Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant
2026-04-15
ECLI:NL:RBOBR:2026:2356
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
7,022 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBOBR:2026:2356 text/xml public 2026-05-07T15:34:16 2026-04-14 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Oost-Brabant 2026-04-15 25/2166 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL 's-Hertogenbosch Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:2356 text/html public 2026-05-07T15:14:05 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBOBR:2026:2356 Rechtbank Oost-Brabant , 15-04-2026 / 25/2166 Afwijzing aanvraag van een WIA-uitkering na een eerdere afwijzing. Zorgvuldigheid onderzoek. Is sprake van toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak, te weten een zwelling? RECHTBANK OOST-BRABANT Zittingsplaats 's-Hertogenbosch Bestuursrecht zaaknummer: SHE 25/2166 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 april 2026 in de zaak tussen [eiseres], uit [woonplaats], eiseres (gemachtigde: mr. E.J. Bek), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen , het UWV (gemachtigde: mr. A.P.J. Mijs). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van een aanvraag om een WIA -uitkering. Eiseres heeft na een eerdere afwijzing bij het UWV gemeld dat haar beperkingen daarna zijn toegenomen en opnieuw een aanvraag ingediend. Ook deze aanvraag is afgewezen en eiseres is het daarmee niet eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de weigering van het UWV om nu wel een WIA-uitkering toe te kennen in stand kan blijven. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 1.2. Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De standpunten van partijen staan onder 4 en 5. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 6. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan. Procesverloop 2. Eiseres heeft bij het UWV op 31 december 2024 een aanvraag om een WIA-uitkering ingediend. Het UWV heeft deze aanvraag met het besluit van 6 maart 2025 afgewezen. Met het besluit van 11 augustus 2025 (het bestreden besluit) is het UWV bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. 2.1. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.2. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift en een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep (B&B) van 8 december 2025. 2.3. De rechtbank heeft het beroep op 4 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het UWV. Beoordeling door de rechtbank Feiten en omstandigheden 3. Eiseres was werkzaam als helpende/verzorgende voor gemiddeld 23,91 uur per week. Op 31 maart 2021 heeft eiseres zich ziek gemeld voor dit werk wegens gezondheidsklachten. Op 10 oktober 2023 heeft zij een aanvraag om een WIA-uitkering ingediend. Het UWV heeft een medisch en arbeidskundig onderzoek verricht . De bevindingen daarvan hebben geleid tot het besluit van het UWV van 28 maart 2024, waarbij is geweigerd eiseres een WIA-uitkering toe te kennen per 29 maart 2023 (einde wachttijd). Volgens het UWV was eiseres namelijk minder dan 35% arbeidsongeschikt. Het door eiseres daartegen gemaakte bezwaar is ongegrond verklaard. Het daartegen ingestelde beroep is geregistreerd bij de rechtbank onder zaaknummer SHE 24/4122. De rechtbank heeft dit beroep bij uitspraak van 9 april 2026 ongegrond verklaard. 3.1. Eiseres heeft op 31 december 2024 bij het UWV gemeld dat haar gezondheid per oktober 2024 is verslechterd. Die melding heeft geleid tot een medische beoordeling, op basis waarvan de besluitvorming is genomen zoals vermeld onder ‘Procesverloop’. De standpunten van partijen 4. Het UWV stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat de beperkingen van eiseres weliswaar zijn toegenomen per 15 oktober 2024, maar dat die beperkingen het gevolg zijn van een andere medische problematiek dan die waarmee eiseres eerder de wachttijd heeft doorlopen. Er is daarom geen sprake van toegenomen beperkingen door dezelfde ziekteoorzaak. Om die reden ontstaat er niet alsnog een recht op WIA-uitkering voor eiseres. Aan dit besluit ligt de rapportage van de verzekeringsarts B&B van 5 augustus 2025 ten grondslag. 5. Eiseres is het daar niet mee eens. Zij stelt daartoe, kort samengevat, het volgende. Er is volgens eiseres wel sprake van toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak, waarvoor zij eerder de wachttijd heeft doorlopen. Eiseres had een zwelling in haar hals, die na onderzoek in het najaar van 2024 een tumor bleek te zijn. Deze zwelling was al sinds 2018 aanwezig en veroorzaakte al geruime tijd diverse klachten en beperkingen. Aanvankelijk werden deze klachten toegeschreven aan andere ziektebeelden. Eiseres vindt dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest, omdat er in de bezwaarfase geen spreekuurcontact/hoorzitting heeft plaatsgevonden tussen eiseres en de verzekeringsarts B&B. Juist omdat de zwelling in de hals al geruime tijd aanwezig was en in toenemende mate klachten veroorzaakte, terwijl pas later de diagnose kanker is gesteld, was een uitgebreid en zorgvuldig onderzoek aangewezen. Redenen voor de beslissing van de rechtbank Juridisch kader en beschrijving van het geschil 6. Op grond van artikel 55, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet WIA kan voor een betrokkene alsnog recht op een WIA-uitkering ontstaan als hij binnen vijf jaar na het einde van de wachttijd voor de WIA wel gedeeltelijk arbeidsongeschikt wordt, en die ongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als die op grond waarvan hij tijdens de wachttijd ongeschikt was om zijn eigen werk te doen. Voor die beoordeling zijn in dit geval dus de volgende vragen belangrijk: - Is er sprake van toegenomen beperkingen? - Zo ja, vloeien deze voort uit dezelfde ziekteoorzaak? - Zo ja, heeft de toename van deze beperkingen uit dezelfde oorzaak plaatsgevonden binnen vijf jaar na weigering? 6.1. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep moet buiten twijfel staan dat de toegenomen arbeidsongeschiktheid voortvloeit uit een andere ziekteoorzaak, wil het bepaalde in artikel 55 van de Wet WIA niet van toepassing zijn. Daarbij rust de bewijslast in beginsel op degene die stelt dat er geen causaal verband is (in dit geval dus het UWV). Bij een toename van beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak zal het veelal gaan om een toename van in de eerdere functionele mogelijkhedenlijst (FML) opgenomen beperkingen, maar ook is mogelijk dat een dergelijke toename ertoe leidt dat beperkingen worden aangenomen in een rubriek waarin destijds geen beperkingen zijn aangenomen. Het moet in ieder geval gaan om een toename van de oorspronkelijke klachten. Dit betekent ook dat alleen de klachten die een rol speelden bij de beoordeling per einde wachttijd in de zin dat daarvoor toen beperkingen zijn aangenomen, in aanmerking genomen kunnen worden. Zorgvuldigheid van het medisch onderzoek 7. De primaire verzekeringsarts heeft het dossier van eiseres bestudeerd, evenals de door eiseres bij de toenameclaim overgelegde medische informatie. De verzekeringsarts heeft geen contact gehad met eiseres. In de bezwaarfase heeft de verzekeringsarts B&B de dossiergegevens bestudeerd en kennisgenomen van het bezwaarschrift van eiseres en de in bezwaar overgelegde medische informatie. De verzekeringsarts B&B heeft evenmin contact met eiseres gehad. 7.1. De zorgvuldigheid van de besluitvorming in bezwaar brengt met zich dat in situaties, waarin de medische grondslag van een besluit gemotiveerd wordt betwist en waarin geen sprake is geweest van een spreekuurcontact met een geregistreerde verzekeringsarts, als uitgangspunt geldt dat in de fase van bezwaar de betrokkene door een verzekeringsarts B&B tijdens een spreekuurcontact wordt onderzocht en er dus feitelijk sprake is van een contact met deze verzekeringsarts.
Volledig
ECLI:NL:RBOBR:2026:2356 text/xml public 2026-05-07T15:34:16 2026-04-14 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Oost-Brabant 2026-04-15 25/2166 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL 's-Hertogenbosch Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:2356 text/html public 2026-05-07T15:14:05 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBOBR:2026:2356 Rechtbank Oost-Brabant , 15-04-2026 / 25/2166 Afwijzing aanvraag van een WIA-uitkering na een eerdere afwijzing. Zorgvuldigheid onderzoek. Is sprake van toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak, te weten een zwelling? RECHTBANK OOST-BRABANT Zittingsplaats 's-Hertogenbosch Bestuursrecht zaaknummer: SHE 25/2166 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 april 2026 in de zaak tussen [eiseres], uit [woonplaats], eiseres (gemachtigde: mr. E.J. Bek), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen , het UWV (gemachtigde: mr. A.P.J. Mijs). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van een aanvraag om een WIA -uitkering. Eiseres heeft na een eerdere afwijzing bij het UWV gemeld dat haar beperkingen daarna zijn toegenomen en opnieuw een aanvraag ingediend. Ook deze aanvraag is afgewezen en eiseres is het daarmee niet eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de weigering van het UWV om nu wel een WIA-uitkering toe te kennen in stand kan blijven. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 1.2. Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De standpunten van partijen staan onder 4 en 5. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 6. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan. Procesverloop 2. Eiseres heeft bij het UWV op 31 december 2024 een aanvraag om een WIA-uitkering ingediend. Het UWV heeft deze aanvraag met het besluit van 6 maart 2025 afgewezen. Met het besluit van 11 augustus 2025 (het bestreden besluit) is het UWV bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. 2.1. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.2. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift en een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep (B&B) van 8 december 2025. 2.3. De rechtbank heeft het beroep op 4 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het UWV. Beoordeling door de rechtbank Feiten en omstandigheden 3. Eiseres was werkzaam als helpende/verzorgende voor gemiddeld 23,91 uur per week. Op 31 maart 2021 heeft eiseres zich ziek gemeld voor dit werk wegens gezondheidsklachten. Op 10 oktober 2023 heeft zij een aanvraag om een WIA-uitkering ingediend. Het UWV heeft een medisch en arbeidskundig onderzoek verricht . De bevindingen daarvan hebben geleid tot het besluit van het UWV van 28 maart 2024, waarbij is geweigerd eiseres een WIA-uitkering toe te kennen per 29 maart 2023 (einde wachttijd). Volgens het UWV was eiseres namelijk minder dan 35% arbeidsongeschikt. Het door eiseres daartegen gemaakte bezwaar is ongegrond verklaard. Het daartegen ingestelde beroep is geregistreerd bij de rechtbank onder zaaknummer SHE 24/4122. De rechtbank heeft dit beroep bij uitspraak van 9 april 2026 ongegrond verklaard. 3.1. Eiseres heeft op 31 december 2024 bij het UWV gemeld dat haar gezondheid per oktober 2024 is verslechterd. Die melding heeft geleid tot een medische beoordeling, op basis waarvan de besluitvorming is genomen zoals vermeld onder ‘Procesverloop’. De standpunten van partijen 4. Het UWV stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat de beperkingen van eiseres weliswaar zijn toegenomen per 15 oktober 2024, maar dat die beperkingen het gevolg zijn van een andere medische problematiek dan die waarmee eiseres eerder de wachttijd heeft doorlopen. Er is daarom geen sprake van toegenomen beperkingen door dezelfde ziekteoorzaak. Om die reden ontstaat er niet alsnog een recht op WIA-uitkering voor eiseres. Aan dit besluit ligt de rapportage van de verzekeringsarts B&B van 5 augustus 2025 ten grondslag. 5. Eiseres is het daar niet mee eens. Zij stelt daartoe, kort samengevat, het volgende. Er is volgens eiseres wel sprake van toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak, waarvoor zij eerder de wachttijd heeft doorlopen. Eiseres had een zwelling in haar hals, die na onderzoek in het najaar van 2024 een tumor bleek te zijn. Deze zwelling was al sinds 2018 aanwezig en veroorzaakte al geruime tijd diverse klachten en beperkingen. Aanvankelijk werden deze klachten toegeschreven aan andere ziektebeelden. Eiseres vindt dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest, omdat er in de bezwaarfase geen spreekuurcontact/hoorzitting heeft plaatsgevonden tussen eiseres en de verzekeringsarts B&B. Juist omdat de zwelling in de hals al geruime tijd aanwezig was en in toenemende mate klachten veroorzaakte, terwijl pas later de diagnose kanker is gesteld, was een uitgebreid en zorgvuldig onderzoek aangewezen. Redenen voor de beslissing van de rechtbank Juridisch kader en beschrijving van het geschil 6. Op grond van artikel 55, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet WIA kan voor een betrokkene alsnog recht op een WIA-uitkering ontstaan als hij binnen vijf jaar na het einde van de wachttijd voor de WIA wel gedeeltelijk arbeidsongeschikt wordt, en die ongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als die op grond waarvan hij tijdens de wachttijd ongeschikt was om zijn eigen werk te doen. Voor die beoordeling zijn in dit geval dus de volgende vragen belangrijk: - Is er sprake van toegenomen beperkingen? - Zo ja, vloeien deze voort uit dezelfde ziekteoorzaak? - Zo ja, heeft de toename van deze beperkingen uit dezelfde oorzaak plaatsgevonden binnen vijf jaar na weigering? 6.1. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep moet buiten twijfel staan dat de toegenomen arbeidsongeschiktheid voortvloeit uit een andere ziekteoorzaak, wil het bepaalde in artikel 55 van de Wet WIA niet van toepassing zijn. Daarbij rust de bewijslast in beginsel op degene die stelt dat er geen causaal verband is (in dit geval dus het UWV). Bij een toename van beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak zal het veelal gaan om een toename van in de eerdere functionele mogelijkhedenlijst (FML) opgenomen beperkingen, maar ook is mogelijk dat een dergelijke toename ertoe leidt dat beperkingen worden aangenomen in een rubriek waarin destijds geen beperkingen zijn aangenomen. Het moet in ieder geval gaan om een toename van de oorspronkelijke klachten. Dit betekent ook dat alleen de klachten die een rol speelden bij de beoordeling per einde wachttijd in de zin dat daarvoor toen beperkingen zijn aangenomen, in aanmerking genomen kunnen worden. Zorgvuldigheid van het medisch onderzoek 7. De primaire verzekeringsarts heeft het dossier van eiseres bestudeerd, evenals de door eiseres bij de toenameclaim overgelegde medische informatie. De verzekeringsarts heeft geen contact gehad met eiseres. In de bezwaarfase heeft de verzekeringsarts B&B de dossiergegevens bestudeerd en kennisgenomen van het bezwaarschrift van eiseres en de in bezwaar overgelegde medische informatie. De verzekeringsarts B&B heeft evenmin contact met eiseres gehad. 7.1. De zorgvuldigheid van de besluitvorming in bezwaar brengt met zich dat in situaties, waarin de medische grondslag van een besluit gemotiveerd wordt betwist en waarin geen sprake is geweest van een spreekuurcontact met een geregistreerde verzekeringsarts, als uitgangspunt geldt dat in de fase van bezwaar de betrokkene door een verzekeringsarts B&B tijdens een spreekuurcontact wordt onderzocht en er dus feitelijk sprake is van een contact met deze verzekeringsarts.
Volledig
Van een spreekuurcontact kan in zo’n situatie in beginsel slechts worden afgezien indien de verzekeringsarts B&B voldoende kan motiveren dat in het licht van de aard van de klachten en de beschikbare medische informatie, een spreekuurcontact geen toegevoegde waarde heeft . 7.2. In dit geval heeft eiseres de medische grondslag van het besluit van 6 maart 2025 gemotiveerd betwist en heeft geen spreekuurcontact met een verzekeringsarts plaatsgevonden. In de rapportage van 5 augustus 2025 heeft de verzekeringsarts B&B geschreven dat een (fysiek) spreekuur geen toegevoegde waarde heeft. Er is volgens de verzekeringsarts B&B voldoende duidelijke medische informatie aanwezig om tot een oordeel te komen en een lichamelijk en/of psychisch onderzoek voegt daaraan niets toe. Om die reden heeft de verzekeringsarts B&B de medische heroverweging op grond van de stukken verricht. 7.3. De rechtbank kan deze motivering goed volgen. Het gaat in dit geding in essentie om de zwelling en de vraag welke beperkingen deze veroorzaakte. Het bestaan van deze zwelling staat niet ter discussie. Niet valt in te zien wat een lichamelijk en/of psychisch onderzoek zou toevoegen aan wat er al bekend was over de bij eiseres bestaande ziektebeelden en de daaruit voortvloeiende beperkingen, te meer omdat er over de ziektebeelden al voldoende informatie van de behandelaren bekend was. Ondanks het ontbreken van een spreekuurcontact vindt de rechtbank het onderzoek daarom voldoende zorgvuldig. Komen de toegenomen beperkingen voort uit dezelfde ziekteoorzaak? 8. In het kader van de aanvraag om een WIA-uitkering per einde wachttijd heeft een verzekeringsarts eiseres onderzocht en zijn bevindingen opgenomen in een rapport van 25 februari 2024. Uit dit rapport blijkt dat eiseres pijn in haar nek en rug en aan een duim had. Daarnaast had zij last van duizeligheid bij pijn en psychische klachten. Ook had zij al jaren last van slikken. Zij had wel een stabiel gewicht. De verzekeringsarts heeft onder andere als diagnoses aangenomen: chronische pijnklachten bij (kyfo)scoliose, carpometacarpale I artrose, benigne paroxismale positie duizeligheid (BPPD) en een stemmingsstoornis (werkdiagnose). De verzekeringsarts heeft beperkingen opgenomen in alle rubrieken van de FML. De verzekeringsarts B&B is in zijn rapport van 31 oktober 2024 niet tot een ander oordeel gekomen. Daarbij heeft hij aangegeven dat hij wat betreft de slikklachten geen beperkingen in de FML kon duiden. 8.1. In een brief van een internist-oncoloog van 31 december 2024 staat onder ‘Anamnese’ vermeld dat de zwelling al zes jaar bestaat en dat sinds één jaar sprake is van toename met pijn en uitstraling van pijn richting het hoofd. 8.2. Tussen partijen is niet in geschil dat de zwelling in de hals jarenlang heeft bestaan en al bij het einde van de wachttijd zorgde voor slikproblemen. In de onder 8 genoemde rapportages is de zwelling echter niet ter sprake gekomen en hebben de slikproblemen niet tot het aannemen van beperkingen geleid. Hetzelfde geldt voor de onder 8.1 genoemde pijn en uitstraling, deze - met de toename van de zwelling samenhangende - lichamelijke klachten zijn gelet op genoemde brief pas na het einde van de wachttijd (29 maart 2023) ontstaan. Ook geldt dit voor de na einde wachttijd ontstane gewichtsafname. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 9 april 2026 het standpunt van het UWV gevolgd dat de zwelling pas na het einde van de wachttijd tot meer klachten is gaan leiden en geoordeeld dat er geen grond is om aan te nemen dat er op die datum sprake was van arbeidsbeperkingen in verband met die zwelling. Uit wat onder 6.1 is overwogen, volgt dat het bestaan van de zwelling en de nieuwe klachten dan in een latere beoordeling buiten beschouwing moeten blijven bij de vraag of sprake is van toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak. 8.3. Daar komt bij dat de verzekeringsarts B&B in de rapporten van 5 augustus 2025 en 8 december 2025 op overtuigende wijze heeft uitgelegd dat de klachten waarmee eiseres tijdens de wachttijd bekend was (en hebben geleid tot het aannemen van beperkingen), aan de onder 8 genoemde ziektebeelden kunnen worden toegeschreven. Kort gezegd komt dit er op neer dat de klachten die eiseres toen al had, passen bij die ziektebeelden. De gemachtigde van eiseres heeft op de zitting verteld dat hij op het internet informatie heeft gevonden waaruit blijkt dat er een verband is te leggen tussen de tumor en de klachten die eiseres tijdens de wachttijd al had. Dit is naar het oordeel van de rechtbank echter te algemeen om te twijfelen aan het standpunt van de verzekeringsarts B&B. Conclusie en gevolgen 9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de aanvraag in stand kan blijven. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Woestenburg, rechter, in aanwezigheid van Z. Selkan, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 15 april 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. zie bijvoorbeeld de uitspraken van 22 augustus 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2791 en 2 december 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:3035. Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 23 juni 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1491
Volledig
Van een spreekuurcontact kan in zo’n situatie in beginsel slechts worden afgezien indien de verzekeringsarts B&B voldoende kan motiveren dat in het licht van de aard van de klachten en de beschikbare medische informatie, een spreekuurcontact geen toegevoegde waarde heeft . 7.2. In dit geval heeft eiseres de medische grondslag van het besluit van 6 maart 2025 gemotiveerd betwist en heeft geen spreekuurcontact met een verzekeringsarts plaatsgevonden. In de rapportage van 5 augustus 2025 heeft de verzekeringsarts B&B geschreven dat een (fysiek) spreekuur geen toegevoegde waarde heeft. Er is volgens de verzekeringsarts B&B voldoende duidelijke medische informatie aanwezig om tot een oordeel te komen en een lichamelijk en/of psychisch onderzoek voegt daaraan niets toe. Om die reden heeft de verzekeringsarts B&B de medische heroverweging op grond van de stukken verricht. 7.3. De rechtbank kan deze motivering goed volgen. Het gaat in dit geding in essentie om de zwelling en de vraag welke beperkingen deze veroorzaakte. Het bestaan van deze zwelling staat niet ter discussie. Niet valt in te zien wat een lichamelijk en/of psychisch onderzoek zou toevoegen aan wat er al bekend was over de bij eiseres bestaande ziektebeelden en de daaruit voortvloeiende beperkingen, te meer omdat er over de ziektebeelden al voldoende informatie van de behandelaren bekend was. Ondanks het ontbreken van een spreekuurcontact vindt de rechtbank het onderzoek daarom voldoende zorgvuldig. Komen de toegenomen beperkingen voort uit dezelfde ziekteoorzaak? 8. In het kader van de aanvraag om een WIA-uitkering per einde wachttijd heeft een verzekeringsarts eiseres onderzocht en zijn bevindingen opgenomen in een rapport van 25 februari 2024. Uit dit rapport blijkt dat eiseres pijn in haar nek en rug en aan een duim had. Daarnaast had zij last van duizeligheid bij pijn en psychische klachten. Ook had zij al jaren last van slikken. Zij had wel een stabiel gewicht. De verzekeringsarts heeft onder andere als diagnoses aangenomen: chronische pijnklachten bij (kyfo)scoliose, carpometacarpale I artrose, benigne paroxismale positie duizeligheid (BPPD) en een stemmingsstoornis (werkdiagnose). De verzekeringsarts heeft beperkingen opgenomen in alle rubrieken van de FML. De verzekeringsarts B&B is in zijn rapport van 31 oktober 2024 niet tot een ander oordeel gekomen. Daarbij heeft hij aangegeven dat hij wat betreft de slikklachten geen beperkingen in de FML kon duiden. 8.1. In een brief van een internist-oncoloog van 31 december 2024 staat onder ‘Anamnese’ vermeld dat de zwelling al zes jaar bestaat en dat sinds één jaar sprake is van toename met pijn en uitstraling van pijn richting het hoofd. 8.2. Tussen partijen is niet in geschil dat de zwelling in de hals jarenlang heeft bestaan en al bij het einde van de wachttijd zorgde voor slikproblemen. In de onder 8 genoemde rapportages is de zwelling echter niet ter sprake gekomen en hebben de slikproblemen niet tot het aannemen van beperkingen geleid. Hetzelfde geldt voor de onder 8.1 genoemde pijn en uitstraling, deze - met de toename van de zwelling samenhangende - lichamelijke klachten zijn gelet op genoemde brief pas na het einde van de wachttijd (29 maart 2023) ontstaan. Ook geldt dit voor de na einde wachttijd ontstane gewichtsafname. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 9 april 2026 het standpunt van het UWV gevolgd dat de zwelling pas na het einde van de wachttijd tot meer klachten is gaan leiden en geoordeeld dat er geen grond is om aan te nemen dat er op die datum sprake was van arbeidsbeperkingen in verband met die zwelling. Uit wat onder 6.1 is overwogen, volgt dat het bestaan van de zwelling en de nieuwe klachten dan in een latere beoordeling buiten beschouwing moeten blijven bij de vraag of sprake is van toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak. 8.3. Daar komt bij dat de verzekeringsarts B&B in de rapporten van 5 augustus 2025 en 8 december 2025 op overtuigende wijze heeft uitgelegd dat de klachten waarmee eiseres tijdens de wachttijd bekend was (en hebben geleid tot het aannemen van beperkingen), aan de onder 8 genoemde ziektebeelden kunnen worden toegeschreven. Kort gezegd komt dit er op neer dat de klachten die eiseres toen al had, passen bij die ziektebeelden. De gemachtigde van eiseres heeft op de zitting verteld dat hij op het internet informatie heeft gevonden waaruit blijkt dat er een verband is te leggen tussen de tumor en de klachten die eiseres tijdens de wachttijd al had. Dit is naar het oordeel van de rechtbank echter te algemeen om te twijfelen aan het standpunt van de verzekeringsarts B&B. Conclusie en gevolgen 9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de aanvraag in stand kan blijven. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Woestenburg, rechter, in aanwezigheid van Z. Selkan, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 15 april 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. zie bijvoorbeeld de uitspraken van 22 augustus 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2791 en 2 december 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:3035. Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 23 juni 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1491