Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant
2025-11-07
ECLI:NL:RBOBR:2025:7212
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Voorlopige voorziening
1,478 tokens
Inleiding
RECHTBANK OOST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 24/2793
uitspraak van de voorzieningenrechter van 7 november 2025 in de zaak tussen
[verzoeker], uit [vestigingsplaats], verzoeker
en
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
, de minister.
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [naam] uit [vestigingsplaats].
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen het besluit van de minister van 27 juni 2024.
1.1.
In het besluit van 27 juni 2024 heeft de minister een besluit genomen op het verzoek om openbaarmaking van informatie over varkenshouderijen uit het Identificatie- en Registratiesysteem over de periode 1 januari 2016 tot en met 2023. De minister heeft besloten om op grond van de Wet open overheid (Woo) de gevraagde openbaar te maken.
1.2.
Verzoeker heeft de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat het besluit van 27 juni 2024 wordt geschorst tot zes weken na de beslissing op het bezwaar.
1.3.
De minister heeft met het besluit van 6 mei 2025 het besluit van 27 juni 2024 ingetrokken, omdat hij van mening is dat de zienswijzenprocedure die eerder had plaatsgevonden ontoereikend was en opnieuw moest worden uitgevoerd.
1.4.
Verzoeker heeft niet gereageerd op de brief van de rechtbank waarin hem wordt gevraagd of hij vanwege de intrekking van het besluit van 27 juni 2024, het verzoek om een voorlopige voorziening wil intrekken.
1.5.
Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.
Beoordeling
2. Voordat de voorzieningenrechter aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek kan toekomen, dient hij te beoordelen of het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ontvankelijk is. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is dit niet het geval.
3. Uit artikel 8:81 van de Awb vloeit voort dat een verzoek om een voorlopige voorziening moet voldoen aan de vereisten van connexiteit. Voor een ontvankelijk verzoek om een voorlopige voorziening is nodig dat tegen een besluit bezwaar is ingediend (de formele connexiteit).
4. Met het verzoekschrift is een brief van 3 juli 2024 meegezonden. In het verzoekschrift schrijft verzoeker dat dit het bezwaarschrift is. Op het bezwaarschrift staat ‘zienswijze’, maar dit moet volgens verzoeker als bezwaarschrift worden aangemerkt.
4.1.
De minister heeft in de reactie van 17 juli 2025 vermeld dat er geen bezwaarschrift van verzoeker is aangetroffen tegen het besluit van 27 juni 2024.
5. De voorzieningenrechter stelt vast de brief van 3 juli 2024 in de kop vermeldt “Zienswijze openbaar maken dieraantallen en stallocaties in Nederland”. In de eerste alinea staat het volgende: “Met deze brief wil ik mijn zienswijze indienen met betrekking tot de openbaarmaking van dieraantallen en stallocaties zoals vermeld in de verzoeken Woo/2024/040 en Woo/2024/073, bekendgemaakt op de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland op 21 juni 2024.”
6. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de brief van 3 juli 2024 niet kan worden aangemerkt als een bezwaarschrift tegen het besluit van 27 juni 2024. In de eerste plaats maken de kop en de hiervoor geciteerde alinea duidelijk dat de brief een zienswijze bevat en dus niet een bezwaarschrift is dat zich tegen een reeds genomen besluit van de minister richt. In de tweede plaats geldt dat de zienswijze van verzoeker zich kennelijk richt tegen het voornemen van de minister van 21 juni 2024 om informatie openbaar te maken naar aanleiding van een tweetal verzoeken om informatie over dieraantallen en stallocaties openbaar te maken. Dit voornemen is gepubliceerd in de Staatscourant en vermeldt de Woo-verzoeken met kenmerken Woo/2024/040 en Woo/2024/073. In het besluit van 27 juni 2024 is echter beslist op het Woo-verzoek met kenmerk Woo/2023/116 waarin wordt gevraagd om openbaarmaking van informatie over varkenshouderijen uit het Identificatie- en Registratiesysteem over de periode 1 januari 2016 tot en met 2023. Ook om die reden kan de brief van 3 juli 2024 niet als een bezwaarschrift tegen het besluit van 27 juni 2024 worden aangemerkt.
7. Gelet op het voorgaande voldoet het verzoek om een voorlopige voorziening niet aan de vereiste connexiteit zoals bedoeld in artikel 8:81 van de Awb.
Conclusie
8. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. van den Munckhof, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.A.L. Verbruggen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 7 november 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Voorheen de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.
Staatscourant 2024, 20038.