Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant
2026-03-06
ECLI:NL:RBOBR:2026:2079
Civiel recht; Insolventierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
5,862 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBOBR:2026:2079 text/xml public 2026-04-09T13:27:19 2026-04-01 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Oost-Brabant 2026-03-06 C/01/25/145 F Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL 's-Hertogenbosch Civiel recht; Insolventierecht Rechtspraak.nl Sdu Nieuws Insolventierecht 2026/48 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:2079 text/html public 2026-04-01T09:02:10 2026-04-02 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBOBR:2026:2079 Rechtbank Oost-Brabant , 06-03-2026 / C/01/25/145 F inbewaringstelling op grond van artikel 87 Faillissementswet; voordracht rechter-commissaris tot verlenging bevel inbewaringstelling; verzoek betrokkene tot opheffing dan wel schorsing inbewaringstelling; schorsing onder voorwaarden. RECHTBANK OOST-BRABANT Toezicht Faillissementsnummer: C/01/25/145 F Uitspraakdatum: 6 maart 2026 Toewijzing verzoek tot schorsing bevel tot inbewaringstelling Afwijzing verzoek tot verlenging bevel tot inbewaringstelling Afwijzing verzoek tot opheffing bevel tot inbewaringstelling In het faillissement van: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [bedrijf A] B.V., statutair gevestigd te ’s-Hertogenbosch, ingeschreven bij de Kamer van Koophandel onder nummer [nummer] . 1 Het procesverloop 1.1 Bij vonnis van deze rechtbank van 3 juni 2025 is [bedrijf A] B.V. (hierna: gefailleerde) failliet verklaard met aanstelling van mr. J. Beerens tot curator (hierna: de curator) en benoeming van mr. S.J.O. de Vries tot rechter-commissaris (hierna: de rechter-commissaris). 1.2 Op grond van artikel 87 van de Faillissementswet (hierna: Fw) is door deze rechtbank bij beschikking van 2 december 2025 de inbewaringstelling bevolen van [betrokkene] (hierna: [betrokkene] ), geboren op [geboortedag] 1999, wonende te [woonplaats] aan de [adres] , in zijn hoedanigheid van gewezen bestuurder van gefailleerde, op dit moment verblijvende in het huis van bewaring in Grave. 1.3 Het bevel tot inbewaringstelling is op 8 januari 2026 ten uitvoer gelegd met de aanhouding van [betrokkene] , waarna hij is overgebracht naar het huis van bewaring in Grave. 1.4 Bij bericht van 2 februari 2026 heeft de curator ex artikel 87 lid 3 Fw verzocht het bevel tot inbewaringstelling te verlengen. 1.5 Bij brief van 4 februari 2026 heeft de rechter-commissaris, onder verwijzing naar berichten van de curator van 27 januari, 2 en 4 februari 2026, de rechtbank bericht dat naar zijn mening verlenging van het bevel tot inbewaringstelling aangewezen is. 1.6 Op de zitting van de rechtbank van 4 februari 2026 zijn [betrokkene] , bijgestaan door zijn advocaat mr. M. van Beek, alsmede de curator en zijn kantoorgenoot mr. N. van Wandelen verschenen. Mr. Van Beek heeft op zitting namens [betrokkene] de rechtbank ex artikel 88 Fw primair verzocht om het bevel tot inbewaringstelling op te heffen en subsidiair om dit bevel te schorsen. Dit verzoek en het verzoek van de curator tot verlenging van het bevel tot inbewaringstelling zijn door de rechtbank op zitting behandeld. 1.7 Bij vonnis van 5 februari 2026 heeft de rechtbank het verzoek tot opheffing dan wel schorsing van het bevel tot inbewaringstelling afgewezen en het verzoek tot verlenging van dit bevel toegewezen. 1.8 Bij bericht van 4 maart 2026 heeft de rechter-commissaris, onder verwijzing naar berichten namens de curator van 27 februari en 3 maart 2026, de rechtbank voorgedragen het bevel tot inbewaringstelling te verlengen. 1.9 Op de zitting van de rechtbank van 5 maart 2026 zijn [betrokkene] , bijgestaan door zijn advocaat mr. M. van Beek, alsmede namens de curator mr. N. van Wandelen en zijn kantoorgenoot mr. A. Bouman verschenen. Mr. Van Beek heeft op zitting namens [betrokkene] de rechtbank ex artikel 88 Fw primair verzocht om het bevel tot inbewaringstelling op te heffen met zekerheidstelling en subsidiair om dit bevel te schorsen. Deze verzoeken en het verzoek van de curator tot verlenging van het bevel tot inbewaringstelling zijn door de rechtbank op zitting behandeld. 2. De voordracht tot verlenging en het verzoek tot opheffing respectievelijk schorsing 2.1. [betrokkene] legt aan zijn primaire verzoek tot opheffing van het bevel tot inbewaringstelling met zekerheidsstelling – kort en zakelijk weergegeven – het volgende ten grondslag. Voortzetting van de tenuitvoerlegging van het bevel tot inbewaringstelling is zinloos, omdat het voor [betrokkene] door de inbewaringstelling niet mogelijk is gebleken om de informatie te achterhalen die de curator bij hem heeft opgevraagd. De inbewaringstelling kan niet dienen als dwangmiddel tegen vermeend plichtsverzuim van [betrokkene] en de inbewaringstelling heeft inmiddels het karakter van strafoplegging gekregen. Daarvoor is inbewaringstelling niet bedoeld. Daar komt nog bij dat de curator in de afgelopen 30 dagen [betrokkene] niet heeft verhoord en niets heeft gedaan met de door de advocaat van [betrokkene] aangeleverde informatie om daarmee mogelijk met de gestelde feitelijk leidinggevende van gefailleerde in contact te komen. De ouders van [betrokkene] zijn bereid om voor opheffing van het bevel tot inbewaringstelling een bedrag van € 5.000,- zekerheid te stellen. Aanvullend legt [betrokkene] aan zijn subsidiaire verzoek tot schorsing van het bevel tot inbewaringstelling ten grondslag dat aan deze schorsing voorwaarden kunnen worden verbonden, die kunnen waarborgen dat [betrokkene] voor de curator bereikbaar en beschikbaar is en blijft. De schorsing van het bevel tot inbewaringstelling biedt [betrokkene] de mogelijkheid om via derden contactgegevens van de feitelijk leidinggevende van gefailleerde te proberen te achterhalen, door met hen contact te leggen via Snapchat en/of op locaties in Rotterdam, zoals Coffeeshop [naam coffeeshop] gelegen aan [adres] en de straat [straatnaam] . 2.2. De voordracht van de rechter-commissaris tot verlenging van het bevel tot inbewaringstelling luidt – voor zover hier van belang – als volgt: “Een kantoorgenoot van de curator heeft mij namens de curator bij berichten van 27 februari 2026 en 3 maart 2026 nader geïnformeerd. De curator is van mening dat het bevel inbewaringstelling moet worden verlengd. Hij schrijft in zijn bericht van 27 februari 2026: “ Sinds de vorige verlenging hebben de curator en ondergetekende meermalen contact gehad met de advocaat van de heer [betrokkene] om te bezien of hij progressie heeft geboekt in het verkrijgen van de benodigde informatie, dan wel of hij een duidelijke specificatie kan overleggen van de acties die hij heeft ondernomen om de informatie te verkrijgen. Op verzoek van de advocaat van de heer [betrokkene] zijn de beschikbare rekeningafschriften van de vennootschap aan hem verstrekt, zodat ook van die zijde nader onderzoek kon plaatsvinden. Heden heeft opnieuw overleg plaatsgevonden met de advocaat van de heer [betrokkene] . Daarbij is medegedeeld dat uit de bestudering van de rekeningafschriften onder meer de naam [bedrijf B] naar voren is gekomen. Volgens de heer [betrokkene] zou hij tezamen met de heer [A] een loods hebben gehuurd van deze partij. Voorts komt in de afschriften meermalen de naam [B] voor, met als omschrijving “huur”. De heer [betrokkene] heeft aangegeven binnen zijn netwerk navraag te zullen doen naar deze persoon. Tenslotte zou de heer [betrokkene] in de afgelopen periode contact hebben gezocht met een kennis van hem, de heer [C] , die eveneens bekend zou zijn met de heer [A] . De heer [C] zou de heer [betrokkene] ook hebben bezocht in de penitentiaire inrichting. Ik heb het telefoonnummer van de heer [C] ontvangen. Echter, het is tot op heden niet gelukt om daadwerkelijk met de heer [C] in contact te treden. Hoewel uit het voorgaande kan worden afgeleid dat de heer [betrokkene] zich in zekere mate heeft ingespannen om aanvullende informatie te vergaren, heeft dit tot op heden niet geleid tot concrete, verifieerbare en nieuwe informatie over het bestaan en de (verblijf)locatie van de heer [A] . Van wezenlijke nieuwe informatie die kan bijdragen aan de afwikkeling van het faillissement is daarom nog geen sprake. Gelet op het voorgaande acht de curator voortzetting van de inbewaringstelling geraden.
Volledig
De advocaat van de heer [betrokkene] is al geïnformeerd over het voornemen van de curator om wederom verlenging van de inbewaringstelling te verzoeken.” De curator schrijft in zijn bericht van 3 maart 2026: “ U vroeg mij op welke momenten contact is geweest met (de advocaat van) de heer [betrokkene] . Ter beantwoording van uw vraag heeft op 18 en 19 februari jl. contact plaatsgevonden tussen de curator en mr. Van Beek, zowel telefonisch als per e-mail. Vervolgens heeft ondergetekende op 27 februari jl., 2 maart jl. en 3 maart jl. wederom telefonisch en per e-mail contact gehad met mr. Van Beek omtrent de positie van de heer [betrokkene] en de door de curator verzochte informatie. Aanvullend daarop is heden – met spoed – bij de PI Grave een verzoek ingediend om telefonisch persoonlijk contact te kunnen hebben met de heer [betrokkene] . In dat kader heeft mr. Van Beek aangegeven dat mogelijk op 4 maart a.s. een bezoek in persoon kan plaatsvinden tussen de heer [betrokkene] en ondergetekende. Niettegenstaande het voorgaande blijft de curator van oordeel dat verlenging van de inbewaringstelling, gelet op het navolgende, met dertig dagen noodzakelijk is. Mr. Van Beek heeft verklaard dat momenteel samen met de heer [betrokkene] wordt bezien welke aanvullende informatie kan worden verstrekt. Daarbij wordt evenwel uitsluitend in algemene bewoordingen gesteld dat de heer [betrokkene] vanuit de PI niet in staat zou zijn nadere informatie aan te leveren. Een concrete onderbouwing daarvan ontbreekt. Evenmin is toegelicht op welke wijze en binnen welke termijn deze informatie wél zou kunnen worden verstrekt als de verzekerde bewaring van de heer [betrokkene] zou worden opgeheven. Hierbij is voorheen door de heer [betrokkene] slechts aangevoerd dat, zonder nader plan, zal worden afgereisd naar Rotterdam in de hoop “oude bekenden” te treffen die kunnen verklaren over het bestaan van de heer [A] en zijn mogelijke verblijfplaats. Daartegenover staat dat de curator tot op heden nog steeds niet beschikt over concrete gegevens over de heer [A] en diens boekhouder, ondanks herhaalde verzoeken daartoe. De zogenoemde “nieuwe” informatie is eerst verstrekt nadat de curator daar uitdrukkelijk om had verzocht, en wel op 27 februari jl. via (de advocaat van) de heer [betrokkene] . Deze informatie is summier van aard, niet verifieerbaar en derhalve ontoereikend in het licht van de op de heer [betrokkene] rustende inlichtingenplicht. Namen en/of contactgegevens van relevante personen worden niet verstrekt. Van een proactieve nakoming van de inlichtingenplicht is vooralsnog geen sprake. Daarbij bestaat aan de zijde van de curator ernstige twijfel over de bereidheid van de heer [betrokkene] om, na zijn eventuele vrijlating, alsnog te voldoen aan de op hem rustende verplichtingen. De curator wijst in dat verband op de herhaalde onbereikbaarheid van de heer [betrokkene] in het verleden en het feit dat geen vaste woon- of verblijfplaats van de heer [betrokkene] bekend is. Om voornoemde redenen acht de curator een verlenging van de inbewaringstelling opportuun. Als de heer [betrokkene] zich tijdens het verhoor ten overstaan van uw rechtbank opnieuw op het standpunt stelt dat hij de verzochte informatie slechts kan verstrekken indien de verzekerde bewaring wordt opgeheven, dan staat de curator desondanks in beginsel open voor opheffing van de inbewaringstelling onder de voorwaarde dat door uw rechtbank een passende zekerheidstelling wordt bepaald zoals bedoeld in artikel 88 Fw. Hopelijk kan alsdan hiermee worden bewerkstelligd dat de heer [betrokkene] zich niet onttrekt aan zijn verplichtingen. De eventuele voorwaarden van deze zekerheidsstelling kunnen wat de curator betreft tijdens het aanstaande verhoor nader worden besproken en vastgelegd. Ondergetekende heeft de heer [betrokkene] , via mr. Van Beek, al gewezen op deze mogelijkheid. Mr. Van Beek heeft aangegeven de mogelijkheden tot het stellen van zekerheid samen met de heer [betrokkene] te zullen onderzoeken in aanloop naar het verhoor en hier positief tegenover te staan.” Gezien de berichten van de curator is verlenging van het bevel tot inbewaringstelling mijns inziens aangewezen. De heer [betrokkene] komt de verplichtingen, die de Faillissementswet hem in verband met het faillissement oplegt, nog onvoldoende na. Bij mij bestaat de overtuiging dat de heer [betrokkene] over aanvullende informatie beschikt, welke hij tot op heden niet heeft verstrekt en dat voldoende aannemelijk is dat verlenging van de inbewaringstelling tot het alsnog verstrekken van die informatie zal leiden. De inbreuk op de persoonlijke vrijheid van de heer [betrokkene] is dan ook gerechtvaardigd. Het recht van de heer [betrokkene] op persoonlijke vrijheid weegt momenteel minder zwaar dan de bij de inbewaringstelling betrokken belangen van de gezamenlijke schuldeisers. Ik adviseer op dit moment niet in te stemmen met de door de curator genoemde mogelijkheid van opheffing onder de voorwaarde van passende zekerheidsstelling, omdat de verlenging van de inbewaringstelling een grotere urgentie met zich meebrengt.” [einde citaat] 2.3. Namens de curator is op zitting, in aanvulling op de hiervoor weergegeven berichten aan de rechter-commissaris, het volgende naar voren gebracht. Omdat in de afgelopen dagen door [betrokkene] wel enige informatie is verstrekt, kan verlenging van het bevel tot inbewaringstelling mogelijk meer informatie opleveren. De curator is evenwel bereid om mee te werken aan opheffing van het bevel tot inbewaringstelling als daaraan een zekerheidstelling wordt verbonden, die eventueel kan worden aangewend om informatie over de vermeend leidinggevende van gefailleerde te laten achterhalen. 3 De beoordeling 3.1. Artikel 87 Fw geeft de rechtbank de discretionaire bevoegdheid de inbewaringstelling van een bestuurder van de gefailleerde te bevelen wegens het niet nakomen van de verplichtingen die de wet hem in verband met het faillissement oplegt, dan wel wegens gegronde vrees voor het niet nakomen van zodanige verplichtingen. Bij de beslissing of de gefailleerde op grond van artikel 87 lid 1 Fw in verzekerde bewaring moet worden gesteld is de in artikel 587 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voor de toepassing van lijfsdwang voorgeschreven maatstaf -met de daarin besloten liggende eisen van proportionaliteit en subsidiariteit- van overeenkomstige toepassing. Die maatstaf volgt uit de wet en is volgens de bestaande rechtspraak niet in strijd met artikel 5 en 6 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) (HR 10 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:51). De rechtbank dient mede in verband met het bepaalde in artikel 5 EVRM te onderzoeken of er op basis van de huidige stand van zaken nog gronden aanwezig zijn die de voortduring van de inbewaringstelling en daarmee de inbreuk op de persoonlijke vrijheid van [betrokkene] rechtvaardigen. Daarbij dient een afweging te worden gemaakt tussen het belang van de persoonlijke vrijheid van [betrokkene] enerzijds en de bij inbewaringstelling betrokken belangen – waaronder het belang van de inlichtingen- en medewerkingsplicht – anderzijds. In het licht van het uit het EVRM voortvloeiende subsidiariteitsbeginsel dient onderzocht te worden of het met de inbewaringstelling beoogde doel niet op minder ingrijpende wijze kan worden bereikt. Schorsing van het bevel tot inbewaringstelling, zo nodig onder het stellen van voorwaarden, kan een dergelijke minder ingrijpende wijze vormen om het beoogde doel te bereiken. 3.2. Uit de hiervoor weergegeven voordracht van de rechter-commissaris blijkt dat de inbewaringstelling van [betrokkene] nog steeds wordt aangewend om hem te dwingen tot naleving van de wettelijke verplichtingen die voor hem aan het faillissement van [bedrijf A] B.V. zijn verbonden. Uit de voordracht van de rechter-commissaris en de daarbij aangehaalde berichten van de curator komt immers naar voren dat [betrokkene] nog niet volledig aan de op hem rustende wettelijk verplichtingen voldoet. Daarbij wordt – kort weergegeven – het volgende in aanmerking genomen. 3.2.1.
Volledig
[betrokkene] heeft in de afgelopen periode geen wezenlijk nieuwe informatie verstrekt die aan de afwikkeling van het faillissement kan bijdragen. Bij de rechter-commissaris bestaat de overtuiging dat [betrokkene] over aanvullende informatie beschikt, die hij tot op heden niet heeft verstrekt en dat voldoende aannemelijk is dat verlenging van de inbewaringstelling tot het alsnog verstrekken van die informatie zal leiden. 3.3. De rechtbank stelt vast dat de curator van [betrokkene] vooralsnog geen contactgegevens van de gestelde feitelijk leidinggevende en boekhouder van gefailleerde heeft ontvangen. Gelet op het bepaalde in artikel 87 Fw is daarom ook op dit moment nog grond voor het bevel tot inbewaringstelling aanwezig. 3.4. Om die reden is de rechtbank van oordeel dat dwang nog steeds nodig is. Deze dwang behoeft op dit moment niet zo ver meer te gaan als de vrijheidsberovende gijzeling. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende. 3.4.1. Vrijheidsberoving teneinde een (bestuurder van) gefailleerde tot medewerking te verplichten bij de afwikkeling en het beheer van de boedel dan wel om diens tegenwerking te "neutraliseren", is een uiterst middel dat ook alleen maar in uiterste gevallen mag worden ingezet. De rechtbank constateert dat [betrokkene] in de afgelopen periode enige vooruitgang heeft geboekt in het naleven van de wettelijke verplichtingen. Daardoor kan een minder ingrijpende maatregel dan inbewaringstelling toereikend zijn om te bereiken dat hij deze verplichtingen verder naleeft. 3.4.2. De meer coöperatieve houding van [betrokkene] heeft ertoe geleid dat aan de curator drie namen zijn doorgegeven, te weten [B] , [C] en [bedrijf B] te [plaats] . Uit de bankafschriften van gefailleerde, die in het bezit zijn van de curator, en de verklaring van [betrokkene] volgt dat tussen gefailleerde en [B] en [bedrijf B] mogelijk een huurrelatie heeft bestaan. Naast deze namen heeft de curator van de advocaat van [betrokkene] een telefoonnummer ontvangen waarop [C] bereikbaar zou zijn. Gesteld noch gebleken is dat het voor de curator tot op heden niet mogelijk is geweest om nadere gegevens van [bedrijf B] via bijvoorbeeld het internet te achterhalen. Onweersproken is gesteld dat [C] om persoonlijke redenen tegenover de advocaat van [betrokkene] heeft geweigerd om informatie te verstrekken over de gestelde feitelijk bestuurder. Niet is uitgesloten dat de curator op een later moment er alsnog in zal slagen om [C] op het door hem ontvangen telefoonnummer te bereiken. Tegen deze achtergrond valt niet te begrijpen dat de curator zich op het standpunt stelt dat de verstrekte informatie niet verifieerbaar is en/of dat namen en/of contactgegevens van relevante personen niet worden verstrekt. [betrokkene] dient op eigen initiatief de curator in te lichten over feiten en omstandigheden waarvan hij weet of behoort te weten dat deze voor de omvang, het beheer of de vereffening van de boedel van belang zijn. Dit neemt evenwel niet weg dat daarnaast van de curator mag worden verwacht dat verstrekte informatie zoveel mogelijk wordt geverifieerd. Bovendien mag van de curator worden verwacht dat hij een (bestuurder van) gefailleerde die in bewaring is gesteld regelmatig verhoord om de benodigde informatie te verkrijgen alsook om te toetsen of nog voldoende grond voor het bevel tot inbewaringstelling aanwezig is. De curator is hierin alsook in het verifiëren van verstrekte informatie tekortgeschoten. [betrokkene] heeft gemotiveerd uiteengezet dat hij bij opheffing dan wel schorsing van het bevel tot inbewaringstelling beter in staat zal zijn om de door de curator opgevraagde informatie te proberen aan te leveren. Daarbij heeft hij concreet uiteengezet welke stappen hij daartoe zal ondernemen. Verder heeft [betrokkene] verklaard dat hij na opheffing dan wel schorsing van het bevel tot inbewaringstelling bij zijn ouders zal verblijven en voor de curator telefonisch bereikbaar zal zijn. De curator is bekend met dit ouderlijk adres en het mobiele telefoonnummer van [betrokkene] . 3.5. Het voorgaande leidt in onderlinge samenhang bezien tot het oordeel dat op dit moment een schorsing van de inbewaringstelling onder voorwaarden gerechtvaardigd is. 3.6. Dit betekent dat het bevel tot in bewaringstelling van [betrokkene] zal worden geschorst en dat de verzoeken tot verlenging respectievelijk opheffing van dit bevel zullen worden afgewezen. [betrokkene] zal dus onmiddellijk moeten worden vrijgelaten. 3.7. De rechtbank neemt daarbij, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 22 januari 2021 (ECLI:NL:HR:2021:102), in aanmerking dat de termijn van artikel 87 lid 3 Fw niet doorloopt indien en zolang de inbewaringstelling voorwaardelijk of onvoorwaardelijk is geschorst en dat het bevel tot inbewaringstelling gedurende de gehele periode van de schorsing zijn rechtskracht behoudt. De schorsing gaat in op de dag van de feitelijke beëindiging van de tenuitvoerlegging van het bevel tot inbewaringstelling. Tijdens deze periode van schorsing bestaat de mogelijkheid om, indien daartoe aanleiding bestaat, de rechtbank voor te dragen en/of te verzoeken het bevel tot inbewaringstelling of de schorsing daarvan op te heffen, dan wel de voorwaarden waaronder de inbewaringstelling is geschorst, op te heffen of aan te passen. 3.8. Houdt [betrokkene] zich niet aan de hieronder in de beslissing gestelde voorwaarden, dan kan de curator dat aan de rechter-commissaris berichten. Op verzoek van de curator of op voordracht van de rechter-commissaris kan de schorsing van de inbewaringstelling dan worden verlengd, of kan de schorsing van het bevel tot inbewaringstelling worden opgeheven. 3.9. De voorwaarden die de rechtbank aan de schorsing zal verbinden zien op de inlichtingen- medewerkingsplicht en op de verplichting ex artikel 91 Fw. 4 De beslissing De rechtbank: 4.1. schorst met ingang van vandaag om 13:00 uur tot en met 6 april 2026 het bevel tot inbewaringstelling van [betrokkene] , geboren op [geboortedag] 1999, wonende te [woonplaats] aan de [adres] , op dit moment verblijvende in het huis van bewaring in Grave, in het faillissement van [bedrijf A] B.V., onder de volgende voorwaarden: a. [betrokkene] dient zich één keer per week op het kantoor van de curator te melden; b. [betrokkene] dient de curator wekelijks schriftelijk (per e-mail) te rapporteren over de acties die hij heeft ondernomen om de door de curator gevraagde informatie aan te leveren alsook het resultaat daarvan mede te delen; c. als de curator op een later moment [betrokkene] verzoekt (andere) informatie aan te (laten) leveren, stelt [betrokkene] zich actief op om die informatie zo spoedig mogelijk aan de curator aan te (laten) leveren; d. [betrokkene] zal zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de rechter-commissaris niet naar het buitenland vertrekken. Deze beslissing is gegeven door mr. S.C.E.F. Moulen Janssen, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 6 maart 2026 in tegenwoordigheid van de griffier . De griffier is buiten staat deze beschikking te ondertekenen. Tegen deze uitspraak kan uitsluitend via een advocaat binnen drie maanden na de dag van deze uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij een beroepschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.