Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant
2025-05-23
ECLI:NL:RBOBR:2025:2945
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Voorlopige voorziening
1,171 tokens
Inleiding
RECHTBANK OOST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/1030
uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 mei 2025 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. K.J.C. van Bekkum),
en
Dienst Toeslagen/ UHT, (voorheen Belastingdienst/Toeslagen), dienst toeslagen.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen dienst toeslagen. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
1.2.
Verzoeker heeft gevraagd om herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag. In een (primair) besluit van 8 juli 2024 heeft de dienst toeslagen de kinderopvangtoeslag (van 2006 tot en met 2009) herbeoordeeld. Verzoeker is het daar niet mee eens en heeft hiertegen op 19 augustus 2024 bezwaar gemaakt. Omdat de dienst toeslagen volgens verzoeker niet op tijd heeft beslist op het bezwaar heeft verzoeker de dienst toeslagen op 9 januari 2025 in gebreke gesteld en vervolgens op 6 februari 2025 beroep (niet tijdig beslissen) ingesteld.
1.3.
De dienst toeslagen heeft gereageerd op het verzoek om een voorlopige voorziening met een verweerschrift.
Beoordeling
2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (terug)betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt.
3. Verzoeker heeft in zijn verzoekschrift gesteld dat het spoedeisend belang gelegen is het feit dat de beslistermijn is overschreden en dat het belang van verzoeker in het kader van de spoedeisendheid zwaarder weegt dan het belang van de dienst toeslagen. Het belang van verzoeker is er immers in gelegen een besluit en een uitspraak te verkrijgen binnen de wettelijke termijn.
4. Hoewel de voorzieningenrechter begrijpt dat verzoeker belang heeft bij een spoedige beslissing van de rechtbank, volgt uit verzoekers toelichting niet dat sprake is van een acute financiële noodsituatie, die het treffen van een voorlopige voorziening noodzakelijk maakt. De conclusie is dat er geen spoedeisend belang is.
5. Omdat de voorzieningenrechter van oordeel is dat verzoeker geen spoedeisend belang heeft, kan de door hem gevraagde voorziening alleen nog worden getroffen als het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door de dienst toeslagen ingenomen standpunt juist is en of het bestreden besluit in de bodemprocedure in stand zal blijven. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter doet deze situatie zich niet voor.
6. Gelet op het bovenstaande bestaat er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening en wordt het verzoek als kennelijk ongegrond afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat evenmin aanleiding.
Conclusie
8. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.O.Y. Elagab, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E.C.M. Boerboom, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.