Rechtspraak Rechtbank Oost-Brabant 2026-04-02
ECLI:NL:RBOBR:2026:2012
RECHTBANK OOST-BRABANT Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Eindhoven Zaaknummers: - 11410234 CV EXPL 24-8291 - 11410229 CV EXPL 24-8290 - 11410221 CV EXPL 24-8289 - 11410185 CV EXPL 24-8285 - 11410177 CV EXPL 24-8284 - 11410171 CV EXPL 24-8282 - 11410165 CV EXPL 24-8281 Uitspraakdatum: 2 april 2026 Vonnis in de zaken van: GEMEENTE EINDHOVEN , te Eindhoven, eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie, hierna genoemd: “de gemeente”, gemachtigde: mr. J.W.M. Hagelaars, tegen 11410234 CV EXPL 24-8291 : [gedaagde in 11410234 CV EXPL 24-8291] , te [plaats] , gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie, hierna afzonderlijk genoemd: “ [gedaagde in 11410234 CV EXPL 24-8291] ”, gemachtigde: mr. M.J.A. van de Laar, 11410229 CV EXPL 24-8290 : [gedaagde in 11410229 CV EXPL 24-8290] , te [plaats] , gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie, hierna afzonderlijk genoemd: “ [gedaagde in 11410229 CV EXPL 24-8290] ”, gemachtigde: mr. M.J.A. van de Laar, 11410221 CV EXPL 24-8289 : [gedaagde in 11410221 CV EXPL 24-8289] te [plaats] , gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie, hierna afzonderlijk genoemd: “ [gedaagde in 11410221 CV EXPL 24-8289] ”, gemachtigde: mr. M.J.A. van de Laar, 11410185 CV EXPL 24-8285 : [gedaagde in 11410185 CV EXPL 24-8285] te [plaats] , gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie, hierna afzonderlijk genoemd: “ [gedaagde in 11410185 CV EXPL 24-8285] ”, gemachtigde: mr. M.J.A. van de Laar, 11410177 CV EXPL 24-8284 : [gedaagde in 1141017 CV EXPL 24-8284] te [plaats] , gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie, hierna afzonderlijk genoemd: “ [gedaagde in 1141017 CV EXPL 24-8284] ”, gemachtigde: mr. M.J.A. van de Laar, 11410171 CV EXPL 24-8282 : [gedaagde in 11410171 CV EXPL 24-8282] te [plaats] , gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie, hierna afzonderlijk genoemd: “ [gedaagde in 11410171 CV EXPL 24-8282] ”, gemachtigde: mr. M.J.A. van de Laar, 11410165 CV EXPL 24-8281 : [gedaagde in 11410165 CV EXPL 24-8281] te [plaats] , gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie, hierna afzonderlijk genoemd: “ [gedaagde in 11410165 CV EXPL 24-8281] ”, gemachtigde: mr. M.J.A. van de Laar, Alle hierboven genoemde gedaagde partijen in conventie en eisende partijen in reconventie, worden in dit vonnis tezamen genoemd: “de woonbootbewoners”. 1 Waar gaan deze zaken over? 1.1. De gemeente Eindhoven (hierna: de gemeente) is eigenaar van het Afwaterings-kanaal in Eindhoven , dat een uitloper is van het Beatrixkanaal. Aan weerszijden van het Afwateringskanaal ligt industrieterrein "De Hurk". Op het industrieterrein voorziet het (onherroepelijke) omgevingsplan in de mogelijkheid van de vestiging van zware industrie, dat wil zeggen bedrijven die vallen in categorie 5.2. Direct langs het Afwateringskanaal zijn bedrijven toegestaan in categorie 4.2., waarvoor een richtafstand geldt van normaliter 300 meter tot gevoelige bestemmingen zoals woningen en woonboten. 1.2. In het Afwateringskanaal liggen 10 woonboten op ligplaatsen die van de gemeente werden gehuurd. De gemeente wil De Hurk behouden als industrieterrein. Het is het enige industrieterrein in Eindhoven waar zware industrie is toegestaan. Om te voorkomen dat bedrijven op het industrieterrein met beperkingen te maken zouden krijgen en om een goed woon- en leefklimaat voor haar inwoners te borgen, heeft de gemeenteraad van Eindhoven een bestemmingsplan vastgesteld op grond waarvan de woonboten planologisch gezien niet meer zijn toegestaan. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft het beroep van de woonbootbewoners tegen dit bestemmingsplan ongegrond verklaard. 1.3. In de loop van de jaren zijn veel gesprekken gevoerd, maar de gemeente en de woonbootbewoners kwamen niet dichter bij elkaar. De woonbootbewoners willen hun ligplaatsen behouden, maar de gemeente wilde de ligplaatsen beëindigen. Daarnaast is ook gesproken over een financiële 50,- per maand; een niet bekende datum in 1992 een huurovereenkomst gesloten met [gedaagde in 11410165 CV EXPL 24-8281] , op grond waarvan [gedaagde in 11410165 CV EXPL 24-8281] een ligplaats voor een woonboot huurt met het adres [adres 7] te [plaats] . De aanvangshuurprijs was fl. 50,- per maand. De huurovereenkomsten zijn aangegaan voor onbepaalde tijd, met een opzegtermijn van zes maanden. In de overeenkomsten is bepaald dat, indien de gemeente besluit tot beëindiging van de huurovereenkomst, de huurders geen recht hebben op schadevergoeding of het ter beschikking stellen van een andere ligplaats. 3.2. Aanvankelijk waren de woonboten planologisch niet geregeld. Het bestemmingsplan "De Hurk" uit 1988 kende aan het perceel de bestemming "Overwegend industrie" toe. Vanaf 2012 is de gemeente doende geweest om een bestemmingsplan op te stellen op grond waarvan de woonboten zouden moeten verdwijnen. In januari 2013 is een voorontwerp-bestemmingsplan gepubliceerd dat daarin voorziet. Wonen op De Hurk vond de gemeenteraad om twee redenen onwenselijk. In de eerste plaats is er geen sprake van een goed en veilig woonmilieu en in de tweede plaats heeft het toestaan van wonen consequenties voor de bedrijfsvoering van bestaande en nieuwe bedrijven op De Hurk. Uiteindelijk heeft de gemeenteraad op 19 december 2017 een bestemmingsplan vastgesteld dat (net als het voorafgaande plan De Hurk 1988) niet voorzag in een positieve bestemming van de woonboten. Daarbij ging de gemeenteraad ervan uit dat de woonboten niet legaal aanwezig waren, aangezien ze in het voorafgaande bestemmingsplan ook niet positief waren bestemd. 3.3. Op 1 januari 2018 is de Wet verduidelijking voorschriften woonboten (Wvvw) in werking getreden. Onderdeel van die wet was het toevoegen van artikel 8.2a aan de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), waarin woonboten per 1 januari 2018 gelijkgesteld worden met een bouwwerk, waarvoor in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning was verleend. 3.4. Bij uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 26 februari 2020 is het beroep tegen voornoemd bestemmingsplan van een aantal van de woonbootbewoners gegrond verklaard. De Afdeling oordeelde dat de gemeenteraad rekening had moeten houden met de inwerkingtreding van de Wvvw per 1 januari 2018. De gemeenteraad moest gelet hierop een nieuwe afweging maken, waarin betrokken werd dat de woonboten legaal aanwezig waren. De nieuwe afweging leidde voor de woonbootbewoners niet tot een beter resultaat. Bij besluit van de gemeenteraad is op 22 juni 2021 het bestemmingsplan "II Bedrijventerrein De Hurk-Croy (reparatie)" vastgesteld. In dit bestemmingsplan is ter plaatse van de woonboten de bestemming "water" aan gronden toegekend. Daarbij hoort de volgende bestemmingsomschrijving: “ 6.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Water' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. oppervlaktewateren, zoals sloten, greppels, (infiltratie)vijvers, kanalen, beken en andere waterlopen, ook als deze incidenteel of structureel droogvallen; (...) 6.3 Specifieke gebruiksregels Tot een gebruik strijdig met deze bestemming, zoals bedoeld in lid 6.1 wordt in ieder geval gerekend: a. het aanleggen van woonschepen ”. Op grond van dit bestemmingsplan zijn woonboten ter plaatse dus niet meer toegestaan. 3.5. Een aantal woonbootbewoners is wederom een procedure gestart bij de Afdeling. Bij uitspraak van 31 mei 2023 heeft de Afdeling het beroep van de bewoners ongegrond verklaard . De Afdeling overwoog onder meer: “ 3.3. (...) De raad heeft, samengevat weergegeven, onderzocht op welke wijze de gronden die door de woonboten worden gebruikt zouden kunnen worden bestemd en de raad heeft daarbij gekeken naar de vraag of ter plaatse van de woonboten een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Gelet op het "Onderzoek woon- en leefklimaat Woonschepen Afwateringskanaal Eindhoven " van adviesbureau [B] van 16 december 2020, dat in opdracht van de raa Scenario 3+ houdt het volgende in: - De gemeente is bereid de woonboten van de bewoners te kopen tegen de vrije verkoopwaarde van de woonboot, waarbij de fictie wordt gehanteerd dat elders een ligplaats beschikbaar is. Deze fictie is nodig omdat een boot zonder ligplaats veelal geen waarde heeft. De gemeente betaalt minimaal € 20.000,- per boot; Als alternatief is de gemeente bereid om de verplaatsingskosten van een woonboot binnen een straal van 100 kilometer om Eindhoven te betalen, waarbij de vergoeding niet hoger kan zijn dan de waarde van de boot; De gemeente neemt de kosten voor haar rekening van het in de oorspronkelijke staat terugbrengen van de kade; De gemeente is bereid om de bewoners voortgezet gebruik van de ligplaatsen aan te bieden tot 1 juli 2028, om de bewoners voldoende tijd te geven alternatieve woonruimte of een alternatieve ligplaats te zoeken; De gemeente biedt desgewenst op individuele basis hulp bij het zoeken van alternatieve woonruimte. De woonbootbewoners zijn niet akkoord gegaan met dit voorstel. De gemeente heeft nog geprobeerd door de inzet van een onafhankelijke intermediair tot een oplossing te komen, maar dat heeft niet tot een oplossing geleid. 3.8. Nadat gesprekken over het Scenario 3+ niet tot een regeling hebben geleid, heeft de gemeente op 14 december 2023 de huurovereenkomsten met de bewoners opgezegd per 1 juli 2024. Daarbij heeft de gemeente de ontruiming aangezegd per 1 juli 2028. Vanaf 1 januari 2024 mogen de woonbootbewoners de ligplaats ‘om niet’ (gratis) blijven gebruiken, zodat zij voldoende tijd hebben om alternatieve woonruimte of een alternatieve ligplaats te zoeken. In de opzeggingsbrief heeft de gemeente haar aanbod conform Scenario 3+ gestand gedaan. 3.9. De woonbootbewoners hebben een advocaat (mr. Van de Laar) ingeschakeld. Namens hen heeft hun advocaat de gemeente bij brieven van 26 februari 2024 laten weten dat zij niet met de huuropzegging instemmen. Onder meer schrijft hij dat de wijziging van het bestemmingsplan misbruik is van recht en dat de huuropzegging in strijd is met de redelijkheid en billijkheid. Bij brief van 4 april 2024 heeft de advocaat in aanvulling op de eerdere brief geschreven dat de woonbootbewoners grote schade lijden indien de ligplaatsen ontruimd moeten worden en dat de gemeente in dat geval moet zorgen voor alternatieve ligplaatsen. Verder schrijft hij dat de gemeente ‘zou zijn omgegaan’ en geen zware industrie meer op De Hurk zou willen toestaan. De gemeente wordt in deze brief gesommeerd om de huuropzegging in te trekken. Bij brief van 26 april 2024 heeft de advocaat van de gemeente op de brieven van de advocaat van de woonbootbewoners gereageerd. 3.10. Voor zover relevant zal later in de beoordeling nader op de stellingen van partijen worden ingegaan. 4 Het geschil In conventie: 4.1. De gemeente vordert dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: Primair A. voor recht verklaart dat de huurovereenkomsten tussen de gemeente en de woonbootbewoners is geëindigd per 1 juli 2024; B. de woonbootbewoners veroordeelt hun ligplaatsen aan de [straatnaam] te [plaats] uiterlijk per 1 juli 2028 te ontruimen met ‘al het zijne en de zijnen’ op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag dat de ligplaatsen niet zijn ontruimd, met een maximum van € 50.000,-, althans een in goede justitie te bepalen dwangsom; Subsidiair C. het tijdstip vaststelt waarop de huurovereenkomsten eindigen; een en ander met veroordeling van de woonbootbewoners in de kosten van de procedures. 4.2. Hoewel de discussie tussen partijen zich daarop heeft geconcentreerd, legt de gemeente geen vorderingen aan de kantonrechter voor met betrekking tot de compensatie die zij aan de woonbootbewoners verschuldigd zou zijn. De reden daarvoor is dat de gemeente van oordeel is dat zij niet verplicht is enige vergoeding te voldoen aan de woonbootbewoners, hoewel zij (onverplicht) wel bereid is om alsnog het aangeboden scenario 3+ gestand te doen. Indien de woonbootbewoners menen dat zi Er was en is geen "must" om de woonbootbewoners "weg" te bestemmen, omdat noch de milieueisen noch de uitbreiding van de bedrijven zulks eisten. Verder wijzen de woonbootbewoners erop dat de feitelijke situatie sedert de uitspraak van de Afdeling van 31 mei 2023 inmiddels danig is gewijzigd. Omdat ASML en Brainport enorm uitbreiden, probeert de gemeente sinds 2024 om zware industrie weer terug te dringen op De Hurk. Hier heeft de Afdeling in haar beslissing geen rekening mee gehouden. 4.3.3. De woonbootbewoners wijzen er tevens op dat bij de beoordeling van de opzegging ook artikel 8 EVRM speelt. Het familie- en privéleven zal worden aangetast als de huur wordt beëindigd. Families zullen uiteenvallen en de bootbewoners zullen ook niet meer vrij en rustig kunnen leven. Waterwonen is een immaterieel erfgoed, wat voor de woonbootbewoners niet verloren mag gaan. De woonbootbewoners hebben een zeer groot woon- en financieel belang bij de voortzetting van de huurovereenkomst met betrekking tot de onderhavige ligplaats. De gemeente heeft nauwelijks of geen belang. Daarom vordert zij ook pas ontruiming in 2028. De gemeente wil slechts naleving van het bestemmingsplan. De gemeente biedt ook geen enkel redelijk alternatief, dat wil zeggen een andere ligplaats voor de boot in Eindhoven , andere passende huisvesting in Eindhoven of een vergoeding waardoor de woonbootbewoners in staat zouden zijn om elders een woning te kopen. Het aangeboden Scenario 3+ is voor de woonbootbewoners veel te mager. Zij wensen volledige schadeloosstelling met als uitgangspunt een financiële compensatie in die zin dat hun vermogenspositie hetzelfde dient te blijven en huurkosten worden vergoed. In reconventie (voorwaardelijk): 4.4. De woonbootbewoners verzoeken in reconventie, al dan niet voorwaardelijk, dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: - het bepaalde in artikel 3 van de huurovereenkomst vernietigt, waarin is bepaald dat de woonbootbewoners geen recht kunnen doen gelden op schadevergoeding in welke vorm dan ook bij de beëindiging van hun huurovereenkomst, en - voor recht verklaart dat de gemeente bij de toewijzing van de conventionele vorderingen aan de woonbootbewoners op grond van artikel 4:126 e.v. Awb een volledige schadeloosstelling moet voldoen en/of althans een schadeloosstelling op grond van artikel 7:281 BW en dat de gemeente voorts de verhuis- en inrichtingskosten op grond van artikel 7:281 BW moeten voldoen, en - bepaalt dat de schade en kosten bij staat worden vastgesteld en worden vereffend volgens de wet, en - de gemeente veroordeelt in de proceskosten. 4.5. De woonbootbewoners voeren daartoe aan dat de bepaling in artikel 3 van hun huurcontract, waarin is bepaald dat zij geen recht kunnen doen gelden op schadevergoeding in welke vorm ook bij de beëindiging van de huurovereenkomst, tot stand is gekomen door misbruik te maken van omstandigheden in de zin van artikel 3:44 BW. Immers, de woonbootbewoners moesten de bepaling bij het aangaan van het huurcontract accepteren, omdat de gemeente anders niet bereid was de huurovereenkomst aan te gaan, zodat er bijzondere omstandigheden waren. De bepaling is onredelijk bezwarend, omdat deze eenzijdig door de gemeente in haar voordeel is opgesteld. Voormelde bepaling dient dan ook te worden vernietigd. Voor zover de vorderingen van de gemeente zouden worden toegewezen, wensen de woonbootbewoners in aanmerking te komen voor een volledige schadeloosstelling, of althans een schadeloosstelling, in de zin van artikel 7:281 BW. Dit artikel geeft de woonbootbewoners een recht op schadeloosstelling in de zin van volledige vergoeding van alle schade die zij hebben geleden ten gevolge van de ontbinding van hun huurovereenkomst ter verwezenlijking van het bestemminsplan, wat de gemeente heeft laten wijzigen. De woonbootbewoners doen een beroep op artikel 4:126 - 4:131 Awb, dat een nadeelcompensatie voorschrijft en wensen voorts in aanmerking te komen voor de verhuis- en inri Dit betekent dat de huurovereenkomsten in beginsel zonder reden opgezegd kunnen worden en dat een voldoende zwaarwegende grond door de gemeente dus niet aangevoerd hoeft te worden. Redelijkheid en billijkheid 5.7. De woonbootbewoners doen een beroep doet op artikel 6:248 lid 2 BW in die zin dat zij van mening zijn dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid maatschappelijk onaanvaardbaar is dat de gemeente de huurovereenkomst heeft opgezegd. Inzet van het eigendomsrecht 5.7.1. Daarbij voeren de woonbootbewoners allereerst aan dat de gemeente twee petten op heeft, een privaatrechtelijke en een publiekrechtelijke pet, en willens en wetens een situatie heeft gecreëerd dat zij tegen de woonbootbewoners zou kunnen zeggen dat de huur zal moeten worden beëindigd vanwege het thans geldende bestemmingsplan. Immers, de gemeente heeft de ligplaats destijds met de privaatrechtelijke pet op verhuurd in strijd met het alstoen vigerende bestemmingsplan en heeft nadien 12 jaar lang met de publiekrechtelijke pet op getracht middels wijziging in het bestemmingsplan, of althans een gewijzigd bestemmingsplan, de woonboten met ligplaats weg te bestemmen. De gemeente stelt zich in dit verband op het standpunt dat haar handelswijze niet afdoet aan haar privaatrechtelijke bevoegdheid om de huur op te zeggen nu het bestemmingsplan is gewijzigd. Zij verwijst daarbij naar het arrest van de Hoge Raad van 31 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:497, waarin de Hoge Raad onderschrijft dat het de gemeente in beginsel vrijstaat zich te beroepen op haar eigendomsrecht en de daaraan verbonden rechten uit te oefenen. De kantonrechter volgt hierin het standpunt van de gemeente. Daarbij overweegt zij het volgende. 5.7.2. Het arrest Staat/Windmill (HR 26 januari 1990, NJ 1991/393) neemt tot uitgangspunt dat de overheid, hier dus de gemeente, ingeval haar in een publiekrechtelijke regeling ter behartiging van zekere belangen bepaalde bevoegdheden zijn toegekend, die belangen ook mag behartigen door gebruik te maken van haar in beginsel krachtens het privaatrecht toekomende bevoegdheden, zoals aan het eigendomsrecht ontleende bevoegdheden, mits de betrokken publiekrechtelijke regeling niet onaanvaardbaar wordt doorkruist. Van een onaanvaardbare doorkruising van een publiekrechtelijke regeling is in dit geval geen sprake en dat is door de woonbootbewoners ook niet gesteld. De gemeente mag haar eigenaarsbevoegdheden inzetten om publieke belangen te behartigen. Concreet betekent dit, dat op grond van het overgangsrecht bestaand, maar met het gewijzigde bestemmingsplan strijdig gebruik, mag worden voortgezet , maar zo’n overgangsregeling vrijwaart de woonbootbewoners slechts tijdelijk voor de gevolgen van de bestemmingswijziging en strekt er niet toe de privaatrechtelijke bevoegdheid van de gemeente om de huurovereenkomst van de ligplaats op te zeggen, uit te sluiten. 5.7.3. Een beroep op artikel 6:248 lid 2 BW in de zin dat de woonbootbewoners van mening zijn dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de gemeente haar eigenaarsbevoegdheden inzet, doordat zij de huurovereenkomst van de ligplaats opzegt, zal niet eenvoudig slagen en de kantonrechter oordeelt ook in deze concrete situatie dat het woon- en financiële belang van de woonbootbewoners niet maakt dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de gemeente de huurovereenkomst van de ligplaats heeft opgezegd. Daarbij overweegt de kantonrechter het volgende. De gemeente is eigenaar van de ligplaats en eigendom is een sterk recht dat niet makkelijk beperkt kan en mag worden. Ook heeft de gemeente gemotiveerde en onderbouwde gronden voor de opzegging aangevoerd. De gemeente heeft in de inleidende dagvaarding (in randnummer 39 en verder) toegelicht dat zij een zwaarwegend belang heeft voor opzegging, waarbij zij verwijst naar het rapport van [B] van 16 december 2020 , waarin is geconcludeerd dat er geen sprake is van een goed woon- en leefklimaat voor Tegenover de belangen van de woonbootbewoners staat het belang van de gemeente om het onherroepelijke bestemmingsplan uit te voeren en ruimte te houden voor industrie in hogere milieucategorieën. Misbruik overgangsbepaling? 5.7.6. Verder voeren de woonbootbewoners aan dat de gemeente misbruik heeft gemaakt van de overgangsbepaling van artikel 208ec Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek, door kort voor de inwerkingtreding van de wet op 1 juli 2024, de huurovereenkomsten van de ligplaatsen op te zeggen. De kantonrechter volgt ook hierin het standpunt van de woonbootbewoners niet. Immers, het overgangsrecht voorzag expliciet in een ruime mogelijkheid voor verhuurders van ligplaatsen om de huurovereenkomsten tot 1 juli 2024 conform het oude recht op te zeggen. In tegenstelling tot hetgeen de woonbootbewoners betogen, heeft de gemeente dus ge bruik (en geen mis bruik) gemaakt van haar bevoegdheid om nog vóór 1 juli 2024 de huurovereenkomsten op te zeggen. Het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwaarden van 16 december 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:8428, waarnaar de woonbootbewoners tijdens de mondelinge behandeling hebben verwezen en waarin is bepaald dat in dat geval niet van het overgangsrecht kon worden uitgegaan, vindt de kantonrechter niet vergelijkbaar met de situatie van de woonbootbewoners, want in dat geval was de huurovereenkomst (aangegaan voor bepaalde tijd, namelijk tot 14 januari 2030) tussentijds door de verhuurder opgezegd tegen een datum die is gelegen voor het moment dat de Wet verbeteren huurbescherming voor huurders van ligplaatsen van toepassing werd, terwijl de huurovereenkomst geen ruimte bood voor tussentijdse opzeging. De huurovereenkomsten van de woonbootbewoners bieden daarvoor echter wèl de ruimte en de gemeente heeft de overgangsperiode, die gebruikt kan worden om de huurovereenkomst op te zeggen, eenvoudigweg benut. Vorenstaande betekent dat de gemeente géén misbruik heeft gemaakt van de overgangsbepaling van artikel 208ec Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek en dat de woonbootbewoners daarom ook géén beroep kunnen doen op de beschermingsbepalingen die huurders van woningen hebben (artikel 7:271 e.v. BW). Algemene beginselen van behoorlijk bestuur 5.8. De woonbootbewoners zijn van mening dat de gemeente met de vordering zoals zij die nu aan de kantonrechter voorlegt, handelt in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De kantonrechter oordeelt echter dat de gemeente niet handelt in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Daarbij overweegt hij het volgende. 5.8.1. Zoals hiervoor reeds overwogen, was de huuropzegging van de ligplaats van de woonbootbewoners toegestaan. Op grond van wet- of regelgeving hoeft de opzegging in beginsel ook niet gepaard te gaan met het aanbieden van een uitkoopregeling. De stelling van de woonbootbewoners dat de gemeente misbruik heeft gemaakt van haar machtspositie, de woonbootbewoners niet serieus heft genomen en onvoldoende rekening heeft gehouden met hun belangen, wordt door de kantonrechter verworpen. Bij uitspraak van 31 mei 2023 heeft de Afdeling hierover namelijk het volgende overwogen: “3.4. (…) De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat de raad bij de vaststelling van het plan onvoldoende rekening heeft gehouden met de belangen van de woonbootbewoners. Daartoe overweegt de Afdeling dat de raad in het Commissie advies van 30 maart 2021, dat deel uitmaakt van de bijlagen van de plantoelichting, heeft aangegeven de beëindiging van de woonsituatie te willen combineren met een (ruimhartige) uitkoopregeling voor de woonbootbewoners. Bij het besluit tot vaststelling van het reparatieplan heeft de raad in een separaat besluit neergelegd dat er een uitkoopregeling moet komen, in samenspraak met de bewoners. Anders dan [appellant sub 1] stelt, is de raad dus niet voorbijgegaan aan de financiële belangen van de woonbootbewoners, want naast dat is besloten om de ligplaatsen onder het algemeen overgangsrecht te brengen is er ook besloten om Verder is artikel 3 van de huurovereenkomst een specifiek tussen de gemeente en de woonbootbewoners overeengekomen bepaling en géén algemene voorwaarde, die als onredelijk bezwarend kan worden aangemerkt. De vordering van de woonbootbewoners die ziet op vernietiging van artikel 3 van de huurovereenkomst, wordt daarom afgewezen. 5.14. De gevorderde verklaring voor recht dat de gemeente bij de toewijzing van de conventionele vorderingen aan de woonbootbewoners, op grond van artikel 4:126 e.v. Awb een volledige schadeloosstelling moet betalen en/of althans een schadeloosstelling op grond van artikel 7:281 BW en dat de gemeente voorts de verhuis- en inrichtingskosten op grond van artikel 7:281 BW moeten voldoen, ligt eveneens voor afwijzing gereed, omdat de genoemde artikelen geen grondslag voor de woonbootbewoners bieden op enige schadeloosstelling. Artikel 4:126 e.v. Awb ziet op nadeelcompensatie. Daarvan kan sprake zijn indien de gemeente een publiekrechtelijke bevoegdheid uitoefent waardoor schade wordt veroorzaakt. In het onderhavige geval maakt de gemeente geen gebruik van een publiekrechtelijke bevoegdheid, maar van een privaatrechtelijke bevoegdheid. Daarmee is artikel 4:126 Awb niet van toepassing. Artikel 7:281 BW ziet op de verhuur van woonruimte, waar in dit geval geen sprake van is. De woonbootbewoners kunnen daarom géén beroep doen op de beschermingsbepalingen die huurders van woningen hebben (artikel 7:271 e.v. BW). Los daarvan verdient opmerking dat de op grond van artikel 7:281 te vorderen verhuis- en inrichtingskosten veel lager zijn dan de vergoeding die de gemeente conform Scenario 3+ heeft aangeboden en waarvan zij nog steeds onvoorwaardelijk bereid is om dit aanbod gestand te doen bij huurbeëindiging in onderling overleg met de woonbootbewoners. 5.15. Hetgeen verder nog door partijen is aangevoerd in reconventie, kan tot geen ander oordeel leiden en behoeft daarom geen (nadere) bespreking. In conventie en in voorwaardelijke reconventie Proceskostenveroordeling 5.16. De woonbootbewoners zijn in het ongelijk gesteld en worden daarom in de proceskosten (inclusief nakosten) veroordeeld. De proceskosten van de gemeente worden per woonbootbewoner begroot op: - kosten van de dagvaarding € 135,97 - griffierecht € 130,00 - salaris gemachtigde € 542,50 (2,5 punten × € 217,00) Totaal € 808,47 5.17. Aan de conclusie van antwoord in reconventie wordt een half punt aan gemachtigdensalaris toegekend, gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie. 6 De beslissing De kantonrechter beslist in de zaken van de woonbootbewoners, hierna afzonderlijk opgenomen per zaak- en rolnummer als volgt: 6.1. 11410234 11410234 CV EXPL 24-8291 (de gemeente tegen [gedaagde in 11410234 CV EXPL 24-8291] ): De kantonrechter: In conventie: 6.1.1. verklaart voor recht dat de huurovereenkomst tussen de gemeente en [gedaagde in 11410234 CV EXPL 24-8291] is geëindigd per 1 juli 2024, 6.1.2. veroordeelt [gedaagde in 11410234 CV EXPL 24-8291] om de ligplaats aan het adres [adres 1] te [plaats] uiterlijk per 1 juli 2028 te ontruimen met al het zijne en de zijnen op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag dat de ligplaats niet is ontruimd, met een maximum van € 50.000,-, In voorwaardelijke reconventie: 6.1.3. wijst de vorderingen van [gedaagde in 11410234 CV EXPL 24-8291] af, In conventie en in reconventie: 6.1.4. veroordeelt [gedaagde in 11410234 CV EXPL 24-8291] in de proceskosten van € 808,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, 6.1.5. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad. 6.2. 11410229 11410229 CV EXPL 24-8290 (de gemeente tegen [gedaagde in 11410229 CV EXPL 24-8290] ) De kantonrechter: In conventie: 6.2.1. verklaart voor recht dat de huurovereenkomst tussen de gemeente en [gedaagde in 11410229 CV EXPL 24-8290] is geëindigd per 1 juli 2024, 6.2.2. veroordeelt [gedaagde in 11410229 CV EXPL 24-8290] om de ligplaats aan het adres [adres 2] te [plaats] uiterlijk per 1 juli 2028 te ontruimen