Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant
2026-04-17
ECLI:NL:RBOBR:2026:2327
Civiel recht
Beschikking
7,957 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBOBR:2026:2327 text/xml public 2026-05-04T10:14:19 2026-04-13 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Oost-Brabant 2026-04-17 12011358 EJ VERZ 25-705 Uitspraak Beschikking NL Eindhoven Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:2327 text/html public 2026-05-04T10:13:06 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBOBR:2026:2327 Rechtbank Oost-Brabant , 17-04-2026 / 12011358 EJ VERZ 25-705 Artikel 7:668 lid 1 en lid 3 BW. Is werkgever aan werknemer een aanzegvergoeding verschuldigd?Tussen partijen is met name in geschil of de brief die werknemer een maand voor de einddatum heeft ontvangen van werkgever geldt als aanzegging. De kantonrechter oordeelt dat dat zo is. Daarmee heeft werknemer geen recht op de verzochte aanzegvergoeding. De kantonrechter wijst het verzoek af. RECHTBANK OOST-BRABANT Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Eindhoven Zaaknummer / rekestnummer: 12011358 \ EJ VERZ 25-705 Beschikking van 17 april 2026 in de zaak van [verzoeker] , wonend in [woonplaats] , verzoekende partij, gemachtigde: I. Ben Avi, LLB, tegen TECHNISCHE UNIVERSITEIT EINDHOVEN , gevestigd te Eindhoven, verwerende partij, gemachtigde: mr. L.C.J. van Roekel. Partijen worden hierna [verzoeker] en TU/e genoemd. De zaak in het kort Deze zaak gaat over de vraag of werkgever aan werknemer een aanzegvergoeding verschuldigd is. Tussen partijen is met name in geschil of de brief die werknemer een maand voor de einddatum heeft ontvangen van werkgever geldt als aanzegging. De kantonrechter oordeelt dat dat zo is. Daarmee heeft werknemer geen recht op de verzochte aanzegvergoeding. De kantonrechter wijst het verzoek af. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verzoekschrift met 6 bijlagen, ontvangen op 10 december 2025; - het verweerschrift met 8 bijlagen, ontvangen op 30 januari 2026. 1.2. De mondelinge behandeling (zitting) heeft plaatsgevonden op 17 maart 2026. Beide partijen zijn verschenen en hebben hun standpunten toegelicht. Aan de kant van TU/e trad mr. H.A.E. van Soest, waarnemer van mr. Van Roekel, op als gemachtigde. De gemachtigden hebben spreekaantekeningen overgelegd en voorgedragen, die aan het dossier zijn toegevoegd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van dat wat is besproken. 1.3. Aan het einde van de zitting heeft de kantonrechter bepaald dat vandaag schriftelijk uitspraak wordt gedaan. 2. De feiten 2.1. [verzoeker] is op 15 oktober 2021 in dienst getreden bij TU/e voor de duur van vier jaar. Hij werkte als promovendus binnen de faculteit Mathematics and Computer Science. De arbeidsovereenkomst is aangegaan voor 38 uur per week en met een loon van € 3.881,00 bruto per maand, exclusief vakantietoeslag en eindejaarsuitkering. Op deze arbeidsovereenkomst is de CAO Nederlandse Universiteiten van toepassing. 2.2. Op 2 oktober 2025 is de arbeidsovereenkomst verlengd voor de duur van 2,5 maand, per 15 oktober 2025 en met als einddatum 31 december 2025. 2.3. Bij mails van 5 en 12 november 2025 heeft [verzoeker] de TU/e gevraagd over te gaan tot betaling van een aanzegvergoeding, naar rato berekend over 17 dagen. De TU/e heeft deze verzoeken gemotiveerd afgewezen. 3 Het verzoek en het verweer 3.1. [verzoeker] maakt aanspraak op een aanzegvergoeding, omdat hij niet of te laat is geïnformeerd over het al dan niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst. Volgens hem geldt de brief van de TU/e die hij op 12 september 2025 ontving om verschillende redenen niet als een aanzegging. Verder betoogt [verzoeker] dat de brief van 2 oktober 2025 moet worden beschouwd als aanzegging en dat die aanzegging te laat is gedaan. De wet bepaalt in een dergelijk geval dat de werkgever een zogenoemde aanzegvergoeding is verschuldigd. 3.2. De TU/e is het hier niet mee eens. Zij heeft gemotiveerd verweer gevoerd en wil dat het verzoek van [verzoeker] wordt afgewezen. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt, voor zover nodig, hierna verder ingegaan. 4 De beoordeling 4.1. Het gaat in deze zaak om de vraag of de TU/e moet worden veroordeeld tot betaling van een vergoeding wegens het niet-nakomen van de aanzegverplichting. 4.2. [verzoeker] heeft het verzoek tijdig ingediend. De rechtbank heeft het verzoek namelijk ontvangen binnen drie maanden na de dag waarop aanzegverplichting is ontstaan. 4.3. Op grond van de wet moet de TU/e [verzoeker] schriftelijk en uiterlijk op 14 september 2025 – dat is een maand voordat de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van rechtswege eindigt – informeren over het al dan niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst. Uit de wet volgt ook dat de werkgever bij het niet of niet tijdig aanzeggen (naar rato) een vergoeding is verschuldigd. 4.4. De bedoeling van de aanzegplicht is werknemers tijdig duidelijkheid te geven over het al dan niet voortzetten van de tijdelijke arbeidsovereenkomst, zodat zij indien nodig op zoek kunnen gaan naar ander werk. De aanzegplicht beoogt dus te voorkomen dat een werknemer tot het einde van de arbeidsovereenkomst in onzekerheid blijft en pas kort voor de einddatum te horen krijgt of het tijdelijke contract wordt verlengd. Ook bevordert de aanzegplicht de overgang van werk naar werk. 4.5. De kantonrechter is van oordeel dat de TU/e in deze situatie heeft voldaan aan de wettelijke aanzegverplichting. Daarom wijst de kantonrechter de verzochte aanzegvergoeding af. Hierna wordt uitgelegd waarom dit de uitkomst van deze zaak is. 4.6. Op 12 september 2025 ontvangt [verzoeker] een brief van TU/e (hierna: de brief). Die brief is zowel in de Nederlandse als in de Engelse taal opgesteld en getiteld: “TERMINATION OF EMPLOYMENT CONTRACT / EINDE ARBEIDSOVEREENKOMST”. 4.7. In deze brief staat – voor zover hier relevant – het volgende: “ (…) On 14-10-2025 your employment contract at the TU/e for will end by operation of law. To ensure that the transition from TU/e to your new job or new situation runs smoothly, it is essential that you notify a number of places regarding the change in your situation. (…) If a decision has been made to extend your employment contract, please ignore this letter. (…) ” en “ (…) U heeft een arbeidsovereenkomst bij de TU/e die van rechtswege zal eindigen op 14-10-2025. Om te zorgen dat de overgang van de TU/e naar uw nieuwe baan of nieuwe situatie soepel verloopt, is het van belang dat u deze situatieverandering op een aantal plekken doorgeeft. (…) Indien wordt besloten om uw arbeidsovereenkomst alsnog te verlengen, dan kunt u deze brief als niet verzonden beschouwen. (…) ” 4.8. Volgens [verzoeker] is geen sprake van een geldige aanzegging, omdat hij deze brief als niet-verzonden mag beschouwen. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van [verzoeker] toegelicht dat geen aanzegging heeft plaatsgevonden, omdat de brief alsnog is komen te vervallen, namelijk met het in vervulling gaan van de voorwaarde “indien wordt besloten om uw arbeidsovereenkomst alsnog te verlengen”. Die voorwaarde is in vervulling gegaan op 2 oktober 2025, dat is het moment waarop de arbeidsovereenkomst werd verlengd tot en met 31 december 2025. 4.9. De kantonrechter volgt [verzoeker] niet in deze redenering. Dat komt omdat de aanzegging zelf moet worden onderscheiden van het op een later moment (2 oktober 2025) alsnog aanbieden van een verlenging van de arbeidsovereenkomst. 4.10. De brief van 12 september 2025 vermeldt het einde en de einddatum van de arbeidsovereenkomst. Verder staan daarin allerlei zaken die voor [verzoeker] in dit kader belangrijk zijn om te weten en te doen. Het is juist dat er per 2 oktober 2025 geen sprake meer was van een einde van de arbeidsovereenkomst op 14 oktober 2025, omdat intussen een verlenging is afgesproken. Er is niets dat werkgever verbiedt om na een juiste schriftelijke aanzegging (met als inhoud “einde arbeidsovereenkomst”) alsnog een voortzetting van de arbeidsovereenkomst aan werknemer voor te stellen. Het gevolg van die verlenging is dat de arbeidsovereenkomst niet meer eindigt op de datum die in de brief is genoemd. Met de verlenging is de voorwaarde in de brief in vervulling gegaan. In die zin mag [verzoeker] de brief dus als niet-verzonden beschouwen.
Volledig
ECLI:NL:RBOBR:2026:2327 text/xml public 2026-05-04T10:14:19 2026-04-13 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Oost-Brabant 2026-04-17 12011358 EJ VERZ 25-705 Uitspraak Beschikking NL Eindhoven Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:2327 text/html public 2026-05-04T10:13:06 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBOBR:2026:2327 Rechtbank Oost-Brabant , 17-04-2026 / 12011358 EJ VERZ 25-705 Artikel 7:668 lid 1 en lid 3 BW. Is werkgever aan werknemer een aanzegvergoeding verschuldigd?Tussen partijen is met name in geschil of de brief die werknemer een maand voor de einddatum heeft ontvangen van werkgever geldt als aanzegging. De kantonrechter oordeelt dat dat zo is. Daarmee heeft werknemer geen recht op de verzochte aanzegvergoeding. De kantonrechter wijst het verzoek af. RECHTBANK OOST-BRABANT Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Eindhoven Zaaknummer / rekestnummer: 12011358 \ EJ VERZ 25-705 Beschikking van 17 april 2026 in de zaak van [verzoeker] , wonend in [woonplaats] , verzoekende partij, gemachtigde: I. Ben Avi, LLB, tegen TECHNISCHE UNIVERSITEIT EINDHOVEN , gevestigd te Eindhoven, verwerende partij, gemachtigde: mr. L.C.J. van Roekel. Partijen worden hierna [verzoeker] en TU/e genoemd. De zaak in het kort Deze zaak gaat over de vraag of werkgever aan werknemer een aanzegvergoeding verschuldigd is. Tussen partijen is met name in geschil of de brief die werknemer een maand voor de einddatum heeft ontvangen van werkgever geldt als aanzegging. De kantonrechter oordeelt dat dat zo is. Daarmee heeft werknemer geen recht op de verzochte aanzegvergoeding. De kantonrechter wijst het verzoek af. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verzoekschrift met 6 bijlagen, ontvangen op 10 december 2025; - het verweerschrift met 8 bijlagen, ontvangen op 30 januari 2026. 1.2. De mondelinge behandeling (zitting) heeft plaatsgevonden op 17 maart 2026. Beide partijen zijn verschenen en hebben hun standpunten toegelicht. Aan de kant van TU/e trad mr. H.A.E. van Soest, waarnemer van mr. Van Roekel, op als gemachtigde. De gemachtigden hebben spreekaantekeningen overgelegd en voorgedragen, die aan het dossier zijn toegevoegd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van dat wat is besproken. 1.3. Aan het einde van de zitting heeft de kantonrechter bepaald dat vandaag schriftelijk uitspraak wordt gedaan. 2. De feiten 2.1. [verzoeker] is op 15 oktober 2021 in dienst getreden bij TU/e voor de duur van vier jaar. Hij werkte als promovendus binnen de faculteit Mathematics and Computer Science. De arbeidsovereenkomst is aangegaan voor 38 uur per week en met een loon van € 3.881,00 bruto per maand, exclusief vakantietoeslag en eindejaarsuitkering. Op deze arbeidsovereenkomst is de CAO Nederlandse Universiteiten van toepassing. 2.2. Op 2 oktober 2025 is de arbeidsovereenkomst verlengd voor de duur van 2,5 maand, per 15 oktober 2025 en met als einddatum 31 december 2025. 2.3. Bij mails van 5 en 12 november 2025 heeft [verzoeker] de TU/e gevraagd over te gaan tot betaling van een aanzegvergoeding, naar rato berekend over 17 dagen. De TU/e heeft deze verzoeken gemotiveerd afgewezen. 3 Het verzoek en het verweer 3.1. [verzoeker] maakt aanspraak op een aanzegvergoeding, omdat hij niet of te laat is geïnformeerd over het al dan niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst. Volgens hem geldt de brief van de TU/e die hij op 12 september 2025 ontving om verschillende redenen niet als een aanzegging. Verder betoogt [verzoeker] dat de brief van 2 oktober 2025 moet worden beschouwd als aanzegging en dat die aanzegging te laat is gedaan. De wet bepaalt in een dergelijk geval dat de werkgever een zogenoemde aanzegvergoeding is verschuldigd. 3.2. De TU/e is het hier niet mee eens. Zij heeft gemotiveerd verweer gevoerd en wil dat het verzoek van [verzoeker] wordt afgewezen. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt, voor zover nodig, hierna verder ingegaan. 4 De beoordeling 4.1. Het gaat in deze zaak om de vraag of de TU/e moet worden veroordeeld tot betaling van een vergoeding wegens het niet-nakomen van de aanzegverplichting. 4.2. [verzoeker] heeft het verzoek tijdig ingediend. De rechtbank heeft het verzoek namelijk ontvangen binnen drie maanden na de dag waarop aanzegverplichting is ontstaan. 4.3. Op grond van de wet moet de TU/e [verzoeker] schriftelijk en uiterlijk op 14 september 2025 – dat is een maand voordat de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van rechtswege eindigt – informeren over het al dan niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst. Uit de wet volgt ook dat de werkgever bij het niet of niet tijdig aanzeggen (naar rato) een vergoeding is verschuldigd. 4.4. De bedoeling van de aanzegplicht is werknemers tijdig duidelijkheid te geven over het al dan niet voortzetten van de tijdelijke arbeidsovereenkomst, zodat zij indien nodig op zoek kunnen gaan naar ander werk. De aanzegplicht beoogt dus te voorkomen dat een werknemer tot het einde van de arbeidsovereenkomst in onzekerheid blijft en pas kort voor de einddatum te horen krijgt of het tijdelijke contract wordt verlengd. Ook bevordert de aanzegplicht de overgang van werk naar werk. 4.5. De kantonrechter is van oordeel dat de TU/e in deze situatie heeft voldaan aan de wettelijke aanzegverplichting. Daarom wijst de kantonrechter de verzochte aanzegvergoeding af. Hierna wordt uitgelegd waarom dit de uitkomst van deze zaak is. 4.6. Op 12 september 2025 ontvangt [verzoeker] een brief van TU/e (hierna: de brief). Die brief is zowel in de Nederlandse als in de Engelse taal opgesteld en getiteld: “TERMINATION OF EMPLOYMENT CONTRACT / EINDE ARBEIDSOVEREENKOMST”. 4.7. In deze brief staat – voor zover hier relevant – het volgende: “ (…) On 14-10-2025 your employment contract at the TU/e for will end by operation of law. To ensure that the transition from TU/e to your new job or new situation runs smoothly, it is essential that you notify a number of places regarding the change in your situation. (…) If a decision has been made to extend your employment contract, please ignore this letter. (…) ” en “ (…) U heeft een arbeidsovereenkomst bij de TU/e die van rechtswege zal eindigen op 14-10-2025. Om te zorgen dat de overgang van de TU/e naar uw nieuwe baan of nieuwe situatie soepel verloopt, is het van belang dat u deze situatieverandering op een aantal plekken doorgeeft. (…) Indien wordt besloten om uw arbeidsovereenkomst alsnog te verlengen, dan kunt u deze brief als niet verzonden beschouwen. (…) ” 4.8. Volgens [verzoeker] is geen sprake van een geldige aanzegging, omdat hij deze brief als niet-verzonden mag beschouwen. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van [verzoeker] toegelicht dat geen aanzegging heeft plaatsgevonden, omdat de brief alsnog is komen te vervallen, namelijk met het in vervulling gaan van de voorwaarde “indien wordt besloten om uw arbeidsovereenkomst alsnog te verlengen”. Die voorwaarde is in vervulling gegaan op 2 oktober 2025, dat is het moment waarop de arbeidsovereenkomst werd verlengd tot en met 31 december 2025. 4.9. De kantonrechter volgt [verzoeker] niet in deze redenering. Dat komt omdat de aanzegging zelf moet worden onderscheiden van het op een later moment (2 oktober 2025) alsnog aanbieden van een verlenging van de arbeidsovereenkomst. 4.10. De brief van 12 september 2025 vermeldt het einde en de einddatum van de arbeidsovereenkomst. Verder staan daarin allerlei zaken die voor [verzoeker] in dit kader belangrijk zijn om te weten en te doen. Het is juist dat er per 2 oktober 2025 geen sprake meer was van een einde van de arbeidsovereenkomst op 14 oktober 2025, omdat intussen een verlenging is afgesproken. Er is niets dat werkgever verbiedt om na een juiste schriftelijke aanzegging (met als inhoud “einde arbeidsovereenkomst”) alsnog een voortzetting van de arbeidsovereenkomst aan werknemer voor te stellen. Het gevolg van die verlenging is dat de arbeidsovereenkomst niet meer eindigt op de datum die in de brief is genoemd. Met de verlenging is de voorwaarde in de brief in vervulling gegaan. In die zin mag [verzoeker] de brief dus als niet-verzonden beschouwen.
Volledig
De inhoud van de aanzegging is namelijk veranderd van “einde arbeidsovereenkomst” naar “voortzetting arbeidsovereenkomst”. 4.11. Het in vervulling gaan van de voorwaarde tast echter niet de aanzegging zelf aan en ook niet het moment daarvan. Tussen partijen is niet in geschil dat [verzoeker] de brief op 12 september 2025 heeft ontvangen. Een aanzegging op 12 september 2025 is, gelet op de einddatum van de arbeidsovereenkomst, tijdig. 4.12. [verzoeker] heeft verder betoogd dat de brief niet als een aanzegging geldt, omdat een aanzegging duidelijk en ondubbelzinnig moet zijn en volgens hem is daarvan in dit geval geen sprake. Hij wijst in dit kader op twee aspecten: i) in de zomer van 2025 bespraken [verzoeker] en zijn leidinggevende eerst de intentie en later ook het mondeling gegeven groen licht voor verlenging van de arbeidsovereenkomst en ii) het proces van de verlenging van zijn dienstverband was op 12 september 2025 nog niet afgerond. [verzoeker] stelt dat de brief, door de ontbindende voorwaarde en gelet op deze twee aspecten, bij hem heeft geleid tot onduidelijkheid en onzekerheid, terwijl de bedoeling van de wettelijke aanzegverplichting is tijdig duidelijkheid te verschaffen aan de werknemer. 4.13. Tijdens de zitting heeft [verzoeker] verklaard dat voor hem duidelijk bleek uit de brief dat de arbeidsovereenkomst zou eindigen, maar dat hij de ontvangst ervan in de gegeven omstandigheden niet kon plaatsen. Hij dacht dat de brief ten onrechte naar hem was gestuurd. Daarom heeft hij mondeling navraag gedaan over de verlenging bij collega’s van de afdeling HR. HR heeft toen aangegeven dat de verlenging van de arbeidsovereenkomst “hangt bij financiën”. Uit het antwoord per e-mail van 15 september 2025 blijkt dat de unit controller nog intern zou adviseren oer de verlenging en over de vraag of de verlenging al dan niet via de groep SEC zou worden gefinancierd (productie 3 bij het verzoekschrift). Dit antwoord zorgde voor nog meer onzekerheid over het wel of niet verlengen van zijn arbeidsovereenkomst en wekte bij hem de indruk dat de aanzegging niet effectief was, zo heeft [verzoeker] verklaard. 4.14. De TU/e heeft hier tegenin gebracht dat de brief van 12 september 2025 uitdrukkelijk is bedoeld om duidelijkheid te geven aan [verzoeker] en dat de bewoording “U heeft een arbeidsovereenkomst (…) die van rechtswege zal eindigen op 14 oktober 2025.” helder is. Onweersproken is dat het [verzoeker] bekend was dat voor verlenging akkoord nodig was, onder meer wat betreft de financiering. Naar aanleiding van de brief van 12 september 2025 en het contact met HR was het [verzoeker] duidelijk dat de financiering (en daarmee de verlenging) in september 2025 nog niet rond was. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de TU/e verder toegelicht dat zogenoemde promovendi-contracten een standaardduur van 4 jaar hebben, dat die contracten in principe niet verlengd kunnen worden en dat verlenging in een enkel geval wel mogelijk is, namelijk als daarvoor (externe) financiering wordt gevonden. Om een arbeidsovereenkomst van een promovendus na vier jaar nog te kunnen verlengen, neemt de TU/e in de aanzeggingsbrief de voorwaarde op. In het geval van [verzoeker] was de financiering op 12 september 2025 nog niet rond en was er dus nog geen akkoord voor de verlenging van zijn dienstverband. Daarom kon de TU/e, zo verklaarde zij, op dat moment niet anders dan [verzoeker] informeren over het einde van de arbeidsovereenkomst. 4.15. De kantonrechter is het met de TU/e eens dat het in het belang van de werknemer en de werkgever is om de werknemer tijdig te informeren over het niet-voortzetten van de arbeidsovereenkomst en tegelijkertijd de mogelijkheden voor een verlenging te kunnen onderzoeken. Anders dan de gemachtigde van [verzoeker] op de zitting deed voorkomen, is het opnemen van de mogelijkheid van verlenging (‘de voorwaarde’) in de aanzeggingsbrief geen manier om de beslissing over het al dan niet voortzetten te rekken en werknemer al die tijd in onzekerheid te laten. Niet alleen is al een beslissing genomen (met alle gevolgen van dien), maar ook gaat het om de relatief korte periode van één maand voorafgaand aan de einddatum van het dienstverband en is dit een periode waarin de TU/e kan proberen – en in het geval van [verzoeker] : heeft geprobeerd – extra financiering te verkrijgen, zodat de werknemer nog enige tijd betaald door kan gaan met de (onderzoeks)werkzaamheden. 4.16. Aan [verzoeker] kan worden toegegeven dat de berichten van de afdeling HR in het kader van de verlenging niet de duidelijkheid hebben gegeven die hij op dat moment hoopte te krijgen. Maar HR was op dat moment ook nog in afwachting van nader bericht van de afdeling Finance. De hoop bij zowel werknemer als werkgever dat er extra financiering zou worden gevonden neemt niet weg dat de inhoud van de brief van 12 september 2025 duidelijk was en nog steeds gold op het moment van navraag doen. De kantonrechter begrijpt dat het voor [verzoeker] prettiger was geweest als een medewerker van de afdeling HR uitdrukkelijk aan hem had medegedeeld dat het uitgangspunt toen nog steeds was ‘einde arbeidsovereenkomst op 14 oktober 2025’. Toch is het de vraag in hoeverre dit voor onduidelijkheid en onzekerheid aan de kant van [verzoeker] heeft gezorgd. Uit de eigen verklaringen van [verzoeker] begrijpt de kantonrechter namelijk dat op basis van de brief voor hem duidelijk was dat de arbeidsovereenkomst zou eindigen op 14 oktober 2025. Verder heeft [verzoeker] betoogd dat de voorwaarde uit de brief op 2 oktober 2025 in vervulling is gegaan. Deze stelling kan niet anders betekenen dan dat de inhoud van de brief wat [verzoeker] betreft in elk geval nog gold op 15 september 2025, het moment waarop hij bij de afdeling HR navraag deed over de status van de verlenging. De kantonrechter is van oordeel dat enige onduidelijkheid die is ontstaan na de brief – voor zover daarvan sprake is geweest – niet afdoet aan het tijdig informeren over het niet-voortzetten van de arbeidsovereenkomst. 4.17. De slotsom is dat de brief van 12 september 2025 moet worden aangemerkt als een tijdige aanzegging als bedoeld in artikel 7:668 lid 1 sub a BW. De TU/e is aan [verzoeker] geen vergoeding verschuldigd. Het verzochte bedrag is niet toewijsbaar. Proceskosten 4.18. De proceskosten komen voor rekening van [verzoeker] , omdat hij overwegend ongelijk krijgt. De proceskosten aan de kant van de TU/e worden tot vandaag vastgesteld op € 649,00 (€ 577,00 aan salaris gemachtigde en € 72,00 aan nakosten). 5 De beslissing De kantonrechter 5.1. wijst de vorderingen van [verzoeker] af; 5.2. veroordeelt [verzoeker] tot betaling van de proceskosten, aan de kant van de TU/e tot vandaag vastgesteld op € 649,00, te betalen binnen veertien dagen na dagtekening van deze uitspraak. Deze beschikking is gegeven door mr. A. Wijsman - Van Veen en in het openbaar uitgesproken op 17 april 2026. De leden 1 en 3 van artikel 7:668 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) gaan over de verplichting van de werkgever om tijdig schriftelijk aan te zeggen en over de aanzegvergoeding. De vervaltermijn van 3 maanden volgt uit artikel 7:686a lid 4 onder e BW. Artikel 7:668 lid 1 BW. Artikel 7:668 lid 3 BW. Die vergoeding is gelijk aan het bedrag van het loon voor één maand en wordt bij niet tijdig aanzeggen naar rato berekend. Kamerstukken II 2013/14, 33 818, nr. 3, p. 20-21, 53. Zo geeft de brief informatie over het opnemen van verlofdagen en het aanvragen van een WW-uitkering. Verder staat beschreven wat de werknemer kan verwachten en wat van hem wordt verwacht: bijvoorbeeld einde pensioenopbouw, eventuele aanspraak op transitievergoeding en het moment van ontvangst van jaaropgaaf en ook het inleveren van sleutel, pasje, ter beschikking gestelde hulpmiddelen.
Volledig
De inhoud van de aanzegging is namelijk veranderd van “einde arbeidsovereenkomst” naar “voortzetting arbeidsovereenkomst”. 4.11. Het in vervulling gaan van de voorwaarde tast echter niet de aanzegging zelf aan en ook niet het moment daarvan. Tussen partijen is niet in geschil dat [verzoeker] de brief op 12 september 2025 heeft ontvangen. Een aanzegging op 12 september 2025 is, gelet op de einddatum van de arbeidsovereenkomst, tijdig. 4.12. [verzoeker] heeft verder betoogd dat de brief niet als een aanzegging geldt, omdat een aanzegging duidelijk en ondubbelzinnig moet zijn en volgens hem is daarvan in dit geval geen sprake. Hij wijst in dit kader op twee aspecten: i) in de zomer van 2025 bespraken [verzoeker] en zijn leidinggevende eerst de intentie en later ook het mondeling gegeven groen licht voor verlenging van de arbeidsovereenkomst en ii) het proces van de verlenging van zijn dienstverband was op 12 september 2025 nog niet afgerond. [verzoeker] stelt dat de brief, door de ontbindende voorwaarde en gelet op deze twee aspecten, bij hem heeft geleid tot onduidelijkheid en onzekerheid, terwijl de bedoeling van de wettelijke aanzegverplichting is tijdig duidelijkheid te verschaffen aan de werknemer. 4.13. Tijdens de zitting heeft [verzoeker] verklaard dat voor hem duidelijk bleek uit de brief dat de arbeidsovereenkomst zou eindigen, maar dat hij de ontvangst ervan in de gegeven omstandigheden niet kon plaatsen. Hij dacht dat de brief ten onrechte naar hem was gestuurd. Daarom heeft hij mondeling navraag gedaan over de verlenging bij collega’s van de afdeling HR. HR heeft toen aangegeven dat de verlenging van de arbeidsovereenkomst “hangt bij financiën”. Uit het antwoord per e-mail van 15 september 2025 blijkt dat de unit controller nog intern zou adviseren oer de verlenging en over de vraag of de verlenging al dan niet via de groep SEC zou worden gefinancierd (productie 3 bij het verzoekschrift). Dit antwoord zorgde voor nog meer onzekerheid over het wel of niet verlengen van zijn arbeidsovereenkomst en wekte bij hem de indruk dat de aanzegging niet effectief was, zo heeft [verzoeker] verklaard. 4.14. De TU/e heeft hier tegenin gebracht dat de brief van 12 september 2025 uitdrukkelijk is bedoeld om duidelijkheid te geven aan [verzoeker] en dat de bewoording “U heeft een arbeidsovereenkomst (…) die van rechtswege zal eindigen op 14 oktober 2025.” helder is. Onweersproken is dat het [verzoeker] bekend was dat voor verlenging akkoord nodig was, onder meer wat betreft de financiering. Naar aanleiding van de brief van 12 september 2025 en het contact met HR was het [verzoeker] duidelijk dat de financiering (en daarmee de verlenging) in september 2025 nog niet rond was. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de TU/e verder toegelicht dat zogenoemde promovendi-contracten een standaardduur van 4 jaar hebben, dat die contracten in principe niet verlengd kunnen worden en dat verlenging in een enkel geval wel mogelijk is, namelijk als daarvoor (externe) financiering wordt gevonden. Om een arbeidsovereenkomst van een promovendus na vier jaar nog te kunnen verlengen, neemt de TU/e in de aanzeggingsbrief de voorwaarde op. In het geval van [verzoeker] was de financiering op 12 september 2025 nog niet rond en was er dus nog geen akkoord voor de verlenging van zijn dienstverband. Daarom kon de TU/e, zo verklaarde zij, op dat moment niet anders dan [verzoeker] informeren over het einde van de arbeidsovereenkomst. 4.15. De kantonrechter is het met de TU/e eens dat het in het belang van de werknemer en de werkgever is om de werknemer tijdig te informeren over het niet-voortzetten van de arbeidsovereenkomst en tegelijkertijd de mogelijkheden voor een verlenging te kunnen onderzoeken. Anders dan de gemachtigde van [verzoeker] op de zitting deed voorkomen, is het opnemen van de mogelijkheid van verlenging (‘de voorwaarde’) in de aanzeggingsbrief geen manier om de beslissing over het al dan niet voortzetten te rekken en werknemer al die tijd in onzekerheid te laten. Niet alleen is al een beslissing genomen (met alle gevolgen van dien), maar ook gaat het om de relatief korte periode van één maand voorafgaand aan de einddatum van het dienstverband en is dit een periode waarin de TU/e kan proberen – en in het geval van [verzoeker] : heeft geprobeerd – extra financiering te verkrijgen, zodat de werknemer nog enige tijd betaald door kan gaan met de (onderzoeks)werkzaamheden. 4.16. Aan [verzoeker] kan worden toegegeven dat de berichten van de afdeling HR in het kader van de verlenging niet de duidelijkheid hebben gegeven die hij op dat moment hoopte te krijgen. Maar HR was op dat moment ook nog in afwachting van nader bericht van de afdeling Finance. De hoop bij zowel werknemer als werkgever dat er extra financiering zou worden gevonden neemt niet weg dat de inhoud van de brief van 12 september 2025 duidelijk was en nog steeds gold op het moment van navraag doen. De kantonrechter begrijpt dat het voor [verzoeker] prettiger was geweest als een medewerker van de afdeling HR uitdrukkelijk aan hem had medegedeeld dat het uitgangspunt toen nog steeds was ‘einde arbeidsovereenkomst op 14 oktober 2025’. Toch is het de vraag in hoeverre dit voor onduidelijkheid en onzekerheid aan de kant van [verzoeker] heeft gezorgd. Uit de eigen verklaringen van [verzoeker] begrijpt de kantonrechter namelijk dat op basis van de brief voor hem duidelijk was dat de arbeidsovereenkomst zou eindigen op 14 oktober 2025. Verder heeft [verzoeker] betoogd dat de voorwaarde uit de brief op 2 oktober 2025 in vervulling is gegaan. Deze stelling kan niet anders betekenen dan dat de inhoud van de brief wat [verzoeker] betreft in elk geval nog gold op 15 september 2025, het moment waarop hij bij de afdeling HR navraag deed over de status van de verlenging. De kantonrechter is van oordeel dat enige onduidelijkheid die is ontstaan na de brief – voor zover daarvan sprake is geweest – niet afdoet aan het tijdig informeren over het niet-voortzetten van de arbeidsovereenkomst. 4.17. De slotsom is dat de brief van 12 september 2025 moet worden aangemerkt als een tijdige aanzegging als bedoeld in artikel 7:668 lid 1 sub a BW. De TU/e is aan [verzoeker] geen vergoeding verschuldigd. Het verzochte bedrag is niet toewijsbaar. Proceskosten 4.18. De proceskosten komen voor rekening van [verzoeker] , omdat hij overwegend ongelijk krijgt. De proceskosten aan de kant van de TU/e worden tot vandaag vastgesteld op € 649,00 (€ 577,00 aan salaris gemachtigde en € 72,00 aan nakosten). 5 De beslissing De kantonrechter 5.1. wijst de vorderingen van [verzoeker] af; 5.2. veroordeelt [verzoeker] tot betaling van de proceskosten, aan de kant van de TU/e tot vandaag vastgesteld op € 649,00, te betalen binnen veertien dagen na dagtekening van deze uitspraak. Deze beschikking is gegeven door mr. A. Wijsman - Van Veen en in het openbaar uitgesproken op 17 april 2026. De leden 1 en 3 van artikel 7:668 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) gaan over de verplichting van de werkgever om tijdig schriftelijk aan te zeggen en over de aanzegvergoeding. De vervaltermijn van 3 maanden volgt uit artikel 7:686a lid 4 onder e BW. Artikel 7:668 lid 1 BW. Artikel 7:668 lid 3 BW. Die vergoeding is gelijk aan het bedrag van het loon voor één maand en wordt bij niet tijdig aanzeggen naar rato berekend. Kamerstukken II 2013/14, 33 818, nr. 3, p. 20-21, 53. Zo geeft de brief informatie over het opnemen van verlofdagen en het aanvragen van een WW-uitkering. Verder staat beschreven wat de werknemer kan verwachten en wat van hem wordt verwacht: bijvoorbeeld einde pensioenopbouw, eventuele aanspraak op transitievergoeding en het moment van ontvangst van jaaropgaaf en ook het inleveren van sleutel, pasje, ter beschikking gestelde hulpmiddelen.