te veroordelen tot betaling van een voorschot van € 108.223, -, te vermeerderen met de wettelijke rente, voor de door [eiser] geleden schade, en voor het overige de zaak te verwijzen naar de schadestaatprocedure; IV. Een veroordeling in de proceskosten, nakosten en rente daarover. 3.2. [eiser] legt aan de vordering samengevat het volgende ten grondslag. [eiser] stelt dat er tussen haar en (de rechtsvoorgangster van) GXO een duurovereenkomst tot stand is gekomen. [eiser] stelt dat GXO deze duurovereenkomst zonder recht tot twee keer toe heeft opgezegd. [eiser] stelt primair dat voor opzegging een voldoende zwaarwegende grond moest bestaan en die was er volgens [eiser] niet. Subsidiair stelt zij dat er een langere opzegtermijn gehanteerd had moeten worden en dat aan haar een aanbod tot schadevergoeding had moeten worden gedaan. Ter onderbouwing stelt [eiser] : een grote regelmaat van opdrachten sinds 2021, grote afhankelijkheid (ca 80% van omzet) van GXO, grote organisatorische afhankelijkheid van GXO (het grootste deel van haar capaciteit moest beschikbaar zijn voor GXO. Er was weinig ruimte om andere opdrachten te accommoderen).
Volledig
[eiser] heeft investeringen (een groter pand huren, meer mensen aannemen en meer voertuigen leasen) moeten doen om de wensen van GXO te kunnen accommoderen. Door lopende prijsonderhandelingen is [eiser] niet op zoek gegaan naar een andere opdrachtgever. Nieuwe opdrachtgevers vereisen ook een onmiddellijke start en die kon [eiser] niet bieden omdat ze (deels) nog voor GXO aan de slag was. [eiser] stelt schade te hebben geleden van ten minste € 108.223, - (dit ten gevolge van de eerste opzegging). De schade voor de tweede opzegging is volgens [eiser] nog niet inzichtelijk. [eiser] vordert voor de nog niet bekende schade een schadestaatverwijzing. 3.3. GXO voert verweer. GXO concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure. 3.4. GXO voert samengevat het volgende aan. GXO betwist dat er sprake is van een duurovereenkomst. Partijen hebben 2,5 jaar met elkaar samengewerkt (Het verleden met [A] telt niet mee). De samenwerking geschiedde op afroep. GXO betwist een ontoelaatbare opzegging, schadeplichtigheid en de hoogte van de gestelde schade. GXO betwist de door [eiser] gestelde afhankelijkheid en haar gebondenheid en de gesteld gedane investeringen in pand, personeel en transportmiddelen. 3.5. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4 De beoordeling 4.1. Partijen twisten (dus) over de vraag of tussen hen een duurovereenkomst tot stand is gekomen en wat daarvan dan de consequenties zouden moeten zijn. Wettelijk kader duurovereenkomsten 4.2. Of een overeenkomst kwalificeert als een duurovereenkomst, is – kort gezegd – een kwestie van uitleg is. Onder verwijzing naar artikelen 3:33 en 3:35 BW, ECLI:NL:HR:1981:AG4158 en ECLI:NL:GHSHE:2016:1305 merkt de rechtbank op dat daarbij van belang is de betekenis die partijen over en weer aan elkaars verklaringen redelijkerwijs mochten toekennen en zij op basis van deze verklaringen redelijkerwijs mochten verwachten. Daarbij mogen alle omstandigheden van het geval worden meegewogen. Als we te maken hebben met een duurovereenkomst, dan is het uitgangspunt dat deze direct opzegbaar zijn, tenzij de redelijkheid en billijkheid zich daartegen verzetten. Ook kunnen er vanuit de redelijkheid en billijkheid voorwaarden aan de opzegging worden verbonden. Toepassing Er is een duurovereenkomst 4.3. De schriftelijke basis van de rechtsverhouding is gelegen in de SPO (zie #2.3). De SPO bevat veel “praktische” informatie over de inrichting van het transport en de bijbehorende formaliteiten. De “scope”, rollen en verantwoordelijkheden zijn kort omschreven in hoofdstuk 5: Aan [eiser] zijn in de SPO een aantal Key Performance Indicators (KPI’s) toebedeeld (8.3). Er worden eisen gesteld aan de transportmiddelen (geur, properheid, waterdichtheid, aanwezigheid van voldoende spanbanden). Er zijn geen bepalingen over een gegarandeerd aantal transporten. De SOP verzorgt het raamwerk voor de losse, per mail verzonden opdrachten door GXO aan [eiser] . De SOP is niet aangegaan voor een bepaalde tijd. Er zijn geen bepalingen opgenomen over beëindiging van de SOP. 4.4. Naar het oordeel van de rechtbank is de rechtsverhouding tussen [eiser] en GXO verworden tot een duurovereenkomst. De rechtbank legt dit uit. Er zijn indicaties en contra-indicaties. Deze zal de rechtbank hierna noemen. De indicaties zijn in dit geval sterker dan de contra-indicaties. De eerste indicatie is het gebruik van een raamovereenkomst. Dit is alleen gebruikelijk als de intentie is om frequent zaken te doen. De tweede indicatie is de wijze van opdrachtverstrekking. Opdrachten kwamen per mail en er werd zonder meer op vertrouwd – ook als er geen bevestiging kwam – dat [eiser] de opdracht zou uitvoeren. Ook staat vast dat [eiser] gedurende een periode van tweeëneenhalf jaar meermaals per week naar circa 12 verschillende locaties in binnen- en buitenland reed. Er werden dus zeer frequent en consequent opdrachten verstrekt. Ook de aard van opdrachten speelt mee: telkens werd van [eiser] min of meer hetzelfde verwacht; de vraag vanuit [A] bleef aanwezig, dus moest de voorraad telkens worden aangevuld. Contra-indicaties zijn de afwezigheid van afnameverplichtingen of afspraken over groeipotentie of investeringen. De rechtbank gaat uit van de bovengenoemde duur van tweeëneenhalf jaar. De periode waarin [eiser] rechtsreeks voor [A] reed, rekent de rechtbank niet mee. Zij legt dit uit. [A] is een eigen entiteit. [A] heeft zelf het besluit genomen om haar rechtstreekse relatie met [eiser] te beëindigen door activiteiten af te stoten. Het is dus [A] die aan de rechtsbetrekking tussen haar en [eiser] een eind heeft gemaakt. [eiser] heeft hiertegen destijds geen bezwaar geuit. Bovendien heeft GXO geen invloed kunnen uitoefenen op de beslissing van [A] . Partijen beginnen met een schone lei. Tijdsduur is – zoals geschetst – slechts een van de te wegen omstandigheden en in het licht van de geschetste omstandigheden is tweeëneenhalf jaar al genoeg om van een duurovereenkomst te spreken. De opzeggingen 4.5. Nu de rechtbank heeft vastgesteld dat er een duurovereenkomst is, komt de vraag naar voren of deze duurovereenkomst – al dan niet onder voorwaarden – opzegbaar was. Daarbij hoort ook de (sub)vraag of de handelswijze van GXO in dat kader toelaatbaar was. Opzegging 1: ontoelaatbaar 4.6. Het van de ene op de andere dag zonder vooraankondiging stopzetten van de opdrachten, zonder adequate compensatie, was – gelet op de onder 4.4 genoemde indicaties – ontoelaatbaar. Dit wordt ook door GXO onderkend. Zij omschrijft haar handelswijze als “ niet netjes ” (#2.6) en voelde zich ook gehouden om [eiser] tegemoet te komen door [eiser] gedurende een periode weer opdrachten te verstrekken (#2.9 en 2.10). Het opnieuw verstrekken van opdrachten heeft echter niet (volledig) het plots wegvallen van de opdrachten kunnen helen. Immers: doordat [eiser] door de handelswijze werd overvallen, kon zij hierop niet anticiperen. Dat leidde noodgedwongen tot het (deels) stilvallen van bedrijfsactiviteiten en het (gedeeltelijk) wegvallen van de inkomstenstroom. 4.7. De gevorderde verklaring voor recht is dus deels – voor wat betreft opzegging 1 en op de wijze zoals geformuleerd in het dictum – toewijsbaar. Over het gevorderde voorschot en de schadestaatverwijzing, komt de rechtbank verderop in dit vonnis te spreken (#4.12 en volgende). Opzegging 2: toelaatbaar 4.8. Zoals aangegeven is het uitgangspunt dat een duurovereenkomst opzegbaar is. Dat is dus iets waar ook [eiser] altijd rekening mee heeft moeten houden. Voor zover dit bij [eiser] niet meer helder op het netvlies stond, moet de eerste opzegging dit besef toch weer naar de voorgrond hebben getrokken. Hoewel de rechtbank begrip heeft voor de hoop en wens van [eiser] dat haar steeds verdergaande concessies op prijsgebied zouden leiden tot een continuering van de opdrachten, zal de handelswijze van GXO in de periode na de eerste opzegging, ook moeten hebben voorkomen dat [eiser] op dat punt “weer in slaap zou worden gesust”. Meermaals heeft GXO benadrukt dat de handelsrelatie wat haar betreft op zijn einde liep en meermaals is door GXO ter sprake gebracht dat de prijzen een struikelblok vormden voor het blijven verstrekken van opdrachten (#2.10, 2.11, 2.12, 2.14 en 2.17). 4.9. De gehanteerde opzegtermijn van circa drie maanden acht de rechtbank in dit geval redelijk. Zij legt dit uit. In de eerste plaats verwijst de rechtbank naar rechtsoverweging 4.8. [eiser] had al alert kunnen en moeten zijn. In de tweede plaats verwijst de rechtbank naar rechtsoverweging 4.4. Partijen hebben een contractuele relatie gehad van circa tweeëneenhalf jaar. De periode waarin [eiser] rechtstreeks voor [A] reed, telt niet mee. Tweeëneenhalf jaar komt neer op 30 maanden. Een opzegtermijn van drie maanden is dan geen onredelijke termijn. Dit komt neer op 1/10de van de hele samenwerkingsperiode. 4.10. De rechtbank oordeelt voorts dat er aan de opzegging geen nadere (d.w.z. aanvullend op een redelijke opzegtermijn) voorwaarden hoeven worden verbonden. Zij licht dit toe. 4.10.1.
Volledig
[eiser] heeft investeringen (een groter pand huren, meer mensen aannemen en meer voertuigen leasen) moeten doen om de wensen van GXO te kunnen accommoderen. Door lopende prijsonderhandelingen is [eiser] niet op zoek gegaan naar een andere opdrachtgever. Nieuwe opdrachtgevers vereisen ook een onmiddellijke start en die kon [eiser] niet bieden omdat ze (deels) nog voor GXO aan de slag was. [eiser] stelt schade te hebben geleden van ten minste € 108.223, - (dit ten gevolge van de eerste opzegging). De schade voor de tweede opzegging is volgens [eiser] nog niet inzichtelijk. [eiser] vordert voor de nog niet bekende schade een schadestaatverwijzing. 3.3. GXO voert verweer. GXO concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure. 3.4. GXO voert samengevat het volgende aan. GXO betwist dat er sprake is van een duurovereenkomst. Partijen hebben 2,5 jaar met elkaar samengewerkt (Het verleden met [A] telt niet mee). De samenwerking geschiedde op afroep. GXO betwist een ontoelaatbare opzegging, schadeplichtigheid en de hoogte van de gestelde schade. GXO betwist de door [eiser] gestelde afhankelijkheid en haar gebondenheid en de gesteld gedane investeringen in pand, personeel en transportmiddelen. 3.5. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4 De beoordeling 4.1. Partijen twisten (dus) over de vraag of tussen hen een duurovereenkomst tot stand is gekomen en wat daarvan dan de consequenties zouden moeten zijn. Wettelijk kader duurovereenkomsten 4.2. Of een overeenkomst kwalificeert als een duurovereenkomst, is – kort gezegd – een kwestie van uitleg is. Onder verwijzing naar artikelen 3:33 en 3:35 BW, ECLI:NL:HR:1981:AG4158 en ECLI:NL:GHSHE:2016:1305 merkt de rechtbank op dat daarbij van belang is de betekenis die partijen over en weer aan elkaars verklaringen redelijkerwijs mochten toekennen en zij op basis van deze verklaringen redelijkerwijs mochten verwachten. Daarbij mogen alle omstandigheden van het geval worden meegewogen. Als we te maken hebben met een duurovereenkomst, dan is het uitgangspunt dat deze direct opzegbaar zijn, tenzij de redelijkheid en billijkheid zich daartegen verzetten. Ook kunnen er vanuit de redelijkheid en billijkheid voorwaarden aan de opzegging worden verbonden. Toepassing Er is een duurovereenkomst 4.3. De schriftelijke basis van de rechtsverhouding is gelegen in de SPO (zie #2.3). De SPO bevat veel “praktische” informatie over de inrichting van het transport en de bijbehorende formaliteiten. De “scope”, rollen en verantwoordelijkheden zijn kort omschreven in hoofdstuk 5: Aan [eiser] zijn in de SPO een aantal Key Performance Indicators (KPI’s) toebedeeld (8.3). Er worden eisen gesteld aan de transportmiddelen (geur, properheid, waterdichtheid, aanwezigheid van voldoende spanbanden). Er zijn geen bepalingen over een gegarandeerd aantal transporten. De SOP verzorgt het raamwerk voor de losse, per mail verzonden opdrachten door GXO aan [eiser] . De SOP is niet aangegaan voor een bepaalde tijd. Er zijn geen bepalingen opgenomen over beëindiging van de SOP. 4.4. Naar het oordeel van de rechtbank is de rechtsverhouding tussen [eiser] en GXO verworden tot een duurovereenkomst. De rechtbank legt dit uit. Er zijn indicaties en contra-indicaties. Deze zal de rechtbank hierna noemen. De indicaties zijn in dit geval sterker dan de contra-indicaties. De eerste indicatie is het gebruik van een raamovereenkomst. Dit is alleen gebruikelijk als de intentie is om frequent zaken te doen. De tweede indicatie is de wijze van opdrachtverstrekking. Opdrachten kwamen per mail en er werd zonder meer op vertrouwd – ook als er geen bevestiging kwam – dat [eiser] de opdracht zou uitvoeren. Ook staat vast dat [eiser] gedurende een periode van tweeëneenhalf jaar meermaals per week naar circa 12 verschillende locaties in binnen- en buitenland reed. Er werden dus zeer frequent en consequent opdrachten verstrekt. Ook de aard van opdrachten speelt mee: telkens werd van [eiser] min of meer hetzelfde verwacht; de vraag vanuit [A] bleef aanwezig, dus moest de voorraad telkens worden aangevuld. Contra-indicaties zijn de afwezigheid van afnameverplichtingen of afspraken over groeipotentie of investeringen. De rechtbank gaat uit van de bovengenoemde duur van tweeëneenhalf jaar. De periode waarin [eiser] rechtsreeks voor [A] reed, rekent de rechtbank niet mee. Zij legt dit uit. [A] is een eigen entiteit. [A] heeft zelf het besluit genomen om haar rechtstreekse relatie met [eiser] te beëindigen door activiteiten af te stoten. Het is dus [A] die aan de rechtsbetrekking tussen haar en [eiser] een eind heeft gemaakt. [eiser] heeft hiertegen destijds geen bezwaar geuit. Bovendien heeft GXO geen invloed kunnen uitoefenen op de beslissing van [A] . Partijen beginnen met een schone lei. Tijdsduur is – zoals geschetst – slechts een van de te wegen omstandigheden en in het licht van de geschetste omstandigheden is tweeëneenhalf jaar al genoeg om van een duurovereenkomst te spreken. De opzeggingen 4.5. Nu de rechtbank heeft vastgesteld dat er een duurovereenkomst is, komt de vraag naar voren of deze duurovereenkomst – al dan niet onder voorwaarden – opzegbaar was. Daarbij hoort ook de (sub)vraag of de handelswijze van GXO in dat kader toelaatbaar was. Opzegging 1: ontoelaatbaar 4.6. Het van de ene op de andere dag zonder vooraankondiging stopzetten van de opdrachten, zonder adequate compensatie, was – gelet op de onder 4.4 genoemde indicaties – ontoelaatbaar. Dit wordt ook door GXO onderkend. Zij omschrijft haar handelswijze als “ niet netjes ” (#2.6) en voelde zich ook gehouden om [eiser] tegemoet te komen door [eiser] gedurende een periode weer opdrachten te verstrekken (#2.9 en 2.10). Het opnieuw verstrekken van opdrachten heeft echter niet (volledig) het plots wegvallen van de opdrachten kunnen helen. Immers: doordat [eiser] door de handelswijze werd overvallen, kon zij hierop niet anticiperen. Dat leidde noodgedwongen tot het (deels) stilvallen van bedrijfsactiviteiten en het (gedeeltelijk) wegvallen van de inkomstenstroom. 4.7. De gevorderde verklaring voor recht is dus deels – voor wat betreft opzegging 1 en op de wijze zoals geformuleerd in het dictum – toewijsbaar. Over het gevorderde voorschot en de schadestaatverwijzing, komt de rechtbank verderop in dit vonnis te spreken (#4.12 en volgende). Opzegging 2: toelaatbaar 4.8. Zoals aangegeven is het uitgangspunt dat een duurovereenkomst opzegbaar is. Dat is dus iets waar ook [eiser] altijd rekening mee heeft moeten houden. Voor zover dit bij [eiser] niet meer helder op het netvlies stond, moet de eerste opzegging dit besef toch weer naar de voorgrond hebben getrokken. Hoewel de rechtbank begrip heeft voor de hoop en wens van [eiser] dat haar steeds verdergaande concessies op prijsgebied zouden leiden tot een continuering van de opdrachten, zal de handelswijze van GXO in de periode na de eerste opzegging, ook moeten hebben voorkomen dat [eiser] op dat punt “weer in slaap zou worden gesust”. Meermaals heeft GXO benadrukt dat de handelsrelatie wat haar betreft op zijn einde liep en meermaals is door GXO ter sprake gebracht dat de prijzen een struikelblok vormden voor het blijven verstrekken van opdrachten (#2.10, 2.11, 2.12, 2.14 en 2.17). 4.9. De gehanteerde opzegtermijn van circa drie maanden acht de rechtbank in dit geval redelijk. Zij legt dit uit. In de eerste plaats verwijst de rechtbank naar rechtsoverweging 4.8. [eiser] had al alert kunnen en moeten zijn. In de tweede plaats verwijst de rechtbank naar rechtsoverweging 4.4. Partijen hebben een contractuele relatie gehad van circa tweeëneenhalf jaar. De periode waarin [eiser] rechtstreeks voor [A] reed, telt niet mee. Tweeëneenhalf jaar komt neer op 30 maanden. Een opzegtermijn van drie maanden is dan geen onredelijke termijn. Dit komt neer op 1/10de van de hele samenwerkingsperiode. 4.10. De rechtbank oordeelt voorts dat er aan de opzegging geen nadere (d.w.z. aanvullend op een redelijke opzegtermijn) voorwaarden hoeven worden verbonden. Zij licht dit toe. 4.10.1.
Volledig
Zoals geschetst – zie rechtsoverweging 4.8 – vormden de door [eiser] gehanteerde prijzen voor GXO een struikelblok. De prijs is doorgaans een kernbeding in overeenkomsten. GXO heeft ter zitting toegelicht dat zij door het met [A] overeengekomen “open-boek-principe” onder druk stond om – kort gezegd – prijsbewust te opereren. Het is daarbij een feit van algemene bekendheid dat de transportsector een hoge concurrentiedruk kent waarbij scherp op de marges wordt gelet. Onenigheid over de prijs is een voldoende zwaarwegende grond om tot beëindiging over te gaan. Dat laat onverlet dat het voor de rechtbank invoelbaar is dat het voor [eiser] frustrerend moet zijn geweest om het idee te hebben dat zij telkenmale volledig aan de wensen van GXO tegemoet kwam en vervolgens toch achter het net te vissen. 4.10.2. [eiser] heeft als feitelijke grondslag ook – kort gezegd (zie uitgebreider 3.2) – aangevoerd dat zij haar bedrijf(sacitiviteiten) heeft afgestemd op de opdrachten vanuit GXO. In lijn met het door GXO aangehaalde arrest van het Amsterdamse hof (ECLI:NL:GHAMS:2024:92) oordeelt de rechtbank dat – als er al sprake is van een afhankelijkheidssituatie – [eiser] de afhankelijkheid zelf heeft gecreëerd. Vaststaat dat GXO geen bijzondere investeringen aan [eiser] heeft opgelegd en dat partijen geen minimum aantal ritten zijn overeengekomen. [eiser] heeft (betwist door GXO) onder verwijzing naar productie 16 bij dagvaarding gesteld dat 80% van haar omzet afkomstig is van GXO. Als de rechtbank uit zou gaan van de juistheid van de cijfers in productie 16, dan valt op dat het gestelde omzetpercentage in 2021 nog 64,9% was, in 2022 opklom naar 75,8% en in 2023 uitkwam op 80,2% De rechtbank brengt in herinnering dat de overeenkomst tussen (de rechtsvoorgangster van) GXO en [eiser] stamt uit 2021. [eiser] is zich dus meer en meer op GXO gaan richten. Kortom, als [eiser] haar activiteiten op GXO heeft afgestemd, dan is dat een eigen keuze geweest en draagt zij daarvoor ook het ondernemingsrisico. 4.10.3. [eiser] heeft gesteld dat de wijze waarop de opdrachtverstrekking vanuit GXO geschiedde en de wijze waarop het segment van de vervoersmarkt waarin zij opereert, het voor haar niet mogelijk maakte om – kort gezegd – gelijktijdig in zee te gaan met andere opdrachtgevers. Ten aanzien van de eerste opzegging heeft de rechtbank al geoordeeld dat [eiser] daarop inderdaad niet had kunnen anticiperen. Voor de tweede opzegging ligt dat anders. Als de rechtbank zou uitgaan van de juistheid van deze stelling, dan is dat nog steeds niet iets wat aan GXO is tegen te werpen. Het gebrek aan alternatieven is terug te voeren op de door [eiser] gekozen inrichting van haar onderneming. 4.11. De gevorderde verklaring voor recht wordt op dit punt afgewezen. Ook is hier geen ruimte meer voor een voorschot op schadevergoeding of een schadestaatverwijzing. De gevolgen van de ontoelaatbare opzegging en de Schadestaatverwijzing 4.12. Onder rechtsoverweging 4.6 heeft de rechtbank al kort stilgestaan bij de gevolgen van de eerste (en ontoelaatbare) opzegging. Kort gezegd: in ieder geval een deel van de inkomstenstroom van [eiser] viel plotsklaps weg gedurende een periode van een aantal weken. [eiser] heeft in dit kader twee soorten schadevorderingen ingesteld: een voorschot ad € 108.233, - en een verwijzing naar een schadestaatprocedure. 4.13. Aan verwijzing naar de schadestaatprocedure zijn drie voorwaarden verbonden. 4.13.1. Ten eerste moet de rechtbank aansprakelijkheid hebben vastgesteld. Dat is hier het geval. 4.13.2. Verder moet de mogelijkheid van schade aannemelijk zijn. Dat is hier het geval. Het plotsklaps wegvallen van een stroom transportopdrachten lijkt in ieder geval te zorgen voor het (deels) mislopen van de inkomsten die met dit transport samenhangen. Het ligt in de rede dat [eiser] door de bank genomen winst maakt op het uitvoeren van de opdrachten. Anders had hij niet gedurende een aantal jaren haar onderneming kunnen drijven. 4.14. De rechtbank benadrukt dat de rechtbank in de schadestaatprocedure dus enkel zal gaan kijken naar schade die voortvloeit uit de periode van circa 7 weken tussen het plots stilvallen van het werk in augustus 2023 en de hervatting in oktober 2023. 4.14.1. Als laatste voorwaarde geldt dat de schade zich in deze procedure niet laat begroten op basis van het partijdebat en de gewisselde stukken. Daar is hier sprake van. De rechtbank legt uit waarom bij het bespreken van de vordering tot betaling van een voorschot (zie #4.15 en volgende). De voorschotvordering wordt afgewezen 4.15. Zoals aangegeven onder #3.1 vordert [eiser] dat GXO wordt veroordeeld tot betaling van een voorschot van € 108.223, -. Ter zitting bleek dit bedrag niet correct. Het bedrag bleek deels te bestaan uit wel gereden ritten. In de correspondentie – zie productie 6 bij dagvaarding – wordt een bedrag van € 46.761,75 genoemd wat volgens GXO door [eiser] zou zijn omschreven als compensatiebedrag. Verder heeft [eiser] ter zitting toegelicht – zie #2.7 – dat zij op aanraden van Transport en Logistiek Nederland (TLN) aan GXO heeft gefactureerd als ware er de gebruikelijke opdrachten verstrekt. Dit gaat dus om omzet. Anders dan [eiser] ter zitting heeft betoogd, is omzetverlies niet gelijk aan schade. Omzet is de totale waarde van de geleverde diensten voordat de kosten er zijn afgehaald. Doordat [eiser] niet heeft hoeven rijden, heeft zij mogelijk ook kosten bespaard. Deze bespaarde kosten zijn geen schade. De rechtbank kan dan ook niet van voornoemde bedragen uitgaan en heeft voorts ook geen andere objectieve aanknopingspunten voor deze periode. 4.16. De kosten die [eiser] heeft opgevoerd ten aanzien van het wagenpark en het bedrijfspand, hangen – voor zover deze voor juist zouden worden gehouden, hetgeen nog niet vaststaat – naar het oordeel van de rechtbank samen met de tweede opzegging en komen daarmee niet voor vergoeding in aanmerking. Deze gestelde kosten kunnen dus ook niet worden gebruikt als feitelijke grondslag voor het voorschotbedrag. Proceskosten 4.17. Partijen zijn over en weer deels in het (on)gelijk gesteld. De rechtbank zal de proceskosten compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. 5 De beslissing De rechtbank 5.1. verklaart voor recht dat het GXO voor de eerste opzegging niet was toegestaan om de duurovereenkomst tussen partijen op te zeggen zonder een zwaarwegende grond en/of zonder inachtneming van een (langere) opzegtermijn en/of aanbod tot vergoeding van de schade, 5.2. verklaart voor recht dat GXO jegens [eiser] aansprakelijk is voor de schade die door [eiser] is geleden en eventueel nog zal worden geleden als gevolg van de eerste opzegging over de periode vanaf de datum van het stilvallen van de opdrachten in augustus 2023 tot het moment dat de opdrachten weer werden verstrekt in oktober 2023, 5.3. veroordeelt GXO tot vergoeding aan [eiser] van de onder 5.2 genoemde schade, op te maken bij staat, 5.4. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad, 5.5. compenseert de proceskosten tussen partijen, 5.6. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. E.J.C. Adang en in het openbaar uitgesproken op 15 april 2026. Verspreid over 4 facturen van 1 (2x), 2 en 9 oktober 2023.
Volledig
Zoals geschetst – zie rechtsoverweging 4.8 – vormden de door [eiser] gehanteerde prijzen voor GXO een struikelblok. De prijs is doorgaans een kernbeding in overeenkomsten. GXO heeft ter zitting toegelicht dat zij door het met [A] overeengekomen “open-boek-principe” onder druk stond om – kort gezegd – prijsbewust te opereren. Het is daarbij een feit van algemene bekendheid dat de transportsector een hoge concurrentiedruk kent waarbij scherp op de marges wordt gelet. Onenigheid over de prijs is een voldoende zwaarwegende grond om tot beëindiging over te gaan. Dat laat onverlet dat het voor de rechtbank invoelbaar is dat het voor [eiser] frustrerend moet zijn geweest om het idee te hebben dat zij telkenmale volledig aan de wensen van GXO tegemoet kwam en vervolgens toch achter het net te vissen. 4.10.2. [eiser] heeft als feitelijke grondslag ook – kort gezegd (zie uitgebreider 3.2) – aangevoerd dat zij haar bedrijf(sacitiviteiten) heeft afgestemd op de opdrachten vanuit GXO. In lijn met het door GXO aangehaalde arrest van het Amsterdamse hof (ECLI:NL:GHAMS:2024:92) oordeelt de rechtbank dat – als er al sprake is van een afhankelijkheidssituatie – [eiser] de afhankelijkheid zelf heeft gecreëerd. Vaststaat dat GXO geen bijzondere investeringen aan [eiser] heeft opgelegd en dat partijen geen minimum aantal ritten zijn overeengekomen. [eiser] heeft (betwist door GXO) onder verwijzing naar productie 16 bij dagvaarding gesteld dat 80% van haar omzet afkomstig is van GXO. Als de rechtbank uit zou gaan van de juistheid van de cijfers in productie 16, dan valt op dat het gestelde omzetpercentage in 2021 nog 64,9% was, in 2022 opklom naar 75,8% en in 2023 uitkwam op 80,2% De rechtbank brengt in herinnering dat de overeenkomst tussen (de rechtsvoorgangster van) GXO en [eiser] stamt uit 2021. [eiser] is zich dus meer en meer op GXO gaan richten. Kortom, als [eiser] haar activiteiten op GXO heeft afgestemd, dan is dat een eigen keuze geweest en draagt zij daarvoor ook het ondernemingsrisico. 4.10.3. [eiser] heeft gesteld dat de wijze waarop de opdrachtverstrekking vanuit GXO geschiedde en de wijze waarop het segment van de vervoersmarkt waarin zij opereert, het voor haar niet mogelijk maakte om – kort gezegd – gelijktijdig in zee te gaan met andere opdrachtgevers. Ten aanzien van de eerste opzegging heeft de rechtbank al geoordeeld dat [eiser] daarop inderdaad niet had kunnen anticiperen. Voor de tweede opzegging ligt dat anders. Als de rechtbank zou uitgaan van de juistheid van deze stelling, dan is dat nog steeds niet iets wat aan GXO is tegen te werpen. Het gebrek aan alternatieven is terug te voeren op de door [eiser] gekozen inrichting van haar onderneming. 4.11. De gevorderde verklaring voor recht wordt op dit punt afgewezen. Ook is hier geen ruimte meer voor een voorschot op schadevergoeding of een schadestaatverwijzing. De gevolgen van de ontoelaatbare opzegging en de Schadestaatverwijzing 4.12. Onder rechtsoverweging 4.6 heeft de rechtbank al kort stilgestaan bij de gevolgen van de eerste (en ontoelaatbare) opzegging. Kort gezegd: in ieder geval een deel van de inkomstenstroom van [eiser] viel plotsklaps weg gedurende een periode van een aantal weken. [eiser] heeft in dit kader twee soorten schadevorderingen ingesteld: een voorschot ad € 108.233, - en een verwijzing naar een schadestaatprocedure. 4.13. Aan verwijzing naar de schadestaatprocedure zijn drie voorwaarden verbonden. 4.13.1. Ten eerste moet de rechtbank aansprakelijkheid hebben vastgesteld. Dat is hier het geval. 4.13.2. Verder moet de mogelijkheid van schade aannemelijk zijn. Dat is hier het geval. Het plotsklaps wegvallen van een stroom transportopdrachten lijkt in ieder geval te zorgen voor het (deels) mislopen van de inkomsten die met dit transport samenhangen. Het ligt in de rede dat [eiser] door de bank genomen winst maakt op het uitvoeren van de opdrachten. Anders had hij niet gedurende een aantal jaren haar onderneming kunnen drijven. 4.14. De rechtbank benadrukt dat de rechtbank in de schadestaatprocedure dus enkel zal gaan kijken naar schade die voortvloeit uit de periode van circa 7 weken tussen het plots stilvallen van het werk in augustus 2023 en de hervatting in oktober 2023. 4.14.1. Als laatste voorwaarde geldt dat de schade zich in deze procedure niet laat begroten op basis van het partijdebat en de gewisselde stukken. Daar is hier sprake van. De rechtbank legt uit waarom bij het bespreken van de vordering tot betaling van een voorschot (zie #4.15 en volgende). De voorschotvordering wordt afgewezen 4.15. Zoals aangegeven onder #3.1 vordert [eiser] dat GXO wordt veroordeeld tot betaling van een voorschot van € 108.223, -. Ter zitting bleek dit bedrag niet correct. Het bedrag bleek deels te bestaan uit wel gereden ritten. In de correspondentie – zie productie 6 bij dagvaarding – wordt een bedrag van € 46.761,75 genoemd wat volgens GXO door [eiser] zou zijn omschreven als compensatiebedrag. Verder heeft [eiser] ter zitting toegelicht – zie #2.7 – dat zij op aanraden van Transport en Logistiek Nederland (TLN) aan GXO heeft gefactureerd als ware er de gebruikelijke opdrachten verstrekt. Dit gaat dus om omzet. Anders dan [eiser] ter zitting heeft betoogd, is omzetverlies niet gelijk aan schade. Omzet is de totale waarde van de geleverde diensten voordat de kosten er zijn afgehaald. Doordat [eiser] niet heeft hoeven rijden, heeft zij mogelijk ook kosten bespaard. Deze bespaarde kosten zijn geen schade. De rechtbank kan dan ook niet van voornoemde bedragen uitgaan en heeft voorts ook geen andere objectieve aanknopingspunten voor deze periode. 4.16. De kosten die [eiser] heeft opgevoerd ten aanzien van het wagenpark en het bedrijfspand, hangen – voor zover deze voor juist zouden worden gehouden, hetgeen nog niet vaststaat – naar het oordeel van de rechtbank samen met de tweede opzegging en komen daarmee niet voor vergoeding in aanmerking. Deze gestelde kosten kunnen dus ook niet worden gebruikt als feitelijke grondslag voor het voorschotbedrag. Proceskosten 4.17. Partijen zijn over en weer deels in het (on)gelijk gesteld. De rechtbank zal de proceskosten compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. 5 De beslissing De rechtbank 5.1. verklaart voor recht dat het GXO voor de eerste opzegging niet was toegestaan om de duurovereenkomst tussen partijen op te zeggen zonder een zwaarwegende grond en/of zonder inachtneming van een (langere) opzegtermijn en/of aanbod tot vergoeding van de schade, 5.2. verklaart voor recht dat GXO jegens [eiser] aansprakelijk is voor de schade die door [eiser] is geleden en eventueel nog zal worden geleden als gevolg van de eerste opzegging over de periode vanaf de datum van het stilvallen van de opdrachten in augustus 2023 tot het moment dat de opdrachten weer werden verstrekt in oktober 2023, 5.3. veroordeelt GXO tot vergoeding aan [eiser] van de onder 5.2 genoemde schade, op te maken bij staat, 5.4. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad, 5.5. compenseert de proceskosten tussen partijen, 5.6. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. E.J.C. Adang en in het openbaar uitgesproken op 15 april 2026. Verspreid over 4 facturen van 1 (2x), 2 en 9 oktober 2023.