Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant
2025-06-24
ECLI:NL:RBOBR:2025:3585
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Voorlopige voorziening
2,521 tokens
Inleiding
RECHTBANK OOST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/668
uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 juni 2025 in de zaak tussen
[verzoekster] , uit [vestigingsplaats] , verzoekster(gemachtigde: mr. H.J. Amsing),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Reusel-De Mierden,
het college
(gemachtigde: mr. S.M.W. Verouden).
Samenvatting
1. Deze uitspraak op een verzoek om een voorlopige voorziening gaat over een last onder dwangsom (de last) die het college aan verzoekster heeft opgelegd om de huisvesting van arbeidsmigranten op het Zwartven, een voormalig recreatiepark in Hooge Mierde te beëindigen. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om de last te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoekster.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 27 februari 2025 heeft het college de last aan verzoekster opgelegd. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 5 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoekster, [naam] namens verzoekster en de gemachtigde van het college.
Feiten
3. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
3.1.
Zwartven is een voormalig recreatiepark in de gemeente Reusel-De Mierden, gelegen tegen de Belgische grens. Op het park dat gelegen is op het perceel kadastraal bekend MDE02, sectie D, nummer 990 worden in recreatiewoningen al vanaf 2011 arbeidsmigranten gehuisvest. De gronden met daarop 42 recreatiewoningen met nummers 14, 16, 17, 18, 19, 20, 21, 22, 23, 24, 25, 26, 27, 28, 29, 30, 31, 32, 33, 34, 35, 36, 37, 38, 39, 40, 50, 51, 52, 53, 54, 55, 57, 59, 61, 63, 65, 67, 68, 69, 71 en 74, verhuurt Recreatiecentrum Zwartven B.V. aan verzoekster ten behoeve van de huisvesting van de arbeidsmigranten. De overige recreatiewoningen op Zwartven zijn eigendom van particulieren. Verzoekster onderverhuurt de betreffende recreatiewoningen weer aan een uitzendbureau.
3.2.
Op 9 februari 2021 heeft [naam] B.V. een principeverzoek ingediend bij het college, wat heeft geleid tot een principebesluit van 6 april 2021, waarin het college heeft besloten om in principe en onder voorwaarden medewerking te verlenen aan de herontwikkeling van Zwartven. Op 27 december 2023 is daartoe een ontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd, waarna de raad van de gemeente Reusel-de Mierden op 4 februari 2025 dit bestemmingsplan genaamd “Herontwikkeling park Zwartven Hoge Mierde”, heeft vastgesteld.
3.3.
In de brief van 23 mei 2024 heeft B.V. Recreatiecentrum Zwartven de huurovereenkomst tegen 1 december 2024 opgezegd en de ontruiming van de woningen tegen 31 december 2024 aangezegd. Verzoekster heeft bij de kantonrechter om ontruimingsbescherming verzocht, om te voorkomen dat de gehuisveste arbeidsmigranten per 31 december 2024 op straat zouden komen te staan. Tijdens de zitting heeft verzoekster toegelicht dat het verzoek is afgewezen, maar dat het vonnis nog niet zal worden betekend.
3.4.
De door de arbeidsmigranten bewoonde recreatiewoningen zijn gelegen binnen het nu nog vigerende bestemmingsplan “Buitengebied 2009” (het bestemmingsplan). Volgens het college is bewoning van de recreatiewoningen door arbeidsmigranten strijdig met het bestemmingsplan, reden waarom het college aan [naam] . en verzoekster een voornemen last onder dwangsom gedateerd 9 januari 2025, heeft toegezonden. Daarbij zijn [naam] . en verzoekster ook in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken een zienswijze in te dienen, waarvan zij op 17 januari 2025 gebruik hebben gemaakt. Omdat de overtreding van het bestemmingsplan vervolgens niet was beëindigd, heeft het college op 27 februari 2024 aan [naam] . en verzoekster afzonderlijk een last opgelegd. Als zij niet aan de last zouden voldoen, zouden zij een dwangsom van € 30.000 (ineens) per recreatiewoning verbeuren indien de overtreding niet binnen zes weken is beëindigd.
Gronden
4. Verzoekster voert aan dat niet handhavend kan worden opgetreden. Volgens verzoekster is geen sprake van een overtreding, omdat wonen volgens het bestemmingsplan “Herontwikkeling park Zwartven Hoge Mierde” is toegestaan. De arbeidsmigranten voeren in elke woning één huishouding en elke andere interpretatie komt niet overeen met de vormen van samenleving in de huidige maatschappij en zou daarom in strijd zijn met het verbod op discriminatie. Verder stelt verzoekster dat er sprake was van concreet zicht op legalisering. De huisvesting van arbeidsmigranten was op grond van het bestemmingsplan “Herontwikkeling park Zwartven Hoge Mierde” toegestaan omdat expliciet de huisvesting van een groep van maximaal vijf personen die geen gezamenlijk huishouden vormt onder de definitie van wonen was gebracht. Het schrappen van die zinsnede is pas in een laat stadium kenbaar geworden. Tot dat moment was er concreet zicht op legalisering. Verzoekster stelt verder dat handhaving om deze reden in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Tot slot stelt verzoekster dat de begunstigingstermijn van zes weken onredelijk kort is voor het opnieuw huisvesten van ruim 300 mensen.
Toewijzen van de voorziening
5. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om de last te schorsen. In dit geval is de voorzieningenrechter van oordeel dat de begunstigingstermijn te kort is. Dat licht zij hieronder toe. Nu alleen daarin al een reden is gelegen om een voorziening toe te kennen, zal de voorzieningenrechter de overige gronden niet bespreken. Het is aan het bestuursorgaan om op grondslag van het bezwaar een heroverweging te maken.
5.1.
Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geldt bij het bepalen van de lengte van de begunstigingstermijn als uitgangspunt dat deze termijn niet wezenlijk langer mag worden gesteld dan noodzakelijk is om de overtreding te kunnen opheffen. Een begunstigingstermijn mag ook niet wezenlijk korter worden gesteld dan noodzakelijk is om de overtreding te kunnen opheffen.
5.2.
Om aan de last te voldoen, moet verzoekster binnen zes weken ruim 300 arbeidsmigranten uit hun woning (laten) zetten. De motivering van het college dat daarbij rekening is gehouden met de “Leidraad dwangsombedragen en begunstigingstermijnen” en dat verzoekster te weinig heeft gedaan om de overtreding te beëindigen, is onvoldoende om de relatief korte begunstigingstermijn van zes weken te dragen. Daarbij weegt de voorzieningenrechter mee dat in gevallen waarbij personen als gevolg van de last onder dwangsom op zoek moeten naar een nieuwe woonruimte doorgaans een langere termijn wordt gehanteerd en dat het college het overzicht van verzoekster met de door haar opgestelde ontruimingsplanning ongemotiveerd terzijde heeft geschoven. Het bezwaar heeft op dat punt dan ook een redelijke kans van slagen. Om te voorkomen dat dwangsommen kunnen worden verbeurd voordat het college het besluit heeft kunnen heroverwegen, zal de voorzieningenrechter het besluit van 27 februari 2025 schorsen tot de beslissing op bezwaar.
Conclusie
6. De voorzieningenrechter schorst het besluit van 27 februari 2025 tot de beslissing op bezwaar. Voor het overige wijst de voorzieningenrechter het verzoek af.
6.1.
Omdat het verzoek van verzoekster wordt toegewezen, krijgt verzoekster een vergoeding van de gemaakte proceskosten. Deze kosten bestaan uit door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en begroot de voorzieningenrechter op € 1.814 (1 punt voor het indienen van het verzoek, 1 punt voor het bijwonen van de zitting). Ook moet het college het door verzoekster betaalde griffierecht vergoeden.
Dictum
De voorzieningenrechter
schorst het besluit van 27 februari 2025 tot de beslissing op bezwaar;
bepaalt dat het college aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht van € 385,- dient te vergoeden;
veroordeelt het college in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 1.814,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Kleijn Hesselink, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.F. Hooghuis, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2025.
De griffier is buiten staat
deze uitspraak te ondertekenen
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 4 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2196.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 26 september 2023, ECLI:NL:RBGEL:2023:5351.