Rechtspraak Rechtbank Oost-Brabant 2026-03-11
ECLI:NL:RBOBR:2026:1555
RECHTBANK Oost-Brabant Civiel recht Zittingsplaats 's-Hertogenbosch Zaaknummer: C/01/409941 / HA ZA 24-689 Vonnis van 11 maart 2026 in de zaak van [eiser] , te [plaats] , hierna te noemen: [eiser] , advocaat: mr. P.A.M. Verkuijlen, eisende partij, tegen 1 JEUGDBESCHERMING BRABANT, te 's-Hertogenbosch, hierna te noemen: JBB, advocaat: mr. T. Havekes, 2. DE STAAT DER NEDERLANDEN, MINISTERIE VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID, RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING , te Den Haag, hierna te noemen: de Raad,advocaat: mr. G.J. Harryvan, 3. VEILIG THUIS OOST-BRABANT , te Helmond, hierna te noemen: Veilig Thuis, advocaat: mr. B.M.G. Bijnen, gedaagde partijen. 1 Inleiding en samenvatting 1.1. [eiser] is de vader van zijn inmiddels meerderjarige zoon [naam zoon] . In de kern vindt [eiser] dat gedaagden onrechtmatig jegens hem en zijn zoon hebben gehandeld, doordat zij voor zijn zoon niet tijdig/niet de juiste maatregelen hebben genomen en fouten hebben gemaakt. Hij stelt dat hij en zijn zoon daardoor zowel immateriële als materiële schade hebben geleden, waarbij die laatste erin bestaat dat hij niet of minder heeft kunnen werken in zijn eenmanszaak. [eiser] vordert een verklaring voor recht dat gedaagden een onrechtmatige daad jegens hem en zijn zoon hebben gepleegd en wil dat zij hoofdelijk worden veroordeeld tot het betalen van schadevergoeding. 1.2. De rechtbank verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn vordering voor zover die betrekking heeft op zijn zoon. Voor zover zijn vordering betrekking heeft op [eiser] zelf, wordt de vordering afgewezen, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten van ieder van de gedaagden. 2 De procedure 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding, met producties 1 tot en met 37, - de akte aanvullende gronden en producties, met producties 38 en 39,- de conclusie van antwoord van JBB, met producties 1 tot en met 3, - de conclusie van antwoord van de Raad, met producties 1 tot en met 18, - de conclusie van antwoord van Veilig Thuis, met producties 1 tot en met 14,- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald, - het B8 formulier van mr. Verkuijlen van 9 september 2025 met producties 1 tot en met 7, - de mondelinge behandeling van 22 september 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. 2.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 3 De feiten 3.1. [eiser] heeft een relatie gehad met [A] (hierna: [A] ). Uit die relatie is op [geboortedatum] 2004 hun zoon [naam zoon] geboren. Uit een eerdere relatie had [A] twee dochters, waaronder [B] . [eiser] en [A] waren gezamenlijk belast met het gezag over [naam zoon] . 3.2. In 2014 zijn [eiser] en [A] uit elkaar gegaan. Zij hebben daarbij een zorgregeling opgesteld op grond waarvan [naam zoon] de ene week bij [eiser] en de andere week bij [A] verbleef. In de periodes dat [naam zoon] bij [A] verbleef, was zijn oudere halfzus [B] daar ook. Betrokkenheid Veilig Thuis 3.3. Op 12 maart 2019 is er een melding van de politie bij Veilig Thuis binnengekomen naar aanleiding van een incident bij [A] thuis op 4 maart 2019, waarbij [B] had gevochten met [A] en [naam zoon] . Veilig Thuis voerde daarop een veiligheidstaxatie uit. In de politiemelding is opgenomen dat [naam zoon] en [A] hebben aangegeven dat [B] hulp nodig had, maar dat zij voor zichzelf geen zorg wilden. [B] had op 19 maart 2019 een intake bij GGZ-instelling Reinier van Arkel. Op 19 maart 2019 besloot Veilig Thuis dat zij de melding zou doorzetten naar het Sociaal Wijk Team (SWT). 3.4. Veilig Thuis heeft [eiser] niet van deze melding op de hoogte gebracht. 3.5. Op 14 april 2020 heeft Veilig Thuis een nieuwe zorgmelding ontvangen van de politie, naar aanleiding van een voorval bij [A] thuis op 11 april 2020. De politie heeft daarover opgeschreven dat [B] de politie had gebeld, dat zij samen met haar vriend in de keuken stond en een tafel voor de deur had geschoven om te voorkomen dat [naam zoon] haar aanviel. Toen de politie ter plaatse kwam, constateerde zij dat moeder behoorlij Na een escalatie bij [eiser] thuis in de nacht van 26 op 27 oktober 2021 waarbij [naam zoon] suïcidale uitspraken deed en hij [eiser] had bedreigd, heeft de Raad op 28 oktober 2021 een verzoek tot voorlopige ondertoezichtstelling (hierna: VOTS) en een voorlopige machtiging uithuisplaatsing (hierna: VUHP) ingediend bij deze rechtbank. Bij beschikking van diezelfde dag heeft de rechtbank [naam zoon] voorlopig, voor de duur van drie maanden, onder toezicht gesteld. Daarnaast is een machtiging tot uithuisplaatsing gedurende dag en nacht in een residentiële voorziening voor 24-uurs-behandeling dan wel in een crisisvoorziening voor jeugdigen verleend voor de duur van vier weken (dus tot 25 november 2021). De beslissing op het verzoek voor het overige is aangehouden tot de zitting van 10 november 2021. Bij beschikking van 10 november 2021 heeft de rechtbank de uitspraak van 28 oktober 2021 bekrachtigd. 3.18. De Raad heeft de rechtbank daarna verzocht [naam zoon] onder toezicht te stellen tot zijn meerderjarigheid. Ook is verzocht om een machtiging tot uithuisplaatsing van [naam zoon] te verlenen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van de ondertoezichtstelling. Ten behoeve van de mondelinge behandeling die plaats zou vinden voor de behandeling van dat verzoek heeft de Raad een nieuw beschermingsrapport opgesteld, met als datum 14 januari 2022. 3.19. De Raad heeft eveneens op 14 januari 2022 een (straf)advies uitgebracht ten behoeve van een onderhoud ten parkette naar aanleiding van de gebeurtenissen in de nacht van 26 op 27 oktober 2021. Dat onderhoud is aangehouden tot (uiteindelijk) 22 april 2022. Ten behoeve van dat onderhoud heeft de Raad een nieuw strafrapport opgesteld op 14 april 2022, waarin hij de officier heeft geadviseerd om de strafzaken onvoorwaardelijk te seponeren. De officier heeft dat advies gevolgd. Betrokkenheid JBB en verdere verloop beschermingsmaatregelen 3.20. Bij beschikking van 25 januari 2022 is [naam zoon] met ingang van 28 januari 2022 tot [geboortedatum] 2022 onder toezicht gesteld van JBB. De rechtbank heeft verder een machtiging verleend voor de uithuisplaatsing van [naam zoon] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van twee maanden, met ingang van 28 januari 2022. Voor het overige is de beslissing op het verzoek ten aanzien van de machtiging uithuisplaatsing pro forma aangehouden tot 14 maart 2022. Bij beschikking van 25 maart 2022 is de machtiging tot uithuisplaatsing vervolgens verlengd tot 18 april 2022. Het verzoek is voor het overige - dus voor de vraag of de machtiging tot uithuisplaatsing verder worden verlengd -aangehouden tot 4 april 2022. 3.21. Bij beschikking van 4 april 2022 heeft de rechtbank Oost-Brabant het resterende deel van het verzoek uiteindelijk afgewezen. Op dezelfde dag is [naam zoon] weer bij zijn moeder gaan wonen. 3.22. Op [geboortedatum] 2022 werd [naam zoon] meerderjarig en eindigde de ondertoezichtstelling. Overig 3.23. [eiser] heeft klachtprocedures doorlopen bij JBB en de Raad. Al zijn klachten zijn afgewezen, op één klacht bij de Raad na. Ten aanzien van die klacht werd geoordeeld dat [eiser] tijdens het raadsonderzoek had moeten worden uitgelegd op welke wijze zijn inbreng in de rapportages zou worden verwerkt, waarom bepaalde informatie wel of niet wordt opgenomen in het raadsrapport, en dat aan hem had moeten worden gemeld dat er nog wijzingen waren aangebracht in de weergave van een gespreksverslag. 3.24. [eiser] heeft ook strafrechtelijk aangifte gedaan tegen Veilig Thuis, JBB en de Raad. Voor zover de rechtbank bekend is de officier van justitie (nog) niet tot vervolging overgegaan. 4 Het geschil 4.1. De vordering van [eiser] luidt, om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad 1. Voor recht te verklaren dat gedaagden jegens [naam zoon] en hemzelf een onrechtmatige daad ex art. 6:162 BW hebben gepleegd, althans op enige andere grond verwijtbaar schadeveroorzakend hebben gehandeld, dan wel nagelaten, en dat gedaagden hoofdelijk Voor aansprakelijkheid van de Raad, Veilig Thuis of JBB op grond van dit artikel moet voldaan zijn aan de volgende - door [eiser] te bewijzen - vereisten: onrechtmatigheid (inbreuk op een recht, strijd met wettelijke plicht, of strijd met maatschappelijk betamelijke zorgvuldigheid), toerekenbaarheid (krachtens schuld, wet of verkeersopvattingen), schade (materiële of immateriële), causaliteit (het verband tussen de oorzaak (de onrechtmatige handeling) en het gevolg van de schade) en relativiteit (de geschonden norm moet strekken tot bescherming tegen de schade). 5.6. Deze vereisten zijn bovendien cumulatief: alleen wanneer aan alle vereisten is voldaan, is er aansprakelijkheid op grond van artikel 6:162 BW. Dat betekent dat wanneer het aan een van deze vereisten schort, de door [eiser] gevorderde verklaring voor recht niet kan worden afgegeven. De gronden voor de vorderingen van [eiser] . 5.7. In essentie komen de stellingen van [eiser] er allemaal op neer dat Veilig Thuis, de Raad, en JBB - mede op basis van wat [eiser] hen allemaal vertelde – hadden moeten ingrijpen, wat er dan toe had moeten leiden dat [naam zoon] niet meer bij zijn moeder zou hebben verbleven en hij alleen nog op neutraal terrein of onder begeleiding contact met haar zou hebben gehad. Op die manier zou hij (dus) ook niet in contact zijn gekomen met [B] en haar vriend en was hij (dus) ook niet in contact gekomen met justitie. 5.8. Voor een deel maakt [eiser] alle gedaagden dezelfde verwijten. Zo stelt hij dat gedaagden ervoor hebben gezorgd dat hij zijn uit artikel 1:247 BW voortvloeiende ouderlijke taken niet heeft kunnen uitoefenen. Die stelling heeft hij echter onvoldoende onderbouwd, zodat de rechtbank die verwerpt. Bij dat oordeel heeft de rechtbank ook betrokken dat [eiser] zelf ook gebruik had kunnen maken van de hem als vader op grond van de wet toekomende bevoegdheden om zich tot de rechter te wenden om tot wijziging van de zorgregeling te komen, tot wijziging van het gezag, of zelfs tot ondertoezichtstelling van [naam zoon] . 5.9. [eiser] vindt verder dat de op hem rustende bewijslast omgekeerd moet worden. Dat speelt dan met name ten aanzien van het vereiste van het causale verband, waar hij een beroep doet op de zogenaamde omkeringsregel, op de redelijkheid en billijkheid en op de verzwaarde motiverings- of betwistplicht. [eiser] voert daarvoor echter onvoldoende aan, zodat de rechtbank daaraan voorbijgaat. 5.10. De rechtbank gaat hieronder in op de individuele verwijten die [eiser] aan gedaagden maakt. Ten aanzien van JBB 5.11. Samengevat verwijt [eiser] JBB dat zij: - artikel 4.1.1 lid 1 Jeugdwet heeft geschonden. De diverse keren dat [eiser] zorgen uitte over de veiligheid van [naam zoon] in de thuissituatie bij [naam zoon] moeder, zijn niet, dan wel onvoldoende serieus genomen, wat diverse gevaarlijke situaties ten gevolge heeft gehad, waaronder vechtpartijen en tentamen suïcide. - artikel 4.1.1 lid 3 Jeugdwet heeft geschonden. Volgens [eiser] heeft JBB bij herhaling niet de verantwoordelijkheid genomen die op haar rustte en heeft zij ook niet conform de voor haar geldende professionele standaarden gehandeld. Schending van deze zorgplicht levert een onrechtmatige daad op jegens degene die onder de reikwijdte van deze algemene zorgplicht valt ( [eiser] verwijst daarbij naar Gerechtshof 's-Hertogenbosch 10 november 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:3475). - verwijtbaar heeft nagelaten om gebruik te maken van een aantal bevoegdheden die JBB als gecertificeerde instelling had. - de primaire taken uit artikel 1:262 BW niet heeft uitgevoerd, omdat [A] met het gebruik van verdovende middelen kampte. Niet blijkt dat [A] hulp is aangeboden, waardoor [naam zoon] in een situatie moest verblijven die mentaal onveilig was en in fysiek opzicht gevaarlijk. - [A] geen schriftelijke aanwijzing heeft gegeven in de zin van 1:263 BW: [A] had verboden moeten worden [B] toegang tot haar huis te geven op de momenten dat [naam zoon] bij haar verbleef. Dat is niet gebeurd, De rechtbank wijst de vordering van [eiser] af, voor zover die tegen JBB is gericht. Gelet op het tijdstip waarop JBB bij [naam zoon] betrokken is geraakt (28 oktober 2021), valt JBB geen verwijt te maken van alle gebeurtenissen van voor die datum. Tegenover het gemotiveerde verweer van JBB heeft [eiser] onvoldoende concrete feiten en omstandigheden gesteld om tot de slotsom te komen dat JBB onrechtmatig heeft gehandeld. Het op de mondelinge behandeling (concreet) nog door [eiser] naar voren gebrachte argument dat JBB door ziekte en een instroomstop niet eens iets voor [naam zoon] had kunnen betekenen als ze eerder was ingeschakeld, levert geen onrechtmatig handelen op van JBB. Niet alleen heeft die situatie zich niet voorgedaan, maar JBB heeft bovendien gesteld dat als er een eerder verzoek om een (voorlopige) ondertoezichtstelling of uithuisplaatsing zou zijn gekomen, een andere GI (zoals de William Schrikkerstichting) de uitvoering van die maatregel op zich zou hebben genomen. 5.14. Nu van onrechtmatig handelen van JBB geen sprake is, moet de vordering van [eiser] jegens JBB worden afgewezen, waarbij de rechtbank verwijst naar wat zij heeft overwogen in 5.5. 5.15. [eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van JBB worden begroot op: - griffierecht € 688,00 - salaris advocaat € 1.306,00 (2 punten × € 653,00) - nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 2.183,00 5.16. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. Ten aanzien van de Raad 5.17. Samengevat stelt [eiser] ten aanzien van de Raad het volgende: - de Raad heeft niet snel genoeg gehandeld: Veilig Thuis heeft op 27 mei 2021 laten weten dat de Raad was verzocht een onderzoek in te stellen. De Raad heeft echter pas op 28 oktober 2021 gehandeld door een spoedverzoek in te dienen om [naam zoon] voorlopig onder toezicht te stellen en uit huis te plaatsen. - mevrouw [D] , onderzoeker bij de Raad, heeft in een telefoongesprek op 26 oktober 2021 erkend dat de Raad fout zat en dat het nooit zo lang had mogen duren. - het verzoek om ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing is op een onjuiste wijze weergegeven, waardoor de noodzakelijke zorg voor [naam zoon] niet is geïmplementeerd. De Raad was op de hoogte van de eerdere zorgmeldingen, maar de Raad heeft deze kwesties niet adequaat benoemd in de rapportages aan de (kinder)rechter en/of de officier van justitie. - de Raad heeft andere mogelijkheden om in te grijpen onbenut gelaten. De Raad had het gezag van [A] kunnen beëindigen, zodat ze alleen nog (begeleide) omgang met [naam zoon] zou hebben op een neutrale locatie. Aan die omgang hadden dan voorwaarden kunnen worden verbonden, zoals dat er geen contact met [B] zou zijn. Vooruitlopend daarop had de Raad het gezag van [A] alvast kunnen schorsen. - de Raad heeft de Richtlijn jeugdhulp en jeugdbescherming Stemmingswisselingen geschonden. - de rapportages van de Raad bevatten aantoonbare onjuistheden. Zo is in het rapport van 8 juli 2020 de historie en situatie van [naam zoon] onjuist en/of onvolledig omschreven, alsmede de ernst van de psychische belasting die dat heeft gehad op [naam zoon] . - de Raad heeft [eiser] reactie op het conceptrapporten op een dergelijk ongeordende wijze bij het definitieve rapport van 14 januari 2022 gevoegd dat de samenhang daarvan volstrekt onduidelijk is: meerdere pagina’s zijn onleesbaar afgedrukt, dan wel zodanig klein afgedrukt dat het een 'woordenbrij' vormt. - [eiser] heeft in zijn reactie op het conceptrapport aangegeven niet akkoord te gaan met het advies van de Raad, terwijl de Raad in het definitieve advies aan de kinderrechter van 14 januari 2022 juist heeft gesteld dat beide ouders wel akkoord waren gegaan met het advies. - de Raad heeft verzuimd de politiemelding aan Veilig Thuis van 4 augustus 2019 in het advies te vermelden: dat levert schending op van artikel 3.3. van de Jeugd - Na het voorwaardelijk sepot op 15 april 2021 kreeg de Raad op 28 juni 2021 een verzoek van Veilig Thuis om een beschermingsonderzoek te doen. - Door wachttijd bij de Raad is dat gestart op 26 oktober 2021. De raad heeft dat ook kenbaar gemaakt en excuses voor de wachttijd aangeboden. De Raad heeft daarbij niet erkend dat hij fout zat, maar heeft slechts begrip getoond voor de emoties en zorgen die [eiser] had. In de regel komt dat de samenwerking tussen ouders en de Raad ten goede. - Na de crisissituatie in de nacht van 26 en 27 oktober 2021, waarbij [naam zoon] zichzelf had verwond, suïcidale uitspraken had gedaan en [eiser] had bedreigd, is besloten tot plaatsing in crisisopvang, gevolgd door een voorlopige ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing. - Voor deze zaak geldt het toetsingskader zoals door de Hoge Raad uiteengezet in zijn uitspraak van 19 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1976, waarin onder meer het volgende is overwogen: (…) Aan door de rechter ingeschakelde deskundigen dient de nodige vrijheid en zelfstandigheid te worden gelaten “om het onderzoek, waarvoor zij immers verantwoordelijk zijn, op de hun best voorkomende wijze te verrichten” (…). In lijn daarmee is het aan de Raad, als deskundige bij uitstek op het gebied van kinderbescherming, om te bepalen hoe hij zijn onderzoeken inricht en de daarop betrekking hebbende rapportages vormgeeft. De Raad heeft daarvoor richtlijnen en kwaliteitseisen opgesteld (…) In het licht van de vrijheid die de Raad als deskundige toekomt (zie hiervoor in 3.4.3), is een onderzoek niet onzorgvuldig op de enkele grond dat dit ook op andere wijze, of met meer of andere middelen, had kunnen worden uitgevoerd. Waar het, bij een verwijt als de moeder de Raad in deze aansprakelijkheidsprocedure maakt, op aankomt is of de Raad heeft mogen menen zich met de uit zijn onderzoek verkregen informatie een verantwoord oordeel te kunnen vormen over hetgeen het belang van het kind vergt. - dat toetsingskader betekent dat een oordeel over de deugdelijkheid van een onderzoek terughoudend moet worden getoetst. Daarbij gaat het bovendien om een toetsing ex tunc. - de Raad heeft de vrijheid om zelf te bepalen hoe zij voorgestelde wijzigingen in haar rapport verwerkt. Het belang van het kind is daarbij steeds leidend. Voorkomen moet worden dat een rapport escalerend werkt of beschadigend werkt voor andere betrokkenen. - de Raad heeft er voor gekozen om bepaalde uitingen niet op te nemen: zo zou [naam zoon] het rapport zelf te zien kunnen krijgen en zouden bepaalde beschrijvingen een negatieve invloed op hem kunnen hebben. De Raad wilde bovendien niet dat de strijd tussen de ouders de boventoon zou voeren in het rapport: het ging om [naam zoon] . Desalniettemin zijn de rapporten wel volledig in de zin dat die melding maken van de zorgen van [eiser] . - de Raad heeft een standaard werkwijze, die vastligt in zijn kwaliteitskader. Dat is hier gevolgd. - de weergave van gesprekken in de rapporten kan variëren: het maakt verschil of het om een beschermingsonderzoek of een strafonderzoek gaat. Beide rapporten hebben namelijk een verschillende doelstelling. - [eiser] onderbouwt niet dat het rapport van 8 juli 2020 onjuist of onvolledig is. Hij heeft er bovendien op kunnen reageren en is akkoord gegaan met het eindrapport. - ten aanzien van het rapport van 14 januari 2020 heeft de Raad de ontvangen reactie van [eiser] aan het rapport gevoegd als bijlage. Bovendien heeft [eiser] zijn reactie zelf ook nog naar de rechtbank gestuurd. Niet valt in te zien in hoeverre [eiser] hierdoor benadeeld is. - [eiser] stemde in met de conclusies van het definitieve rapport, maar had nog aanvullende opmerkingen. Die heeft de Raad naar de rechtbank gestuurd. Dat de Raad of de rechtbank die niet heeft overgenomen, maakt nog niet dat de Raad onzorgvuldig heeft gehandeld. - de Raad wist niets van de politiemelding van 4 augustus 2019. Daarom is die niet opgenomen. En als de Raad dat wel had geweten, dan had hij dat nog niet op hoev De rechtbank overweegt verder dat, áls al aangenomen zou moeten worden dat de Raad onrechtmatig heeft gehandeld door zijn eigen beleidsregels niet te respecteren, voor het kunnen aannemen van een onrechtmatige daad nog vereist zou zijn dat [eiser] schade heeft geleden en dat er causaal verband bestaat. Ten aanzien van dat laatste heeft [eiser] een beroep gedaan op de zogenaamde ‘omkeringsregel’. Daarmee is de in de rechtspraak geformuleerde regel bedoeld waarbij op grond van een bijzondere, uit de redelijkheid en billijkheid voortvloeiende regel, een uitzondering moet worden gemaakt op de hoofdregel van artikel 150 Rv in die zin dat het bestaan van causaal verband (in de zin van condicio sine qua non-verband) tussen de onrechtmatige gedraging of tekortkoming en het ontstaan van schade wordt aangenomen, tenzij degene die wordt aangesproken bewijst – waarvoor in het kader van het hier te leveren tegenbewijs voldoende is: aannemelijk maakt – dat de bedoelde schade ook zonder die gedraging of tekortkoming zou zijn ontstaan. Voor toepassing van deze regel is vereist dat sprake is geweest van een gedraging in strijd met een norm die ertoe strekt een specifiek gevaar ter zake van het ontstaan van schade te voorkomen en dat degene die zich op schending van deze norm beroept, ook bij betwisting aannemelijk heeft gemaakt dat in het concrete geval het (specifieke) gevaar waartegen de norm bescherming beoogt te bieden, zich heeft verwezenlijkt. 5.22. Het regelend kader van de Raad heeft naar het oordeel van de rechtbank echter niet de strekking de door [eiser] gestelde schade te voorkomen, zodat de rechtbank – zou die al toekomen aan het aannemen van onrechtmatig handelen door de Raad – aan toepassing van de omkeringsregel niet toekomt. Voor het overige heeft [eiser] het vereiste causaal verband onvoldoende onderbouwd, wat een aparte grond is om zijn vordering jegens de Raad af te wijzen. 5.23. [eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de Raad worden begroot op: - griffierecht € 688,00 - salaris advocaat € 1.306,00 (2 punten × € 653,00) - nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 2.183,00 5.24. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. Ten aanzien van Veilig Thuis : 5.25. Samengevat stelt [eiser] ten aanzien van Veilig Thuis het volgende: Veilig Thuis heeft verzuimd om meldingen van bedreigende situaties adequaat op te volgen. Veilig Thuis heeft [eiser] niet op de hoogte gesteld van de melding van 12 maart 2019. Als [eiser] dat had geweten, had hij kunnen ingrijpen door [naam zoon] in huis te nemen. [eiser] wordt hier pas op 11 april 2020 mee bekend. Veilig Thuis waarborgde de eigen opgelegde veiligheidsregels (dat [B] niet in huis mocht zijn als [naam zoon] daar was en dat moeder niet zou drinken) niet. Daardoor raakte [naam zoon] in een incident betrokken met alle gevolgen van dien. [eiser] nooit geïnformeerd over driemaandelijkse controles van de veiligheidsregels. zelfs [naam zoon] wees Veilig Thuis erop dat die niks deed. pas bijna een maand na 2 mei 2021 (als Veilig Thuis een melding van de politie ontvangt dat zij is uitgerukt omdat [B] thuis is) zegt Veilig Thuis een raadsonderzoek te zullen verzoeken. Dat doet ze dan pas een maand later. Dat is te laat: dat had meteen na 2 mei 2021 moeten gebeuren. Veilig Thuis heeft de Richtlijn jeugdhulp en jeugdbescherming geschonden, waarbij [eiser] zich op dezelfde bepalingen beroept als hij ten aanzien van de Raad heeft gedaan. Veilig Thuis heeft klachten van [naam zoon] ook na noodkreten nooit serieus genomen. Veilig Thuis heeft fouten erkend, in brief van 29 maart 2023 “De kern van de problematiek lijkt in het verleden door betrokken instanties om uw gezinssysteem heen onvoldoende te zijn onderzocht en opgepakt. Veilig Thuis begrijpt dan ook uw emotie en gevoel van machteloosheid rondom de situatie van [naam zoon] , en de Dat gebeurde mede vanwege een vakantieperiode van de betrokken medewerker van Veilig Thuis uiteindelijk op 28 juni 2021. de meldingen van [eiser] van 2 juli en 9 september 2021 zijn doorgeleid naar de Raad. op 19 september vroeg [eiser] advies over suïcidale uitspraken van [naam zoon] . Veilig Thuis liet [eiser] weten dat de huisarts de uitspraken moest inschatten. [eiser] was zelf in staat die in te schakelen. na het meerderjarig worden van [naam zoon] is een nieuwe veiligheidstaxatie uitgevoerd. Veilig Thuis besloot vervolgstappen te zetten, maar [naam zoon] wilde niet in gesprek. Daarom werd besloten de zorgmelding te sluiten. Daarna zijn er nog allerlei incidenten geweest, Veilig Thuis heeft daar steeds onderzoek naar gedaan, maar stuitte op onwil van [naam zoon] . Veilig Thuis stelt dat zij beleidsvrijheid en beoordelingsvrijheid heeft over het niet inlichten van [eiser] over het incident van 12 maart 2019 stelt Veilig Thuis dat in het handelingsprotocol is opgenomen dat een casus zonder direct contact met de direct betrokkenen kan worden overgedragen aan de lokale teams. Dat is hier gebeurd. als er al een norm is geschonden, is er geen causaal verband. Het is ook niet aannemelijk dat [eiser] [naam zoon] dan in huis zou hebben genomen: met [naam zoon] was frictie en [eiser] zei in april 2020 zelf nog dat [naam zoon] rust moest nemen en naar zijn moeder ging. kennelijk wist [eiser] overal van, omdat die zelf schreef dat het sinds 2014 achteruitging met [naam zoon] door de “1000-en conflicten”, en hij desondanks [naam zoon] niet in huis nam. [eiser] was bovendien zelf degene die [naam zoon] had blootgesteld aan de door hem gestelde gevaarlijke en traumatiserende situaties, omdat hij huiselijk geweld had gepleegd tegen moeder. Veilig Thuis heeft geen dwangmiddelen om gemaakte afspraken af te dwingen. Het opleggen van een huisverbod aan [B] was niet logisch: zij had haar sleutel al afgegeven en had hulp bij Reinier van Arkel. De verantwoordelijkheid voor de veiligheid lag vanaf 30 april 2020 bij het SWT en niet meer bij Veilig Thuis. [eiser] komt geen beroep toe op de omkeringsregel, want er is geen norm geschonden die strekt tot bescherming van een specifiek gevaar. Veilig Thuis heeft geen aansprakelijkheid erkend: de betreffende medewerker heeft slechts empathie geuit. Veilig Thuis heeft haar verplichtingen uit de WMO niet geschonden: na iedere melding is een veiligheidstaxatie uitgevoerd en Veilig Thuis heeft daarnaar gehandeld. De WMO verplicht slechts tot het op de hoogte houden van de melder en dat was [eiser] niet. Dat laat onverlet dat veel met [eiser] is gesproken over de stappen die werden ondernomen. de meldingen van [eiser] waren steeds een herhaling of aanvulling van eerdere zorgen, waarvoor trajecten liepen. Veilig Thuis voegde die toe aan het dossier. de verantwoordelijkheid van Veilig Thuis eindigt op het moment dat er vervolgstappen worden gezet. het is niet waar dat [eiser] steeds een nieuwe contactpersoon kreeg. In de periode waarover het hier gaat, had [eiser] contact met mevrouw [C] : zij onderhield het contact met [eiser] als hoofdbehandelaar. een psychisch onbehagen is geen reden voor schadevergoeding. voor schade die veroorzaakt door de “psychische teloorgang” van [naam zoon] geldt de regeling van 6:107 BW en [eiser] heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij schade heeft geleden die binnen de dwingendrechtelijke kaders van art. 6:107 lid 1 onder a BW valt. voor de gestelde materiële schade is geen begin van een deugdelijke onderbouwing gegeven. [eiser] maakt ook niet concreet welke concrete normschendingen door Veilig Thuis maakten dat hij niet meer kon werken. er is geen causaal verband: er waren al eerdere meldingen over het geweld in het gezin van [eiser] en moeder. Bovendien zegt [eiser] zelf dat de problemen van [naam zoon] deels aangeboren zijn en te maken kunnen hebben met het American Football dat hij speelde en het stunten op een fiets door [naam zoon] . Als dat zo is, ligt de oorzaak voor de pro