Rechtspraak Rechtbank Oost-Brabant 2026-02-20
ECLI:NL:RBOBR:2026:1121
RECHTBANK OOST-BRABANT Zittingsplaats 's-Hertogenbosch Bestuursrecht zaaknummer: SHE 24/3423 uitspraak van de meervoudige kamer van 20 februari 2026 in de zaak tussen [eiseres] , uit [plaatsnaam] , eiseres (gemachtigde: mr. A.A. Freriks), en het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant , het college (gemachtigden: mr. M. van Dam-Bender en ing. M.J. van Aerle). Samenvatting 1.1. Deze uitspraak gaat over de noodzaak van twee voorschriften in een omgevingsvergunning die het college aan eiseres heeft verleend voor het verwerken van met PFAS verontreinigde grond. De voorschriften 1.1.3 en 1.1.9. staan in de weg aan het samenvoegen van partijen grond bij de opslag en reiniging en eiseres is het daar niet mee eens. 1.2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college onvoldoende heeft onderbouwd waarom de voorschriften moeten worden opgenomen. De vergunning bevat al voorschriften over de acceptatie van met PFAS verontreinigde grond en het samenvoegen van gelijkaardige partijen met PFAS verontreinigde grond. Vermenging dan wel besmetting met restanten van met PFAS verontreinigde grond kan op verschillende momenten in het gehele proces plaatsvinden. Het college heeft onvoldoende onderbouwd dat voorschriften 1.1.3 en 1.1.9 in aanvulling op de niet bestreden voorschriften 1.1.1 en 1.1.8 nodig zijn voor een doelmatig beheer van afvalstoffen. Eiseres krijgt gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Op 21 augustus 2024 heeft het college de omgevingsvergunning verleend voor het veranderen van het bedrijf van eiseres voor de reiniging van PFAS-houdende grond . Hieraan zijn voorschriften verbonden. Daarnaast heeft het college de geldende omgevingsvergunningen van het bedrijf geactualiseerd aan de hand van de conclusies voor de beste beschikbare technieken (BBT) over afvalbehandeling en daartoe ook voorschriften opgenomen. Het besluit is genomen op grond van artikel 2.1 onder e en 2.31, eerste lid onder b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en zal verder worden aangeduid als de omgevingsvergunning. 2.1. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het opnemen van de voorschriften 1.1.3 en 1.1.9 in de omgevingsvergunning. 2.2. Op 27 mei 2025 heeft de rechtbank de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (StAB) als deskundige benoemd om een onderzoek in te stellen. De StAB heeft op 1 september 2025 verslag uitgebracht. Eiseres en het college hebben hierop gereageerd. 2.3. De rechtbank heeft het beroep op 9 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens eiseres [naam] en haar gemachtigde, en de gemachtigden van het college. Daarnaast zijn ing. P.A.J. Boers en mr. R. Veenhof, beiden werkzaam bij de StAB, als deskundigen gehoord. Beoordeling door de rechtbank Feiten en omstandigheden. 3. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Het bedrijf van eiseres ligt aan de [adres] . Het college heeft voor het bedrijf een revisievergunning (artikel 8.4 van de Wet milieubeheer, verder: Wm) verleend in 2008. Daarna zijn verschillende veranderingsvergunningen en wijzigingsvergunningen verleend. De inrichting heeft een vergunning voor het accepteren en reinigen van verontreinigde grond met Euralcode 17 05 03. Eiseres gebruikt het terrein van de locatie - kort samengevat - voor de op- en overslag van zand, grond en minerale afvalstoffen, het breken van steenachtige materialen, het reinigen van grond en steenachtige materialen, het bewerken van afvalglas en het produceren van betonmortel en cementgebonden producten. Voor het reinigen van verontreinigde partijen grond en steenachtig materiaal heeft eiseres een extractieve reinigingsinstallatie (ERI) met voorzieningen op het terrein. Eiseres wil naast andere verontreinigde partijen grond ook met PFAS verontreinigde grond gaan reinigen. De milieuhygiënische kwaliteit van het zand m De voorschriften in paragraaf 1.1 hebben betrekking op de aangevraagde wijziging van de inrichting en zijn niet gesteld vanwege de actualisatie van de geldende vergunningen. Partijen hebben dit desgevraagd bevestigd tijdens de zitting. 6. Eiseres voert aan dat de voorschriften 1.1.3 en 1.1.9 in de omgevingsvergunning niet nodig zijn om het milieu te beschermen en onnodig bezwarend zijn. De voorschriften 1.1.3 en 1.1.9 botsen met voorschrift 1.1.8. Eiseres benadrukt dat zij geen zwaar met PFAS verontreinigde grondstromen accepteert en dat de grond zodanig moet worden gereinigd dat deze voldoet aan de klasse 'Industrie' voor toepassing als vervanger van primair zand in de betonindustrie of als zand voor aanvullings- en ophogingsmateriaal. Zij neemt het Handelingskader en het Besluit bodemkwaliteit in acht bij de acceptatie van grond en de levering van gereinigde grond voor toepassing elders. Om de gereinigde grond te mogen toepassen, zullen de resterende concentraties PFAS onder de grenswaarden uit het Handelingskader moeten liggen. De voorschriften staat echter het clusteren (samenvoegen) van kleinere partijen grond afkomstig van verschillende saneringslocaties (die zijn geaccepteerd met inachtneming van voorschrift 1.1.1) in de weg. Dat is onnodig bezwarend, omdat het niet efficiënt is de ERI in te zetten voor afzonderlijke kleine partijen grond. Het zuiveringsrendement van de ERI zal juist verbeteren bij de invoer van grotere samengevoegde partijen, omdat er dan een betere uitwisseling plaatsvindt tussen de verontreinigde grond en het waswater. Daardoor accepteert eiseres op dit moment alleen grote partijen grond afkomstig van één saneringslocatie. Volgens eiseres is feitelijk sprake van een verbod op de opslag en reiniging van geclusterde partijen, dat afwijkt van de BRL SI KB 7500 en het Protocol 7510 (verder: de BRL en het Protocol). Het college geeft hiervoor geen voldoende motivering. 6.1. Het college wil voorkomen dat grondstromen met verschillende PFAS-concentraties door elkaar verwerkt worden, waardoor een zwaar met (een bepaalde soort) PFAS verontreinigde partij grond een laag/lager met PFAS-verontreinigde partij grond “besmet", of dat een verontreiniging met een bepaalde PFAS-soort wordt verspreid over andere partijen door vermenging of verdunning. Het college denkt dat de behandeling van grond met zoveel mogelijk dezelfde PFAS-verontreinigingsgraad leidt tot een zo goed mogelijk gereinigd eindproduct. In de omgevingsvergunning is dit uitgangspunt in de voorschriften 1.1.3 en 1.1.9 vastgelegd. Daarom is in voorschriften 1.1.3 en 1.1.9 het opslaan en reinigen van grond afkomstig van twee of meer verschillende "saneringsprojecten/saneringslocaties", maar wel “met dezelfde PFAS-verontreinigingsgraad" op grond van de voorschriften niet toegestaan. De voorschriften 1.1.3 en 1.1.9 dwingen eiseres niet tot een onuitvoerbaar bedrijfsproces. Volgens het college kan de ERI ook minder dan 8 of 16 uur per etmaal draaien. 6.2. In het verweerschrift merkt het college wel op dat het, milieuhygiënisch bezien, niet bezwaarlijk is als partijen grond, die van twee of meer verschillende saneringsprojecten of saneringslocaties afkomstig zijn, maar die voor wat betreft de PFAS-verontreinigingsgraad van gelijkaardige aard en samenstelling zijn, wel gezamenlijk opgeslagen worden en wel gezamenlijk in de ERI gereinigd worden. In het verweerschrift stelt het college een andere redactie van de voorschriften 1.1.3 en 1.1.9 voor (de wijzigingen zijn onderstreept door de rechtbank). 1.1.3 Alle binnen de inrichting geaccepteerde met PFAS-verontreinigde grond dient per afzonderlijke partij grond opgeslagen te worden en wel zodanig dat deze partijen niet onderling of met andere grondstromen vermengd kunnen raken. Waarbij een "afzonderlijke partij grond" gedefinieerd is als een partij grond, die voor wat betreft de PFAS-verontreinigingsgraad, van gelijkaardige aard en samenstelling is. Ten behoeve van het voorgaande dienen medewerkers, externe trans Het zuiveringsrendement van de ERI zal juist verbeteren bij de invoer van grotere samengevoegde partijen, omdat er dan een betere uitwisseling plaatsvindt tussen de verontreinigde grond en het waswater. 6.5. In reactie op het StAB-advies merkt het college op dat in artikel 1.1., tweede lid, van de Wm onder “gevolgen voor het milieu” en “de bescherming van het milieu” niet alleen de directe omgeving van de inrichting wordt bedoeld. Ook een doelmatig beheer van afvalstoffen valt onder gevolgen voor het milieu en de bescherming van het milieu. Het kan niet de bedoeling zijn om grondstromen met elkaar te verdunnen en te vermengen en vervolgens met PFAS verontreinigde grond met een restverontreiniging “de poort uit” te laten gaan, waarna deze grond vervolgens in werken toegepast wordt. Om dat te voorkomen heeft het college de voorschriften 1.1.3 en 1.1.9 opgenomen. Een andere opvatting zou ook in strijd zijn met afdeling 10.6 van de Wm. Volgens het college wordt al het waswater (en niet slechts een deel) meermaals en voortdurend via de actiefkoolfilters geleid. Het college betwist dat door clustering van met PFAS-verontreinigde grond het zuiveringsrendement van de ERI verbetert. Het college is niet duidelijk hoe de StAB tot de “vier stromen” PFAS wordt gekomen. Het college hanteert een strenge definitie van de begrippen “gelijkaardige aard en samenstelling”. Partijen grond met verschillende PFAS-soorten zijn niet gelijkaardig. Partijen grond waarbij partij A niet in dezelfde mate is verontreinigd met een bepaalde PFAS-soort als partij B zijn ook niet van gelijkaardige aard en samenstelling. Het college benadrukt dat niet iedere PFAS-soort evengoed wordt gereinigd. Uit het rapport “Proefneming PFAS grond te Helmond” blijkt dat de ene soort PFAS de andere kan verdringen bij de adsorptie aan de actiefkoolfilters. Ter zitting heeft het college hieraan toegevoegd dat de voorschriften mede zijn ingegeven op aandringen van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Helmond, gelet op de maatschappelijke vrees voor en onduidelijkheid over PFAS-verontreiniging. 6.6. Ingevolge artikel 2.14 van de Wabo neemt het college (voor zover relevant voor deze uitspraak) de BBT in acht (artikel 2.14, eerste lid, onder c, onder 1), houdt het college rekening met het Landelijk afvalbeheerplan 3 (verder: LAP3, zie artikel 2.14, eerste lid, onder b, onder 2), betrekt het college de gevolgen van de inrichting voor het milieu (artikel 2.14, eerste lid, onder a, onder 2) en kan een vergunning worden geweigerd (of kunnen voorschriften worden gesteld) in kader van het belang van de bescherming van het milieu (artikel 2.14, derde lid). Ingevolge artikel 1.1, tweede lid, onder 2, van de Wm worden onder gevolgen voor het milieu mede verstaan gevolgen die verband houden met een doelmatig beheer van afvalstoffen, of een doelmatig beheer van afvalwater, gevolgen die verband houden met het verbruik van energie en grondstoffen, alsmede gevolgen die verband houden met het verkeer van personen of goederen van en naar de inrichting. Op basis van artikel 10.54a, eerste lid, van de Wm is het verboden gevaarlijke afvalstoffen te mengen, daaronder mede begrepen verdunnen, met andere bij ministeriële regeling aangewezen categorieën gevaarlijke afvalstoffen, of met andere bij ministeriële regeling aangewezen afvalstoffen, stoffen of materialen. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor zover het mengen van gevaarlijke afvalstoffen is toegestaan krachtens een omgevingsvergunning. 6.7. De BRL is een uitwerking van de relevante wet- en regelgeving en daarnaast een invulling van het A&V-beleid van bewerkingsbedrijven voor grond en baggerspecie, overeenkomstig het LAP3. Het bedrijf van eiseres is een gecertificeerd bedrijf als bedoeld in de BRL en wordt daarom periodiek ge-audit door een geaccrediteerd certificatiebureau op de juiste navolging van de BRL. 6.8. Het Protocol bewerkstelligt voor opdrachtgevers en derden, dat het bewerkingsbedrijf alle in de In navolging van de StAB is de rechtbank van oordeel dat het mengen, mixen, clusteren of verdunnen van partijen met PFAS verontreinigde grond geen gevolgen heeft voor het milieu in de directe omgeving van het bedrijf. De grond moet na reiniging toepasbaar zijn en moet dus voldoen aan de eisen die het Handelingskader PFAS stelt aan kwaliteitsklasse ”industrie”. Het water waarmee wordt gereinigd, wordt niet geloosd maar gerecirculeerd. De met PFAS verontreinigde slibfractie wordt behandeld en wordt daartoe apart opgeslagen en afgevoerd. 6.14. De rechtbank is van oordeel dat het college de gevolgen van het mengen en mixen van partijen grond met PFAS wel kan betrekken bij het bestreden besluit. Deze gevolgen vallen binnen het bereik van de bredere definitie van “de gevolgen van het milieu’” in artikel 1.1, tweede lid, onder b, van de Wm. De gevolgen van het clusteren van partijen grond houden verband met een doelmatig beheer van afvalstoffen. Het college heeft bij het stellen van voorschriften hierover ook een zekere beoordelingsruimte. 6.15. De rechtbank stelt tot slot vast dat het college in voorschrift 1.1.1 en 1.1.8 de BRL en het Protocol voldoende heeft geborgd. De acceptatievoorwaarden voor PFAS-houdende grond zijn niet opgenomen in de BRL, maar volgen uit het Handelingskader en zijn opgenomen in voorschrift 1.1.1. van de omgevingsvergunning. Het college heeft in voorschrift 1.1.8 terecht bepaald dat daarbij clustering/vermenging alleen plaats mag vinden indien sprake is van gelijkaardige met PFAS verontreinigde grondstromen. Eiseres verzet zich ook niet tegen dit voorschrift. Dit zijn voorschriften met het oog een doelmatig beheer van afvalstoffen. 6.16. Voorschriften 1.1.3 en 1.1.9 bevatten echter verdergaande beperkingen aan het clusteren en mengen van afvalstoffen door te bepalen dat een “afzonderlijke partij’’ wordt gedefinieerd, als een partij afkomstig van hetzelfde saneringsproject/dezelfde saneringslocatie met dezelfde PFAS-verontreinigingsgraad. Het voorschrift verbiedt om partijen grond van verschillende saneringslocaties of projecten te clusteren en gezamenlijk te reinigen en verbiedt tevens om partijen grond van dezelfde saneringslocatie maar met een verschillende PFAS-verontreinigingsgraad, geclusterd en gezamenlijk te reinigen. De rechtbank is van oordeel dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom een noodzaak bestaat voor deze verderstrekkende beperkingen en waarom niet kan worden volstaan met voorschrift 1.1.8. De motivering dat bij het clusteren (lees: mixen en vermengen) in een samengestelde partij grond een specifieke PFAS-verontreiniging van een afzonderlijke partij kan worden vermengd/gemixt met een partij met een andere specifieke PFAS-verontreiniging - bijvoorbeeld een partij grond met een PFOS verontreiniging en een partij grond met een PFOA verontreiniging - of kan worden verdund in een andere partij, volstaat niet. In de eerste plaats kan een dergelijke vermenging al plaatsvinden binnen dezelfde partij. Eiseres heeft in dat kader onweersproken aangegeven dat een partij grond van een saneringslocatie verschillende PFAS-soorten kan bevatten (binnen de acceptatiegrenswaarden van voorschrift 1.1.1. van het bestreden besluit). Als in een partij grond van één saneringslocatie verschillende soorten PFAS kunnen zitten, dan heeft dus al vermenging plaatsgevonden. In de tweede plaats kan een vermenging ook plaatsvinden bij een opvolgende reiniging van diverse partijen grond, doordat resten van een PFAS-soort achterblijven in het waswater en vermengd raken met de daaropvolgende gereinigde partij grond. Voorschrift 1.1.9 verzet zich niet tegen een opvolgende reiniging van partijen grond in de ERI met hetzelfde koolstoffilter. Tot slot kan vermenging of verdunning achteraf plaatsvinden, bij toepassing van de gereinigde grond. In de omgevingsvergunning kunnen geen voorschriften worden opgenomen over de toepassing van de gereinigde grond buiten de inrichting. Het college heeft niet gesteld of onderbouw Uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2026. griffier voorzitter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. BIJLAGE relevante regelgeving Wabo Artikel 2.1, eerste lid Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:[…]e. 1˚ het oprichten,2˚ het veranderen of veranderen van de werking of3˚ het in werking hebbenvan een inrichting of mijnbouwwerk,[…] Artikel 2.14 1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e: a.betrekt het bevoegd gezag bij de beslissing op de aanvraag in ieder geval: 1°.de bestaande toestand van het milieu, voor zover de inrichting of het mijnbouwwerk daarvoor gevolgen kan veroorzaken; 2°.de gevolgen voor het milieu, mede in hun onderlinge samenhang bezien, die de inrichting of het mijnbouwwerk kan veroorzaken, mede gezien de technische kenmerken en de geografische ligging daarvan; 3°.de met betrekking tot de inrichting of het mijnbouwwerk en het gebied waar de inrichting of het mijnbouwwerk zal zijn of is gelegen, redelijkerwijs te verwachten ontwikkelingen die van belang zijn met het oog op de bescherming van het milieu; 4°.de voor het einde van de in artikel 3:16 van de Algemene wet bestuursrecht bedoelde termijn of de krachtens artikel 3.12, zesde lid, aangegeven termijn ingebrachte adviezen en zienswijzen; 5°.de mogelijkheden tot bescherming van het milieu, door de nadelige gevolgen voor het milieu, die de inrichting of het mijnbouwwerk kan veroorzaken, te voorkomen, of zoveel mogelijk te beperken, voor zover zij niet kunnen worden voorkomen; 6°.het systeem van met elkaar samenhangende technische, administratieve en organisatorische maatregelen om de gevolgen die de inrichting of het mijnbouwwerk voor het milieu veroorzaakt, te monitoren, te beheersen en, voor zover het nadelige gevolgen betreft, te verminderen, dat degene die de inrichting of het mijnbouwwerk drijft, met betrekking tot de inrichting of het mijnbouwwerk toepast, alsmede het milieubeleid dat hij met betrekking tot de inrichting of het mijnbouwwerk voert; b.houdt het bevoegd gezag bij die beslissing in ieder geval rekening met: 1°.het voor hem geldende milieubeleidsplan; 2°.het bepaalde in de artikelen 10.14 en 10.29a van de Wet milieubeheer; 3°.de voor de onderdelen van het milieu, waarvoor de inrichting of het mijnbouwwerk gevolgen kan hebben, geldende richtwaarden, voor zover de verplichting tot het rekening houden daarmee is vastgelegd krachtens of overeenkomstig artikel 5.2 of 5.17 van de Wet milieubeheer; c.neemt het bevoegd gezag bij die beslissing in ieder geval in acht: 1°.dat in de inrichting of het mijnbouwwerk ten minste de voor de inrichting of het mijnbouwwerk in aanmerking komende beste beschikbare technieken moeten worden toegepast; 2°.de voor de onderdelen van het milieu, waarvoor de inrichting of het mijnbouwwerk gevolgen kan hebben, geldende grenswaarden, voor zover de verplichting tot het in acht nemen daarvan is vastgelegd krachtens of overeenkomstig artikel 5.2 van de Wet milieubeheer, is vastgelegd in of krachtens artikel 5.16 van die wet, dan wel voor zover het inrichtingen betreft voortvloeit uit de artikelen 40, 44 tot en met 47, 50, 51, 53 tot en met 56, 59 tot en met 61, 63, tweede lid, 64, 65 of 66 van de Wet geluidhinder; 3°.in afwijk