Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant
2025-02-11
ECLI:NL:RBOBR:2025:811
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,584 tokens
Inleiding
beschikking
RECHTBANK OOST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer : C/01/407995 / FA RK 24-3593
Uitspraak : 11 februari 2025
Beschikking betreffende vervangende toestemming vaccinatie, vakantie en identiteitsbewijs in de zaak van
[de moeder] ,
wonende op [adres] ,
advocaat: mr. M.W.F. van Wijk,
tegen
[de vader] ,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat: mr. J.W. Weehuizen,
partijen, ook wel aan te duiden als respectievelijk de moeder en de vader of gezamenlijk als de ouders,
over
[de minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] .
Procesverloop
De rechtbank heeft kennisgenomen van:
het verzoekschrift van de moeder, ontvangen ter griffie op 4 september 2024;
het aanvullend verzoekschrift van de moeder, ontvangen ter griffie op 31 januari 2025;
- de correspondentie, waaronder met name:
een F9-formulier met bijlagen van mr. Van Wijk van 11 september 2024;
een e-mailbericht van mr. Van Wijk met bijlage van 17 oktober 2024.
Als informant wordt aangemerkt:
de STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT, statutair gevestigd te Eindhoven, vestiging ’s-Hertogenbosch, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI).
In zijn adviserende rol is in de procedure betrokken:
de RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, locatie ’s-Hertogenbosch,
hierna te noemen: de raad.
De zaak is behandeld ter zitting van 4 februari 2025. Verschenen zijn de ouders met hun advocaten, [vertegenwoordigster jeugdbescerming] (jeugdbeschermer) en [vertegenwoordigster GI] , namens de GI, [vertegenwoordigster raad] , namens de raad en [de piketmediator] als piketmediator.
Feiten
Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Uit de inmiddels verbroken relatie is [de minderjarige] geboren.
De vader heeft [de minderjarige] erkend.
De ouders hebben gezamenlijk het gezag over [de minderjarige] .
[de minderjarige] heeft haar hoofdverblijf bij de moeder.
Bij beschikking van deze rechtbank van 19 oktober 2021 is [de minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI. De ondertoezichtstelling is nadien steeds verlengd, voor het laatst bij beschikking van 10 oktober 2024. Bij de hiervoor genoemde beschikking is de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] verlengd met ingang van 19 oktober 2024 voor de duur van zes maanden tot 19 april 2025. De beslissing op het resterende verzoek om de ondertoezichtstelling te verlengen tot 19 oktober 2025, is pro forma aangehouden tot 19 maart 2025.
De verzoeken
De moeder verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat:
- vervangende toestemming wordt verleend aan de moeder voor het vaccineren van [de minderjarige] tegen HPV, althans een voorziening te treffen door de rechtbank in goede justitie te bepalen.
Bij aanvullend verzoek heeft de moeder verzocht:
om te bepalen dat de moeder in de periode van 28 juli 2025 tot en met 15 augustus 2025 met [de minderjarige] mag afreizen naar Kroatië, althans een voorziening te treffen door de rechtbank in goede justitie te bepalen;
om vervangende toestemming te verlenen voor het aanvragen van een identiteitskaart voor [de minderjarige] .
Geschil
Namens de vader wordt aangevoerd dat het aanvullende verzoek onredelijk laat is ingediend en daarom niet op deze zitting behandeld dient te worden. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de verzoeken dusdanig overzichtelijk dat de vader niet in zijn belangen wordt geschaad bij gelijktijdige behandeling van deze verzoeken. Hierbij weegt de rechtbank mee dat de vader al langer bekend is met de feitelijke verzoeken om toestemming en dat over vergelijkbare onderwerpen al eerder door partijen is geprocedeerd.
Vervangende toestemming vaccinatie
De rechtbank zal vervangende toestemming verlenen voor de vaccinatie tegen HPV voor [de minderjarige] . De vaccinatie is al geruime tijd geleden, namelijk in 2010, opgenomen in het Rijksvaccinatieprogramma. Het Rijksvaccinatieprogramma is door de overheid opgesteld om kinderen te beschermen tegen aandoeningen die schadelijk voor hen kunnen zijn. Het uitgangspunt is dat vaccinatie in het belang van de kinderen is.
De vader heeft geen principiële bezwaren aangevoerd tegen de vaccinatie, maar alleen gewezen op het risico op mogelijke bijwerkingen. De vader heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd dat het risico op eventuele bijwerkingen van de vaccinatie opweegt tegen het gevaar om kanker (baarmoederhalskanker, kanker aan de mond- en keelholte, de vagina, schaamlippen en de anus) en genitale wratten te krijgen. De rechtbank merkt op dat de heersende wetenschappelijke leer is dat het Rijksvaccinatieprogramma zonder wezenlijke risico’s kan worden gevolgd en dat het belang deze vaccinaties opweegt tegen de risico’s op eventuele bijwerkingen. Dat hier ook andere opvattingen over bestaan doet voor de rechtbank aan het voorgaande niet af.
De vader heeft verder aangevoerd dat hij van mening is dat [de minderjarige] moet kunnen meebeslissen over deze vaccinatie en dat nog enkele jaren kan worden gewacht met de vaccinatie omdat zij op dit moment geen risico loopt om besmet te raken. De rechtbank is het met de raad en de GI eens dat [de minderjarige] niet moet worden belast met de beslissing om al dan niet te vaccineren tegen HPV. Dit is een gezagsbeslissing die door de ouders zelf moet worden genomen en wanneer zij daar niet uitkomen aan de rechter kan worden voorgelegd. Zowel de raad als de GI hebben benadrukt dat het voor [de minderjarige] heel belastend is dat de ouders het steeds oneens zijn en dat zij niet in staat zijn om samen beslissingen over haar te nemen. De raad heeft dan ook geadviseerd om het verzoek van de moeder toe te wijzen en aan haar vervangende toestemming te verlenen voor het laten vaccineren van [de minderjarige] . De rechtbank is van oordeel dat het schadelijk is voor [de minderjarige] om haar nog langer in onzekerheid te laten en over enkele jaren te plaatsen tussen twee ouders die ieder een andere visie hebben over deze vaccinatie. Tot slot vindt de rechtbank het argument van de vader dat [de minderjarige] de komende jaren, althans nu, nog geen risico loopt op HPV onvoldoende steekhoudend. De leeftijd voor toediening van het vaccin is juist vervroegd om te voorkomen dat kinderen besmet raken en omdat bewezen is dat het vaccin een langere werkingsduur heeft dan oorspronkelijk werd gedacht.
Nu de rechtbank het - gelet op het voorgaande - niet in het belang acht van [de minderjarige] om zelf op een later moment hierover te beslissen, ziet de rechtbank ook geen reden om de vaccinatie uit te stellen. De rechtbank is van oordeel dat het juist in haar belang is dat het risico op besmetting met HPV wordt geminimaliseerd door tijdige vaccinatie, met een in Nederland geregistreerd vaccin.
Niet uitvoerbaar bij voorraad
De moeder heeft verzocht de beslissing ten aanzien van de vaccinatie uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Namens de vader is aangevoerd dat het onomkeerbare karakter van een vaccinatie hieraan in de weg staat. Hoewel de rechtbank van oordeel is dat het in verband met een goede bescherming van [de minderjarige] tegen HPV in haar belang is om zo spoedig mogelijk te worden gevaccineerd, vindt de rechtbank het recht van de vader op een zinvol hoger beroep hier zwaarder wegen. Gelet op de onomkeerbaarheid van een eenmaal uitgevoerde vaccinatie zal de rechtbank deze beslissing daarom niet uitvoerbaar bij voorraad verklaren.
Vervangende toestemming vakantie
De vader heeft tijdens de mondelinge behandeling bevestigd dat hij het toestemmingsformulier voor de vakantie van [de minderjarige] eerder heeft ontvangen. De vader ontving het formulier blijkens productie 9 op 7 januari 2025 en aan hem is verzocht om het formulier, volgens de vader op 18 januari 2025 en volgens de stukken op 17 januari 2025, getekend aan de moeder te retourneren. Vaststaat dat de moeder het formulier op de datum van de mondelinge behandeling – ruim twee weken na de door haar verzochte uiterste aanleverdatum – nog niet heeft ontvangen. Volgens de vader was hij nog niet toegekomen aan het geven van toestemming, maar zou hij die uiteindelijk, waarschijnlijk, wel hebben gegeven. Daarnaast heeft hij aangegeven op dit moment niet over een geldig legitimatiebewijs te beschikken, anders dan zijn rijbewijs, zodat hij daarvan geen kopie kan overleggen aan de moeder. Verder heeft de vader de rechtbank opnieuw duidelijk gemaakt dat hij er nog altijd moeite mee heeft dat hij niet wordt geïnformeerd over wie er mogelijk nog meer aansluiten bij de vakantie.
De rechtbank betreurt het ten zeerste dat de vader, ondanks het op dat punt zeer heldere vonnis van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 5 juli 2024 (voor de volledigheid wordt verwezen naar rechtsoverweging 4.3), dat als productie 10 is overgelegd, zijn eigen onvervulde behoefte aan informatie nog altijd boven de belangen van [de minderjarige] stelt. De vader laat daarmee zien op dit punt onvoldoende aan te kunnen sluiten bij de behoefte van [de minderjarige] aan duidelijkheid en aan het kunnen wegblijven van de nog immer aanwezige spanningen tussen de ouders. De verklaring van de vader dat hij uiteindelijk waarschijnlijk wel zou hebben ingestemd met de vakantie, vindt de rechtbank onvoldoende betrouwbaar om aan te nemen dat de vader zijn toestemming alsnog zal verlenen. Daar komt bij dat de vader heeft verklaard dat hij op dit moment niet over een geldig legitimatiebewijs beschikt, waardoor hij nu niet in staat zou zijn het formulier met de verzochte bijlage te retourneren aan de moeder. Naar het oordeel van de rechtbank staat hiermee het belang van de moeder bij vervangende toestemming van de rechtbank vast.
Gelet op het voorgaande, en het stelselmatige patroon van het niet geven van toestemming voor vakanties, zal de rechtbank aan de moeder vervangende toestemming verlenen voor de vakantie met [de minderjarige] naar Kroatië in de door de moeder verzochte periode, van 28 juli 2025 tot en met 15 augustus 2025.
Vervangende toestemming identiteitskaart
De moeder heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat zij een tweede legitimatiebewijs voor [de minderjarige] wenst om te voorkomen dat het [de minderjarige] , bij aanvang van een reis naar het buitenland, aan een geldig legitimatiebewijs ontbreekt, bijvoorbeeld wanneer het paspoort dat zij nu heeft kwijt of beschadigd is. De moeder heeft verklaard de kosten daarvan zelf te willen betalen. De vader heeft bevestigd dat hij het toestemmingsformulier van de moeder heeft ontvangen, maar dat hij geen toestemming heeft gegeven omdat er volgens hem geen noodzaak bestaat voor het aanvragen van een identiteitskaart voor [de minderjarige] , nu het paspoort van [de minderjarige] nog geldig is. Indien er toch toestemming wordt verleend voor het aanvragen van een identiteitskaart, zou de vader het redelijk vinden dat de identiteitskaart dan bij de vader in beheer komt.
De rechtbank overweegt als volgt.
Dictum
De rechtbank:
verleent toestemming aan de moeder - welke toestemming die van de vader vervangt - voor vaccinatie tegen HPV van de minderjarige [de minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] , met een in Nederland geregistreerd vaccin;
verleent de moeder vervangende toestemming om met de minderjarige [de minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] , naar Kroatië te reizen in de periode van 28 juli 2025 tot en met 15 augustus 2025;
verleent de moeder vervangende toestemming voor het aanvragen van een identiteitskaart voor de minderjarige [de minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ;
compenseert de proceskosten tussen partijen zo, dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. W.S. Badri, rechter, tevens kinderrechter,
en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier op 11 februari 2025.
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER!
Conc: RHe
Tegen deze beschikking kan, voor zover het een eindbeslissing betreft, -uitsluitend door tussenkomst van een advocaat- hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof 's-Hertogenboscha. door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraakb. door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!