Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant
2026-04-03
ECLI:NL:RBOBR:2026:2072
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,071 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBOBR:2026:2072 text/xml public 2026-04-08T09:32:16 2026-03-31 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Oost-Brabant 2026-04-03 25/2321 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL 's-Hertogenbosch Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:2072 text/html public 2026-04-08T09:30:33 2026-04-08 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBOBR:2026:2072 Rechtbank Oost-Brabant , 03-04-2026 / 25/2321 Naheffingsaanslag parkeerbelasting. Eiser heeft een vliegreis gemaakt en in dat tijdsbestek zijn auto geparkeerd nabij het vliegveld. Hij krijgt drie naheffingsaanslagen op verschillende data, omdat hij geen parkeergeld heeft betaald. Eiser vindt dat het niet voldoende duidelijk was dat hij ter plaatse parkeergeld moest betalen, maar dat was het wel. Geen grond voor vernietiging van (een deel van) de naheffingsaanslagen, ondanks dat eiser geen gelegenheid is geboden om de duur van het onbetaald parkeren te verkorten. Beroep ongegrond. RECHTBANK OOST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: SHE 25/2321 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 april 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser, en de heffingsambtenaar van de gemeente Eindhoven, de heffingsambtenaar (gemachtigde: [naam] ). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank of de heffingsambtenaar terecht drie naheffingsaanslagen parkeerbelasting heeft opgelegd aan eiser. 1.1. De heffingsambtenaar heeft op 8 juli 2025 twee naheffingsaanslagen parkeerbelasting van ieder € 80,80 opgelegd aan eiser (naheffingsaanslag I en naheffingsaanslag II), bestaande uit € 2,00 parkeerbelasting en € 78,80 naheffingskosten. De heffingsambtenaar heeft op 11 juli 2025 aan eiser een naheffingsaanslag parkeerbelasting van € 80,80 opgelegd (naheffingsaanslag III), bestaande uit € 2,00 parkeerbelasting en € 78,80 naheffingskosten. 1.2. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslagen. Met de uitspraak op bezwaar van 1 augustus 2025 (de bestreden uitspraak) heeft de heffingsambtenaar de naheffingsaanslagen gehandhaafd. 1.3. Eiser heeft beroep ingesteld tegen de bestreden uitspraak. 1.4. De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.5. De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. Feiten 2. Op 25 juni 2025 stond het voertuig met het kenteken [kenteken] geparkeerd op een parkeerplaats aan de [adres] in [plaats] . Deze parkeerplaats is aangewezen als plaats waar tegen betaling geparkeerd mag worden. De parkeercontroleur heeft op 25 juni 2025 omstreeks 13:08 uur geconstateerd dat het voertuig geparkeerd stond, terwijl er niet of niet voldoende parkeergeld was betaald. Vervolgens is naheffingsaanslag I opgelegd. 3. Op 26 juni 2025 stond het voertuig met het kenteken [kenteken] geparkeerd op een parkeerplaats aan de [adres] in [plaats] . Deze parkeerplaats is aangewezen als plaats waar tegen betaling geparkeerd mag worden. De parkeercontroleur heeft op 26 juni 2025 omstreeks 15:57 uur geconstateerd dat het voertuig geparkeerd stond, terwijl er niet of niet voldoende parkeergeld was betaald. Vervolgens is naheffingsaanslag II opgelegd. 4. Op 30 juni 2025 stond het voertuig met het kenteken [kenteken] geparkeerd op een parkeerplaats aan de [adres] in [plaats] . Deze parkeerplaats is aangewezen als plaats waar tegen betaling geparkeerd mag worden. De parkeercontroleur heeft op 30 juni 2025 omstreeks 09:38 uur geconstateerd dat het voertuig geparkeerd stond, terwijl er niet of niet voldoende parkeergeld was betaald. Vervolgens is naheffingsaanslag III opgelegd. Beoordeling door de rechtbank 5. In beroep is het aan de heffingsambtenaar om aannemelijk te maken dat de naheffingsaanslagen terecht zijn opgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank is de heffingsambtenaar hierin geslaagd. Dit betekent dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Standpunten van partijen 6. Eiser voert aan dat hij geen aanwijzingen zag in de straat dat er betaald zou moeten worden voor het parkeren. Hij heeft nog tweemaal aan passanten gevraagd of zijn bevinding (gratis parkeren) juist was en de passanten deelden zijn bevinding. Er is niet afdoende kenbaar gemaakt dat sprake is van betaald parkeren. Subsidiair verzoekt eiser om twee van de drie boetes te vernietigen nu het gaat om een en dezelfde (onbedoelde) overtreding van een weggebruiker van goed gedrag. Eiser merkt op dat de auto ongeveer een week op de parkeerplek heeft gestaan omdat hij per vliegtuig op familiebezoek was. Hij is in de tussentijd niet op de hoogte gesteld van de vermeende overtreding en heeft dus nooit de kans heeft gehad om de vermeende overtreding te verkorten. 7. De heffingsambtenaar wijst erop dat op de parkeerlocatie aan de [adres] door middel van bebording gewezen wordt op de betaalplicht. Er staan borden bij de enige twee toegangswegen van het gebied en ook op enkele meters afstand van de door eiser gekozen parkeerplek staat een bord dat verwijst naar de dichtstbijzijnde betaalautomaat. Dat willekeurige voorbijgangers bevestigd hebben dat geen sprake is van betaald parkeren moet geheel voor risico van eiser blijven: de gemeente Eindhoven kan niet verantwoordelijk gehouden worden voor foutieve informatie die verstrekt wordt door willekeurige voorbijgangers. Daarnaast vangt het belastingtijdvak dagelijks aan en eindigt het dagelijks. Dat betekent dat voor iedere dag afzonderlijk parkeerbelasting voldaan dient te worden. Zijn de naheffingsaanslagen terecht opgelegd? 8. Tussen partijen is niet in geschil dat de auto van eiser met kenteken [kenteken] op 25 juni 2025 omstreeks 13:08 uur, op 26 juni 2025 omstreeks 15:57 uur en op 30 juni 2025 om 09:38 uur geparkeerd stond in de [adres] in [plaats] en dat voor het parkeren geen parkeerbelasting was betaald. De [adres] in [plaats] is op grond van de Verordening op de heffing en de invordering van parkeerbelastingen 2025 en het daarop gebaseerde Aanwijsbesluit en uitwerkingsbesluit parkeren april 2025 aangewezen als plaats waar tegen betaling van parkeerbelasting kan worden geparkeerd. Eiser was daarom verplicht om op de hiervoor genoemde data parkeerbelasting te voldoen. 9. Partijen verschillen van mening of het voldoende duidelijk was dat er parkeerbelasting moest worden betaald. Het bestaan van de verplichting om parkeerbelasting voor een locatie te voldoen kan blijken uit de aanwezigheid van parkeerautomaten bij of in de nabijheid van de parkeerplaats, maar ook uit borden of andere aanwijzingen bij of in de directe omgeving van de parkeerplaats. De rechtbank overweegt dat van een parkeerder mag worden verwacht dat hij, voordat hij parkeert, redelijke inspanningen pleegt om zich op de hoogte te stellen van de plaatselijke parkeervoorschriften. Hier staat tegenover dat de heffingsambtenaar de verplichting om parkeerbelasting te betalen zodanig kenbaar moet maken, dat redelijkerwijs geen misverstand kan bestaan omtrent de verschuldigdheid daarvan. 9.1. De rechtbank oordeelt dat de heffingsambtenaar voldoende kenbaar heeft gemaakt dat er parkeerbelasting betaald dient te worden voor het parkeren aan de [adres] . Zo heeft de heffingsambtenaar onbestreden gesteld dat – ongeacht via welke route eiser de parkeerplaats heeft bereikt – hij zoneborden is gepasseerd waaruit voor hem duidelijk moest zijn dat ter plaatse parkeerbelasting is verschuldigd. Ook heeft de heffingsambtenaar diverse foto’s aan het dossier toegevoegd. Op die foto’s zijn de genoemde zoneborden te zien. Ook is op de foto’s te zien dat op enkele meters afstand van de (in overweging 8. genoemde) parkeerplek een bord staat dat verwijst naar de dichtstbijzijnde parkeerautomaat. Gelet hierop was het voor eiser voldoende duidelijk dat hij parkeerbelasting verschuldigd was. Dat eiser volgens twee voorbijgangers geen parkeerbelasting hoefde te betalen, kan niet tot een andere uitkomst leiden.
Volledig
De heffingsambtenaar wijst er namelijk terecht op dat hij niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor wat willekeurige voorbijgangers zeggen. De rechtbank concludeert dan ook dat eiser had kunnen weten dat er parkeerbelasting betaald moest worden. De grond slaagt niet. 10. De rechtbank oordeelt verder dat het wettelijk is toegestaan dat aan een parkeerder meerdere naheffingsaanslagen over meerdere dagen worden opgelegd voor ononderbroken parkeren op dezelfde locatie. Dit staat in artikel 234, vijfde lid, Gemeentewet. Daarin staat: ‘Ter zake van het opleggen van een naheffingsaanslag worden kosten in rekening gebracht. Deze kosten maken onderdeel uit van de naheffingsaanslag en worden afzonderlijk op het aanslagbiljet vermeld. Ten aanzien van hetzelfde voertuig worden per aaneengesloten periode de kosten niet vaker dan eenmaal per kalenderdag in rekening gebracht.’ De heffingsambtenaar mag dus voor iedere kalenderdag dat geconstateerd wordt dat er ten onrechte geen parkeerbelasting betaald is een naheffingsaanslag opleggen. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet. 11. Eiser wijst er nog op dat hij geen mogelijkheid heeft gekregen om de duur van de vermeende overtreding te verkorten. De rechtbank begrijpt dat eiser hiermee verzoekt om vanwege zijn persoonlijke omstandigheden de naheffingsaanslagen te matigen of op nihil te stellen. De rechtbank kan dat verzoek begrijpen, omdat bij het opleggen van een boete rekening kan worden gehouden met persoonlijke omstandigheden. Maar hoewel de naheffingsaanslag parkeerbelasting door veel mensen als een boete wordt ervaren, is die dat juridisch gezien niet en kan die daar ook niet mee worden gelijkgesteld. Als – zoals in dit geval – is komen vast te staan dat eiser ten onrechte geen parkeergeld heeft betaald, dan is dat juridisch voldoende om de naheffingsaanslag parkeerbelasting op te leggen. De wet biedt de rechter geen ruimte om vanwege persoonlijke omstandigheden de naheffingsaanslag te matigen of op nihil te stellen. Dat is slechts anders als sprake is van een uitzonderlijke geval waarin eiser niet in redelijkheid de gelegenheid heeft gehad om de verschuldigde parkeerbelasting te voldoen. Van zo’n geval is niet gebleken. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om de naheffingsaanslagen te matigen. 12. Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat de naheffingsaanslagen terecht zijn opgelegd. Conclusie en gevolgen 13. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt het griffierecht niet terug. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F. Vink, rechter, in aanwezigheid van mr. P. van Berkel, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 3 april 2026. griffier rechter Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘sHertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘sHertogenbosch, Postbus 70583, 5201 CZ ‘sHertogenbosch. Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Gerechtshof Amsterdam 14 juli 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:3001, overweging .4.7. De uitspraak is terug te vinden op rechtspraak.nl onder het ECLI-nummer. Gerechtshof Leeuwarden 19 maart 2004, ECLI:NL:GHLEE:2004:AO6222, overweging 4.4. Hoge Raad 22 november 1995, ECLI:NL:HR:1995:AA3126, overweging 3.2. Gerechtshof Amsterdam 19 december 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:3628, r.o. 5.11. Hoge Raad 25 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1535 overweging 5.1.1. tot en met 5.1.3. Hoge Raad 25 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1535 overweging 5.2.1. Hoge Raad 25 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1535 overweging 5.4.4. en overweging 5.6.2. tot en met 5.6.5. Hoge Raad 25 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1535 overweging 5.4.1. tot en met 5.4.3.