Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant
2025-04-24
ECLI:NL:RBOBR:2025:5999
Civiel recht
Bodemzaak
4,350 tokens
Inleiding
RECHTBANK
OOST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Eindhoven
Zaaknummer: 11228351 \ CV EXPL 24-5142
Vonnis van 24 april 2025
in de zaak van
[eiser]
,
te [woonplaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. J. de Haan,
tegen
[gedaagde]
,
te [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. M. van Wensveen (Stichting Achmea Rechtsbijstand).
1De zaak in het kort
In deze zaak gaat het om de koopovereenkomst met betrekking tot een paard, [A] . [eiser] heeft [A] aan [gedaagde] verkocht voor een bedrag van € 6.000,00. De afspraak was dat de koopprijs in delen zou worden voldaan. [gedaagde] heeft € 2.750,00 betaald. [eiser] vordert in deze procedure betaling van het resterende bedrag van € 3.250,00. [gedaagde] wil niet betalen omdat de koopovereenkomst volgens haar tot stand is gekomen onder invloed van bedrog of dwaling. [A] bleek gedragsproblemen te hebben die vooraf niet waren gemeld. [gedaagde] heeft niet geleverd gekregen wat zij mocht verwachten. [gedaagde] heeft daarom een tegenvordering ingesteld. Zij vordert vernietiging van de koopovereenkomst en terugbetaling van wat zij al van de koopprijs heeft betaald. Als dat niet kan worden toegewezen vordert zij ontbinding van de koopovereenkomst, ook met terugbetaling van het betaalde deel van de koopprijs. De rechtbank wijst de vordering van [eiser] toe en de vordering van [gedaagde] af. De kantonrechter zal hierna uitleggen hoe zij tot dat oordeel komt.
Procesverloop
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding,- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie,- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- de conclusie van antwoord in reconventie,- de mondelinge behandeling van 25 februari 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
3.1.
[eiser] heeft een paard, [A] , te koop aangeboden op Facebook. [A] was eigendom van [B] en werd bereden door [eiser] . [B] wilde [A] verkopen en heeft met [eiser] afgesproken dat zij de verkoop zou regelen en de opbrengst mocht houden.
3.2.
[gedaagde] heeft op de advertentie gereageerd, waarna er een uitgebreide berichtenwisseling tussen [eiser] en [gedaagde] is geweest.
3.3.
[eiser] en [gedaagde] hebben een koopovereenkomst gesloten en op 7 december 2022 is [A] opgehaald door [gedaagde] . De koopprijs was € 6.000,00, te betalen in termijnen. In december 2022 zou € 750,00 worden betaald, in februari 2023 € 2.000,00 en uiterlijk in augustus 2023 het restant van € 3.250,00.
3.4.
[gedaagde] heeft € 2.750,00 betaald. [eiser] heeft meerdere keren om betaling van het restant gevraagd. Op 11 augustus 2023 heeft [gedaagde] aan [eiser] laten weten dat ze erachter is gekomen dat niet [eiser] maar [B] eigenaar was van [A] . [B] heeft haar laten weten dat [A] verkocht had moeten worden als projectpaard. [gedaagde] schrijft dat zij aan haar betalingsverplichting heeft voldaan: zij heeft de waarde van [A] als projectpaard betaald aan [eiser] .
3.5.
Bij brief van 1 september 2023 heeft [eiser] [gedaagde] in gebreke gesteld. Bij brief van 6 maart 2024 heeft de advocaat van [eiser] [gedaagde] gesommeerd tot betaling van het restant over te gaan. De gemachtigde van [gedaagde] heeft daarop gereageerd bij brief van 27 maart 2024. Zij stelt een prijsvermindering voor tot het bedrag dat al betaald is. [eiser] heeft daar niet mee ingestemd.
3.6.
[A] is inmiddels overleden.
Geschil
in conventie en in reconventie
4.1.
[eiser] vordert – samengevat – veroordeling van [gedaagde] tot betaling van een bedrag van € 3.250,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 september 2023, en veroordeling in de kosten van de procedure. Volgens [eiser] moet [gedaagde] de koopovereenkomst nakomen.
4.2.
[gedaagde] voert verweer. De vordering van [eiser] moet op de eerste plaats worden afgewezen omdat sprake is van bedrog en/of dwaling. Volgens [gedaagde] heeft [eiser] doelbewust verzwegen dat niet zijzelf, maar [B] de echte eigenaar was van [A] . Ook heeft [eiser] opzettelijk verzwegen dat [A] gevaarlijk steigergedrag vertoonde. Bovendien beschouwde [B] [A] als een projectpaard dat ten tijde van de verkoop maximaal € 1.500,00 waard zou zijn. Op de tweede plaats voldeed [A] vanwege het steigergedrag niet aan de koopovereenkomst. [gedaagde] beroept zich op ontbinding wegens non-conformiteit.
4.3.
[gedaagde] heeft een tegenvordering ingesteld, die voortbouwt op haar verweer tegen de vordering van [eiser] . [gedaagde] vordert – samengevat – dat de kantonrechter:
- primair de overeenkomst vernietigt en [eiser] veroordeelt tot terugbetaling van het betaalde bedrag van € 2.750,00, met bepaling dat [gedaagde] geen uitkering in geld verschuldigd is aan [eiser] , althans slechts een bedrag van maximaal € 1.500,00, althans een door de kantonrechter te bepalen bedrag,
- subsidiair de overeenkomst ontbindt en [eiser] veroordeelt tot terugbetaling van het betaalde bedrag van € 2.750,00, met bepaling dat [gedaagde] geen uitkering in geld verschuldigd is aan [eiser] , althans slechts een bedrag van maximaal € 1.500,00, althans een door de kantonrechter te bepalen bedrag,
- meer subsidiair de prijs voor [A] vermindert tot het bedrag van € 1.500,00, althans een door de kantonrechter te bepalen bedrag, met bepaling dat [eiser] al het meerdere dat zij reeds heeft ontvangen aan [gedaagde] moet terugbetalen, vermeerderd met wettelijke rente,
- [gedaagde] veroordeelt in de kosten van de procedure.
4.4.
Voor een geslaagd beroep op bedrog is noodzakelijk dat [gedaagde] ofwel door (een) opzettelijk onjuiste mededeling(en) door [eiser] , ofwel doordat [eiser] opzettelijk een (of meer) feit(en) heeft verzwegen dat/die zij had moeten meedelen, is bewogen de overeenkomst onder de huidige voorwaarden te sluiten. Volgens [eiser] gaat het in dit geval om verzwijging.
4.5.
Het klopt dat [eiser] voor het sluiten van de overeenkomst niet heeft gezegd dat niet zij, maar [B] eigenaar was van [A] . De kantonrechter is van oordeel dat dit geen feit is dat [eiser] aan [gedaagde] had moeten meedelen. Dat [eiser] niet de eigenaar was van [A] heeft er immers niet aan in de weg gestaan dat [A] aan [gedaagde] is geleverd en [gedaagde] dus eigenaar is geworden. Zonder toelichting valt niet in te zien dat het essentieel was dat [gedaagde] ervan op de hoogte moest worden gesteld dat niet [eiser] maar [B] eigenaar was van [A] . Bovendien blijkt uit niets dat [eiser] dit bewust heeft verzwegen om [gedaagde] ertoe te bewegen de koopovereenkomst te sluiten. [gedaagde] stelt dat wel, maar dat is niet met feiten onderbouwd.
4.6.
Met betrekking tot het steigergedrag stelt [gedaagde] dat [eiser] heeft verzwegen dat zij een ernstig incident met [A] had ervaren waardoor zij met de ambulance opgehaald moest worden. [eiser] wist of had moeten weten dat zij verplicht was dit mee te delen. Zeker omdat zij wist dat [gedaagde] haar 15-jarige dochter op [A] wilde laten rijden. [eiser] wist ook dat [B] [A] als een projectpaard beschouwde en het voor een lage prijs wilde verkopen.
4.7.
De kantonrechter overweegt het volgende. Vaststaat dat zich een incident heeft voorgedaan met [A] , waarbij [eiser] letsel (kneuzingen) heeft opgelopen en een ambulance is gekomen. Het gedrag van [A] is ook de reden geweest dat [eiser] niet meer op [A] wilde rijden – onder meer omdat ze het gevaarlijk vond worden, zo schrijft ze zelf aan [B] – en [B] tot verkoop van [A] heeft besloten. [eiser] schrijft ook aan [B] dat [A] op dat moment heel veel steigert. In de advertentie waarin [A] te koop werd aangeboden maakt [eiser] daar ook melding van. Ze schrijft dat [A] en zij elkaar niet kunnen bieden wat ze beide nodig hebben. Als iets niet lukt raakt [eiser] gefrustreerd en [A] reageert daarop door onzeker te worden, wat kan leiden tot staken of steigeren. In de contacten met [gedaagde] voorafgaand aan het sluiten van de koopovereenkomst maakt [eiser] ook melding van het steigergedrag van [A] . Zij wijt het aan de combinatie van haarzelf met [A] . Ze schrijft dat wanneer [A] door een vriendin wordt bereden en door een ander wordt getraind, het beter gaat, zonder steigergedrag (zie bericht van 9 november 2022). Hieruit blijkt dat [eiser] er geen geheim van heeft gemaakt dat [A] steigergedrag vertoonde. Daarnaast heeft [eiser] tijdens de mondelinge behandeling onweersproken aangevoerd dat [A] ook heeft gesteigerd tijdens de bezichtiging van [gedaagde] . [gedaagde] heeft dat gedrag van [A] dus ook zelf waargenomen.
4.8.
Voor [gedaagde] draait het kennelijk vooral om het feit dat het een incident is geweest waarbij een ambulance moest komen, waar [eiser] niets over heeft gezegd. [eiser] heeft over dat incident tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat zij de ambulance zelf heeft gebeld, maar dat het geen noodgeval was. Bij paarden is men gewoon voorzichtig omdat er sprake kan zijn van ernstig letsel. De ambulance is gewoon voor de zekerheid gekomen, er was verder niet veel aan de hand. Dit heeft [gedaagde] niet betwist. De kantonrechter kan op basis van het voorgaande daarom niet tot de conclusie komen dat het feit dat er een ambulance was gebeld na een incident met [A] , iets is dat meegedeeld had moeten worden.
4.9.
De verklaring van [B] die [gedaagde] heeft overgelegd, waarin zij verklaart dat overeengekomen was dat [A] als projectpaard verkocht zou worden voor een bedrag van maximaal € 1.500,00, leidt niet tot de conclusie dat er sprake was van een feit met betrekking tot het gedrag van [A] dat aan [gedaagde] had moeten worden meegedeeld. Die verklaring komt namelijk niet overeen met de berichtenwisseling tussen [eiser] en [B] over de verkoop van [A] . [B] heeft de verkoop geheel overgelaten aan [eiser] , die de koopprijs zelf mocht bepalen en helemaal zelf mocht houden als tegenprestatie voor onder andere stallingskosten. In de overgelegde berichten is geen maximumprijs genoemd. Uit niets blijkt dat [eiser] gehouden was om [A] ook als projectpaard te verkopen. Dan zou er een duidelijke instructie moeten zijn geweest van [B] , maar die is er niet. De enkele opmerking van [B] in een bericht aan [eiser] dat er misschien iemand is die zin heeft in een projectpaard, is daarvoor onvoldoende.
4.10.
De kantonrechter is op grond van het bovenstaande van oordeel dat [eiser] geen feiten heeft verzwegen die zij had moeten meedelen. Van bedrog is daarom geen sprake.
4.11.
Met betrekking tot het beroep op dwaling stelt [gedaagde] dat [eiser] niet voldaan heeft aan haar mededelingsplicht. Ter onderbouwing voert [gedaagde] dezelfde feiten en omstandigheden aan als voor het beroep op bedrog. Gelet op het oordeel dat [gedaagde] geen feiten heeft verzwegen die zij had moeten melden, slaagt het beroep op dwaling ook niet.
4.12.
De kantonrechter verwerpt het verweer van [gedaagde] dat [A] niet beantwoordde aan de overeenkomst. Aan dat verweer is ook het gestelde gevaarlijke steigergedrag van [A] ten grondslag gelegd.
Dictum
De kantonrechter
in conventie
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 3.250,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 23 september 2023, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 682,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
in reconventie
5.4.
wijst de vorderingen van [gedaagde] af,
5.5.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 119,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.A.M Janssen en in het openbaar uitgesproken op 24 april 2025.
Geschil
De kantonrechter stelt vast dat pas nadat [eiser] [gedaagde] bij herhaling had aangesproken tot betaling van het resterende bedrag van de koopprijs omdat [gedaagde] de betaling wel steeds toezegde, maar niet over de brug kwam, voor het eerst een beroep is gedaan op het vermeend gevaarlijke steigergedrag van [A] als reden om niet te hoeven betalen. De gestelde non-conformiteit is ook niet te rijmen met de berichten die [eiser] en [gedaagde] naar elkaar hebben gestuurd nadat [A] aan [gedaagde] was geleverd. [eiser] en [gedaagde] hebben nog regelmatig contact gehad, onder meer over de betaling van de koopprijs en over hoe het met [A] gaat. Daaruit blijkt niet van structurele problemen met het gedrag van [A] . Integendeel, uit die berichten blijkt juist dat het goed gaat met [A] , dat ze heel braaf is, kalm en super relaxed (zie bijvoorbeeld berichten van 7, 8 en 21 december 2022 en 26 februari 2023). Pas in een bericht van 19 juni 2023 meldt [gedaagde] dat er drie steigers achter elkaar waren, maar daar blijft het bij. Op 31 juli 2023 schrijft [gedaagde] juist weer dat [A] een goed leven heeft en veel kalmer is geworden. Op 11 augustus 2023 schrijft [gedaagde] dan aan [eiser] dat zij al in het begin dat [A] bij haar was aan [eiser] heeft gemeld dat [A] explosief gedrag vertoonde en dat zij erachter is gekomen dat [A] een projectpaard is. Maar ook in dat bericht staat niets over wat er concreet aan de hand is. Er wordt alleen verwezen naar het ene incident met [eiser] . Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] wel verklaard dat [A] op momenten ineens explosief kon zijn door extreem te staken, te bokken en extreem te steigeren, maar dat is niet met feiten onderbouwd. Uit de overgelegde berichten tussen [eiser] en [gedaagde] blijkt daarvan niets. De conclusie is daarom dat [gedaagde] onvoldoende heeft gesteld voor een beroep op non-conformiteit.
4.13.
De slotsom is dat de vordering van [eiser] in conventie zal worden toegewezen. Wat [gedaagde] als verweer heeft aangevoerd is tevens de grondslag voor de vordering in reconventie. Omdat het verweer in conventie niet slaagt, slaagt ook de grondslag van de vordering in reconventie niet. De vordering in reconventie zal daarom worden afgewezen.
4.14.
[gedaagde] is in de procedure in conventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [eiser] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal [gedaagde] niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- griffierecht
€
87,00
- salaris gemachtigde
€
476,00
(2 punten × € 238,00)
- nakosten
€
119,00
Totaal
€
682,00
4.15.
[gedaagde] is in de procedure in reconventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
119,00
(1 punt × factor 0,5 × € 238,00)
Totaal
€
119,00