Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant
2026-03-18
ECLI:NL:RBOBR:2026:1698
Civiel recht
Bodemzaak
3,126 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBOBR:2026:1698 text/xml public 2026-03-24T09:00:06 2026-03-13 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Oost-Brabant 2026-03-18 C/01/417245 / HA ZA 25-453 Uitspraak Bodemzaak Tussenuitspraak NL 's-Hertogenbosch Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:1698 text/html public 2026-03-14T10:34:33 2026-03-24 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBOBR:2026:1698 Rechtbank Oost-Brabant , 18-03-2026 / C/01/417245 / HA ZA 25-453 Schadestaatprocedure is aanhangig gemaakt bij andere rechtbank dan rechtbank die in het hoofdgeding vonnis heeft gewezen. Bij conclusie van antwoord is een incidentele exceptie van onbevoegdheid opgeworpen. Dit is tardief nu al eerder in de procedure een conclusie tot oproeping in vrijwaring is genomen waarin geen beroep op onbevoegdheid van de rechtbank is gedaan. Daarmee is bevoegdheid rechtbank aanvaard. RECHTBANK Oost-Brabant Civiel recht Zittingsplaats 's-Hertogenbosch Zaaknummer: C/01/417245 / HA ZA 25-453 Vonnis in incident van 18 maart 2026 in de zaak van TOKO HORST B.V. , te Horst, eisende partij in de hoofdzaak, verwerende partij in het incident, hierna te noemen: Toko Horst, advocaat: mr. K.J.T. Boersma, tegen 1 [gedaagde 1] B.V., te [vestigingsplaats] , gedaagde partij in de hoofdzaak, eisende partij in het incident, hierna te noemen: [gedaagde 1] , advocaat: mr. M.A.F. Evers, 2. [gedaagde 2] , te [woonplaats] , gedaagde partij in de hoofdzaak, eisende partij in het incident, hierna te noemen: [gedaagde 2] , advocaat: mr. W.M.J. Weijers. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het vonnis in incident van 5 november 2025, met de daarin genoemde stukken, de conclusie van antwoord tevens houdende exceptie van onbevoegdheid ex artikel 612 Rv van [gedaagde 1] , de conclusie van antwoord tevens houdende een exceptie van onbevoegdheid van [gedaagde 2] , de conclusie van antwoord in het incident houdende exceptie van onbevoegdheid, het vonnis in incident van 21 januari 2026, het e-mailbericht van de griffier van deze rechtbank van 19 februari 2026. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in de incidenten. 2 De beoordeling in de incidenten 2.1. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] doen afzonderlijk van elkaar in hun conclusies van antwoord een beroep op onbevoegdheid van de rechtbank. Zij onderbouwen dat allebei als volgt. In dit geval gaat het om een schadestaatprocedure. De schadestaatprocedure is te beschouwen als een voortzetting van het hoofdgeding. In artikel 613 lid 2 Rv is bepaald dat in een schadestaatprocedure de rechter bevoegd is die in eerste instantie over de hoofdzaak heeft geoordeeld. Dat betreft een exclusieve bevoegdheid. In dit geval is de rechtbank Gelderland de rechter die over de hoofdzaak heeft beslist. 2.2. Toko Horst voert verweer. Zij wijst erop dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] eerst een vrijwaringsincident hebben opgeworpen. Toko Horst voert onder meer aan dat zij zich daardoor niet meer kunnen beroepen op onbevoegdheid van de rechtbank, omdat zij door eerst een conclusie tot oproeping in vrijwaring te nemen de bevoegdheid van de rechtbank hebben aanvaard. 2.3. Het verweer van Toko Horst slaagt. 2.4. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 29 april 1994 overwogen dat de in artikel 128 lid 3 Rv bedoelde excepties verweermiddelen zijn die ertoe strekken dat de rechter aan wie het geschil is voorgelegd, op grond van regels van processuele aard niet tot een beoordeling van de rechtsbetrekking in geschil zelf kan komen. In het genoemde arrest was aan de orde een beroep op onbevoegdheid wegens een arbitraal beding. De Hoge Raad overwoog dat het beroep op onbevoegdheid moet worden gedaan in de eerste schriftelijke conclusie die gedaagde neemt. Dat kan dus ook in de conclusie van antwoord zijn. Niet valt in te zien dat dit niet ook van toepassing zou zijn wanneer op andere gronden dan een arbitraal beding een beroep op onbevoegdheid van de rechtbank wordt gedaan. 2.5. In dit geval is sprake van een exceptie in de hiervoor door de Hoge Raad bedoelde zin. Toepassing van artikel 613 lid 2 Rv zou betekenen dat deze rechtbank het geschil niet inhoudelijk beoordeelt omdat de zaak verwezen moet worden naar de rechtbank Gelderland. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben de exceptie opgeworpen tegelijk met de conclusie van antwoord, wat door de rechtbank is aangemerkt als een vordering in incident. Hoewel met betrekking tot de bevoegdheidsexceptie dus naar de letter is voldaan aan artikel 128 lid 3 Rv, is de exceptie echter niet opgeworpen in de eerste schriftelijke conclusie die [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben genomen. Zij hebben eerst een vrijwaringsincident opgeworpen. In het kader van de beoordeling van dat incident is vereist dat de rechter inhoudelijk kennis neemt van het geschil tussen partijen. Het gaat dan niet aan om nadat daarop bij vonnis is beslist, alsnog de bevoegdheid van de rechtbank ter discussie te stellen. Dat is een gepasseerd station. De rechtbank is het met Toko Horst eens dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] impliciet de bevoegdheid van de rechtbank hebben aanvaard. 2.6. De conclusie is dat het beroep op de bevoegdheidsexceptie wordt verworpen. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zullen als de in het ongelijk gestelde partijen in de proceskosten van de incidenten (inclusief nakosten) worden veroordeeld. Deze worden aan de zijde van Toko Horst begroot op: - salaris advocaat € 653,00 (1,00 punt × € 653,00) - nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 842,00 3 De beslissing De rechtbank in het incident 3.1. wijst de incidentele vorderingen van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] af, 3.2. veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in de kosten van de incidenten, aan de zijde van Toko Horst tot op heden begroot op € 842,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet tijdig aan de veroordeling voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, in de hoofdzaak 3.3. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 1 april 2026 voor beraad rolrechter omtrent het bepalen van een mondelinge behandeling. Dit vonnis is gewezen door mr. E.J.C. Adang en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2026. ECLI:NL:HR:1994:ZC1361
Volledig
ECLI:NL:RBOBR:2026:1698 text/xml public 2026-05-01T15:57:10 2026-03-13 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Oost-Brabant 2026-03-18 C/01/417245 / HA ZA 25-453 Uitspraak Bodemzaak Tussenuitspraak NL 's-Hertogenbosch Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:1698 text/html public 2026-03-14T10:34:33 2026-03-24 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBOBR:2026:1698 Rechtbank Oost-Brabant , 18-03-2026 / C/01/417245 / HA ZA 25-453 Schadestaatprocedure is aanhangig gemaakt bij andere rechtbank dan rechtbank die in het hoofdgeding vonnis heeft gewezen. Bij conclusie van antwoord is een incidentele exceptie van onbevoegdheid opgeworpen. Dit is tardief nu al eerder in de procedure een conclusie tot oproeping in vrijwaring is genomen waarin geen beroep op onbevoegdheid van de rechtbank is gedaan. Daarmee is bevoegdheid rechtbank aanvaard. RECHTBANK Oost-Brabant Civiel recht Zittingsplaats 's-Hertogenbosch Zaaknummer: C/01/417245 / HA ZA 25-453 Vonnis in incident van 18 maart 2026 in de zaak van TOKO HORST B.V. , te Horst, eisende partij in de hoofdzaak, verwerende partij in het incident, hierna te noemen: Toko Horst, advocaat: mr. K.J.T. Boersma, tegen 1 [gedaagde 1] B.V., te [vestigingsplaats] , gedaagde partij in de hoofdzaak, eisende partij in het incident, hierna te noemen: [gedaagde 1] , advocaat: mr. M.A.F. Evers, 2. [gedaagde 2] , te [woonplaats] , gedaagde partij in de hoofdzaak, eisende partij in het incident, hierna te noemen: [gedaagde 2] , advocaat: mr. W.M.J. Weijers. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het vonnis in incident van 5 november 2025, met de daarin genoemde stukken, de conclusie van antwoord tevens houdende exceptie van onbevoegdheid ex artikel 612 Rv van [gedaagde 1] , de conclusie van antwoord tevens houdende een exceptie van onbevoegdheid van [gedaagde 2] , de conclusie van antwoord in het incident houdende exceptie van onbevoegdheid, het vonnis in incident van 21 januari 2026, het e-mailbericht van de griffier van deze rechtbank van 19 februari 2026. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in de incidenten. 2 De beoordeling in de incidenten 2.1. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] doen afzonderlijk van elkaar in hun conclusies van antwoord een beroep op onbevoegdheid van de rechtbank. Zij onderbouwen dat allebei als volgt. In dit geval gaat het om een schadestaatprocedure. De schadestaatprocedure is te beschouwen als een voortzetting van het hoofdgeding. In artikel 613 lid 2 Rv is bepaald dat in een schadestaatprocedure de rechter bevoegd is die in eerste instantie over de hoofdzaak heeft geoordeeld. Dat betreft een exclusieve bevoegdheid. In dit geval is de rechtbank Gelderland de rechter die over de hoofdzaak heeft beslist. 2.2. Toko Horst voert verweer. Zij wijst erop dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] eerst een vrijwaringsincident hebben opgeworpen. Toko Horst voert onder meer aan dat zij zich daardoor niet meer kunnen beroepen op onbevoegdheid van de rechtbank, omdat zij door eerst een conclusie tot oproeping in vrijwaring te nemen de bevoegdheid van de rechtbank hebben aanvaard. 2.3. Het verweer van Toko Horst slaagt. 2.4. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 29 april 1994 overwogen dat de in artikel 128 lid 3 Rv bedoelde excepties verweermiddelen zijn die ertoe strekken dat de rechter aan wie het geschil is voorgelegd, op grond van regels van processuele aard niet tot een beoordeling van de rechtsbetrekking in geschil zelf kan komen. In het genoemde arrest was aan de orde een beroep op onbevoegdheid wegens een arbitraal beding. De Hoge Raad overwoog dat het beroep op onbevoegdheid moet worden gedaan in de eerste schriftelijke conclusie die gedaagde neemt. Dat kan dus ook in de conclusie van antwoord zijn. Niet valt in te zien dat dit niet ook van toepassing zou zijn wanneer op andere gronden dan een arbitraal beding een beroep op onbevoegdheid van de rechtbank wordt gedaan. 2.5. In dit geval is sprake van een exceptie in de hiervoor door de Hoge Raad bedoelde zin. Toepassing van artikel 613 lid 2 Rv zou betekenen dat deze rechtbank het geschil niet inhoudelijk beoordeelt omdat de zaak verwezen moet worden naar de rechtbank Gelderland. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben de exceptie opgeworpen tegelijk met de conclusie van antwoord, wat door de rechtbank is aangemerkt als een vordering in incident. Hoewel met betrekking tot de bevoegdheidsexceptie dus naar de letter is voldaan aan artikel 128 lid 3 Rv, is de exceptie echter niet opgeworpen in de eerste schriftelijke conclusie die [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben genomen. Zij hebben eerst een vrijwaringsincident opgeworpen. In het kader van de beoordeling van dat incident is vereist dat de rechter inhoudelijk kennis neemt van het geschil tussen partijen. Het gaat dan niet aan om nadat daarop bij vonnis is beslist, alsnog de bevoegdheid van de rechtbank ter discussie te stellen. Dat is een gepasseerd station. De rechtbank is het met Toko Horst eens dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] impliciet de bevoegdheid van de rechtbank hebben aanvaard. 2.6. De conclusie is dat het beroep op de bevoegdheidsexceptie wordt verworpen. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zullen als de in het ongelijk gestelde partijen in de proceskosten van de incidenten (inclusief nakosten) worden veroordeeld. Deze worden aan de zijde van Toko Horst begroot op: - salaris advocaat € 653,00 (1,00 punt × € 653,00) - nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 842,00 3 De beslissing De rechtbank in het incident 3.1. wijst de incidentele vorderingen van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] af, 3.2. veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in de kosten van de incidenten, aan de zijde van Toko Horst tot op heden begroot op € 842,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet tijdig aan de veroordeling voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, in de hoofdzaak 3.3. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 1 april 2026 voor beraad rolrechter omtrent het bepalen van een mondelinge behandeling. Dit vonnis is gewezen door mr. E.J.C. Adang en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2026. ECLI:NL:HR:1994:ZC1361