Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant
2026-04-16
ECLI:NL:RBOBR:2026:2478
Civiel recht
Bodemzaak
4,062 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBOBR:2026:2478 text/xml public 2026-04-28T11:23:49 2026-04-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Oost-Brabant 2026-04-16 11786470 \ CV EXPL 25-5018 Uitspraak Bodemzaak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Eindhoven Civiel recht Rechtspraak.nl AR-Updates.nl 2026-0626 VAAN-AR-Updates.nl 2026-0626 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:2478 text/html public 2026-04-20T09:29:00 2026-04-22 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBOBR:2026:2478 Rechtbank Oost-Brabant , 16-04-2026 / 11786470 \ CV EXPL 25-5018 Tussen partijen is in discussie of een eiser (voormalig werkneemster) aanspraak kan maken op salaris vermeerderd met emolumenten over de 15 minuten voor aanvang van haar dienst en de 15 minuten na afloop van de diensten die zij heeft gewerkt. Zij stelt dat zij die inloop- en uitlooptijd heeft gewerkt en dat die tijd als werktijd aangemerkt dient te worden. De vordering van eiser wordt afgewezen, omdat volgens de kantonrechter niet is komen vast te staan dat er in het onderhavige geval sprake is van een voorschrift (in bijvoorbeeld een reglement) om vijftien minuten voor aanvang van de dienst aanwezig te zijn om de schoonmaakkar klaar te maken en na afloop nog vijftien minuten te blijven om de spullen op te ruimen. RECHTBANK OOST-BRABANT Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Eindhoven Zaaknummer: 11786470 \ CV EXPL 25-5018 Vonnis van 16 april 2026 in de zaak van [eiser] , te [plaats] , eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , gemachtigde: mr. I.T.F. van den Heuvel, tegen STICHTING ST. ANNA ZORGGROEP , te Geldrop, gedaagde partij, hierna te noemen: Anna, gemachtigde: mr. F.J. van Wijk. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 23 juni 2025 met tien producties - de conclusie van antwoord met twee producties - de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald - de nadere door [eiser] overgelegde productie 11 - de mondelinge behandeling van 2 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt - de spreekaantekeningen van de gemachtigde van [eiser] , waarin tevens de eis is gewijzigd. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. Anna betreft een brede zorggroep die een ziekenhuis exploiteert in Geldrop en Eindhoven, vier woonzorgcentra in Geldrop en Heeze en een medisch sportgezondheidscentrum in Eindhoven. 2.2. [eiser] is vanaf 6 september 2010 tot 1 maart 2025 in dienst geweest bij Anna in de functie van Medewerker beddencentrale B. Op 18 juli 2022 heeft zij zich ziek moeten melden en vanaf 4 juli 2024 heeft [eiser] recht op een WIA-uitkering. 2.3. Anna en [eiser] hebben op 14 februari 2025 een vaststellingsovereenkomst gesloten inzake de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. In artikel 10 van de vaststellingsovereenkomst is (onder meer) het volgende opgenomen: “ Artikel 10 ” […] “ Van de finale kwijting is uitgezonderd een eventuele loonvordering van Werknemer terzake de tijd die werkneemster voor en na afloop van een dienst aanwezig was bij Werkgever en die naar haar mening beschouwd zou moeten worden als werktijd en aan haar zou moeten worden uitbetaald .” 3 Het geschil 3.1. [eiser] vordert - samengevat – na wijziging van eis, om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, Anna te veroordelen: I. tot betaling aan [eiser] van een bedrag van € 8.047,34 bruto aan te weinig betaald salaris, € 670,34 aan te weinig betaalde vakantietoeslag en € 670,34 bruto aan te weinig betaalde eindejaarsuitkering, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 50%; II. tot betaling aan [eiser] van een bedrag van € 942,43 bruto aan te weinig betaalde transitievergoeding; III. tot betaling aan [eiser] van een vergoeding van € 291,62 bruto aan te weinig betaalde PLB-uren, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 50%; IV. tot betaling aan [eiser] van een vergoeding van € 799,36 bruto aan te weinig betaalde vakantie uren, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 50%, V. om binnen vijf dagen na betaling van het bovenstaande over te gaan tot toezending van een deugdelijke bruto-netto specificatie, op verbeurte van een dwangsom van € 250,00 voor elke dag dat Anna in gebreke blijft, met een maximum van € 5.000,00 Daarnaast vordert [eiser] wettelijke rente en een veroordeling van Anna in de proceskosten. 3.2. Anna voert verweer. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4 De beoordeling 4.1. De vorderingen van [eiser] worden afgewezen. Hieronder wordt nader toegelicht waarom. 4.2. [eiser] stelt dat zij gedurende de periode dat zij bij Anna werkzaam was, altijd vijftien minuten voor aanvang van de werktijd en vijftien minuten na afloop van de werktijd aanwezig moest zijn. [eiser] moest op de begintijd van haar dienst met haar schoonmaakkar die volledig klaar was (gepakt en gevuld met zuiver water etc.) op de afdeling aanwezig zijn. De werkzaamheden bestonden volgens [eiser] uit het hangen van een vuilniszak aan de schoonmaakkar en het vullen van de drie bakken in de kar met blauwe en roze doekjes en dweilen. Deze doekjes en dweilen moesten vochtig worden gemaakt. Na het vullen van de schoonmaakkar ging [eiser] met de kar naar de afdeling. Zij mocht pas op het einde van de werktijd naar beneden met haar kar en daar moest de kar dan nog leeg en schoongemaakt worden. De was moest in de wasmachine worden gedaan, of als deze vol was in drie bakken worden gesorteerd en de vuilniszak moest als zij op de poli stond worden weggegooid. [eiser] was in de ochtend vijftien minuten met deze werkzaamheden bezig en na afloop ook vijftien minuten 4.3. Ter onderbouwing heeft [eiser] verschillende WhatsApp-berichten overgelegd van (oud) medewerkers van Anna. [eiser] is van mening dat zij recht heeft op betaling van de extra gewerkte tijd van dertig minuten per dag en vordert daarom te weinig betaald salaris en emolumenten over de jaren 2019 (vanaf 16 december) tot en met 2024. [eiser] verwijst daarbij naar het arrest van de Hoge Raad van 13 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1161. 4.4. Anna voert aan dat er in de situatie van het arrest schriftelijke planningsregels waren waarin met betrekking tot de werktijden exact was bepaald dat de werknemer zich altijd tien minuten voor aanvang van de dienst diende te melden bij de supervisor, zodat de werknemer tien minuten later klaar zou zitten achter zijn bureau om zijn eerste call te maken. Dit werd gezien als een instructie van de werkgever. Wat de werknemer vervolgens in deze tien minuten deed, deed niet meer ter zake. Door de meldplicht was de werknemer beperkt in de mogelijkheden zijn tijd aan eigen zaken te besteden. Dat maakte dat het hof van oordeel was dat de tien minuten als arbeidstijd waren aan te merken. 4.5. Anna betwist dat er in de periode vanaf december 2019 tot eind 2024 een verplichting bestond voor [eiser] om vijftien minuten voor aanvang en vijftien minuten na afloop van de dienst aanwezig te zijn. Het is en was bij Anna gebruikelijk dat een Medewerker Beddencentrale/Medewerker Schoonmaak bij aanvang van de dienst met de schoonmaakkar klaar stond op de afdeling waar de werkzaamheden verrichten dienen te worden, de werkplek, maar er was geen schriftelijke of mondelinge afspraak. Deze situatie is volgens Anna vergelijkbaar met bijvoorbeeld een administratieve werknemer die op de aanvangstijd achter zijn of haar bureau moet zitten om met de werkzaamheden te kunnen beginnen. De tijd om van de ingang van het gebouw waarin wordt gewerkt, tot de werkplek te kopen, hoeft daarbij volgens Anna niet meegerekend te worden bij de arbeidstij. Dat is tijd die nodig is om bij de werkplek te komen. 4.6. De kantonrechter is van oordeel dat voorbereidende werkzaamheden kunnen worden aangemerkt als (betaalde) arbeidstijd. Daarbij geldt wel dat er sprake moet zijn van een daadwerkelijk voorschrift van de werkgever en daadwerkelijke werkzaamheden. Het is aan de werknemer om te stellen en zo nodig te bewijzen dat daarvan sprake is. In de uitspraak van de Hoge Raad waar [eiser] naar verwijst, was er sprake van een schriftelijk voorschrift in een reglement om tien minuten voor aanvang aanwezig te zijn.
Volledig
ECLI:NL:RBOBR:2026:2478 text/xml public 2026-04-28T11:23:49 2026-04-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Oost-Brabant 2026-04-16 11786470 \ CV EXPL 25-5018 Uitspraak Bodemzaak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Eindhoven Civiel recht Rechtspraak.nl AR-Updates.nl 2026-0626 VAAN-AR-Updates.nl 2026-0626 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:2478 text/html public 2026-04-20T09:29:00 2026-04-22 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBOBR:2026:2478 Rechtbank Oost-Brabant , 16-04-2026 / 11786470 \ CV EXPL 25-5018 Tussen partijen is in discussie of een eiser (voormalig werkneemster) aanspraak kan maken op salaris vermeerderd met emolumenten over de 15 minuten voor aanvang van haar dienst en de 15 minuten na afloop van de diensten die zij heeft gewerkt. Zij stelt dat zij die inloop- en uitlooptijd heeft gewerkt en dat die tijd als werktijd aangemerkt dient te worden. De vordering van eiser wordt afgewezen, omdat volgens de kantonrechter niet is komen vast te staan dat er in het onderhavige geval sprake is van een voorschrift (in bijvoorbeeld een reglement) om vijftien minuten voor aanvang van de dienst aanwezig te zijn om de schoonmaakkar klaar te maken en na afloop nog vijftien minuten te blijven om de spullen op te ruimen. RECHTBANK OOST-BRABANT Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Eindhoven Zaaknummer: 11786470 \ CV EXPL 25-5018 Vonnis van 16 april 2026 in de zaak van [eiser] , te [plaats] , eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , gemachtigde: mr. I.T.F. van den Heuvel, tegen STICHTING ST. ANNA ZORGGROEP , te Geldrop, gedaagde partij, hierna te noemen: Anna, gemachtigde: mr. F.J. van Wijk. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 23 juni 2025 met tien producties - de conclusie van antwoord met twee producties - de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald - de nadere door [eiser] overgelegde productie 11 - de mondelinge behandeling van 2 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt - de spreekaantekeningen van de gemachtigde van [eiser] , waarin tevens de eis is gewijzigd. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. Anna betreft een brede zorggroep die een ziekenhuis exploiteert in Geldrop en Eindhoven, vier woonzorgcentra in Geldrop en Heeze en een medisch sportgezondheidscentrum in Eindhoven. 2.2. [eiser] is vanaf 6 september 2010 tot 1 maart 2025 in dienst geweest bij Anna in de functie van Medewerker beddencentrale B. Op 18 juli 2022 heeft zij zich ziek moeten melden en vanaf 4 juli 2024 heeft [eiser] recht op een WIA-uitkering. 2.3. Anna en [eiser] hebben op 14 februari 2025 een vaststellingsovereenkomst gesloten inzake de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. In artikel 10 van de vaststellingsovereenkomst is (onder meer) het volgende opgenomen: “ Artikel 10 ” […] “ Van de finale kwijting is uitgezonderd een eventuele loonvordering van Werknemer terzake de tijd die werkneemster voor en na afloop van een dienst aanwezig was bij Werkgever en die naar haar mening beschouwd zou moeten worden als werktijd en aan haar zou moeten worden uitbetaald .” 3 Het geschil 3.1. [eiser] vordert - samengevat – na wijziging van eis, om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, Anna te veroordelen: I. tot betaling aan [eiser] van een bedrag van € 8.047,34 bruto aan te weinig betaald salaris, € 670,34 aan te weinig betaalde vakantietoeslag en € 670,34 bruto aan te weinig betaalde eindejaarsuitkering, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 50%; II. tot betaling aan [eiser] van een bedrag van € 942,43 bruto aan te weinig betaalde transitievergoeding; III. tot betaling aan [eiser] van een vergoeding van € 291,62 bruto aan te weinig betaalde PLB-uren, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 50%; IV. tot betaling aan [eiser] van een vergoeding van € 799,36 bruto aan te weinig betaalde vakantie uren, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 50%, V. om binnen vijf dagen na betaling van het bovenstaande over te gaan tot toezending van een deugdelijke bruto-netto specificatie, op verbeurte van een dwangsom van € 250,00 voor elke dag dat Anna in gebreke blijft, met een maximum van € 5.000,00 Daarnaast vordert [eiser] wettelijke rente en een veroordeling van Anna in de proceskosten. 3.2. Anna voert verweer. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4 De beoordeling 4.1. De vorderingen van [eiser] worden afgewezen. Hieronder wordt nader toegelicht waarom. 4.2. [eiser] stelt dat zij gedurende de periode dat zij bij Anna werkzaam was, altijd vijftien minuten voor aanvang van de werktijd en vijftien minuten na afloop van de werktijd aanwezig moest zijn. [eiser] moest op de begintijd van haar dienst met haar schoonmaakkar die volledig klaar was (gepakt en gevuld met zuiver water etc.) op de afdeling aanwezig zijn. De werkzaamheden bestonden volgens [eiser] uit het hangen van een vuilniszak aan de schoonmaakkar en het vullen van de drie bakken in de kar met blauwe en roze doekjes en dweilen. Deze doekjes en dweilen moesten vochtig worden gemaakt. Na het vullen van de schoonmaakkar ging [eiser] met de kar naar de afdeling. Zij mocht pas op het einde van de werktijd naar beneden met haar kar en daar moest de kar dan nog leeg en schoongemaakt worden. De was moest in de wasmachine worden gedaan, of als deze vol was in drie bakken worden gesorteerd en de vuilniszak moest als zij op de poli stond worden weggegooid. [eiser] was in de ochtend vijftien minuten met deze werkzaamheden bezig en na afloop ook vijftien minuten 4.3. Ter onderbouwing heeft [eiser] verschillende WhatsApp-berichten overgelegd van (oud) medewerkers van Anna. [eiser] is van mening dat zij recht heeft op betaling van de extra gewerkte tijd van dertig minuten per dag en vordert daarom te weinig betaald salaris en emolumenten over de jaren 2019 (vanaf 16 december) tot en met 2024. [eiser] verwijst daarbij naar het arrest van de Hoge Raad van 13 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1161. 4.4. Anna voert aan dat er in de situatie van het arrest schriftelijke planningsregels waren waarin met betrekking tot de werktijden exact was bepaald dat de werknemer zich altijd tien minuten voor aanvang van de dienst diende te melden bij de supervisor, zodat de werknemer tien minuten later klaar zou zitten achter zijn bureau om zijn eerste call te maken. Dit werd gezien als een instructie van de werkgever. Wat de werknemer vervolgens in deze tien minuten deed, deed niet meer ter zake. Door de meldplicht was de werknemer beperkt in de mogelijkheden zijn tijd aan eigen zaken te besteden. Dat maakte dat het hof van oordeel was dat de tien minuten als arbeidstijd waren aan te merken. 4.5. Anna betwist dat er in de periode vanaf december 2019 tot eind 2024 een verplichting bestond voor [eiser] om vijftien minuten voor aanvang en vijftien minuten na afloop van de dienst aanwezig te zijn. Het is en was bij Anna gebruikelijk dat een Medewerker Beddencentrale/Medewerker Schoonmaak bij aanvang van de dienst met de schoonmaakkar klaar stond op de afdeling waar de werkzaamheden verrichten dienen te worden, de werkplek, maar er was geen schriftelijke of mondelinge afspraak. Deze situatie is volgens Anna vergelijkbaar met bijvoorbeeld een administratieve werknemer die op de aanvangstijd achter zijn of haar bureau moet zitten om met de werkzaamheden te kunnen beginnen. De tijd om van de ingang van het gebouw waarin wordt gewerkt, tot de werkplek te kopen, hoeft daarbij volgens Anna niet meegerekend te worden bij de arbeidstij. Dat is tijd die nodig is om bij de werkplek te komen. 4.6. De kantonrechter is van oordeel dat voorbereidende werkzaamheden kunnen worden aangemerkt als (betaalde) arbeidstijd. Daarbij geldt wel dat er sprake moet zijn van een daadwerkelijk voorschrift van de werkgever en daadwerkelijke werkzaamheden. Het is aan de werknemer om te stellen en zo nodig te bewijzen dat daarvan sprake is. In de uitspraak van de Hoge Raad waar [eiser] naar verwijst, was er sprake van een schriftelijk voorschrift in een reglement om tien minuten voor aanvang aanwezig te zijn.