Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant
2025-05-12
ECLI:NL:RBOBR:2025:2732
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,884 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBOBR:2025:2732 text/xml public 2026-03-30T14:15:02 2025-05-09 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Oost-Brabant 2025-05-12 25/779 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Voorlopige voorziening NL 's-Hertogenbosch Bestuursrecht; Omgevingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2025:2732 text/html public 2026-03-30T14:14:12 2026-03-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBOBR:2025:2732 Rechtbank Oost-Brabant , 12-05-2025 / 25/779 Omgevingsvergunning voor slopen van opstallen. Opheffen gedeeltelijke schorsing omgevingsvergunning omdat bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft. Fasering in onderzoek naar mogelijke archeologische waarden niet onrechtmatig. Verzoekster heeft niet gemotiveerd waarom archeologische waarden onevenredig zouden worden aangetast. RECHTBANK OOST-BRABANT Zittingsplaats 's-Hertogenbosch Bestuursrecht zaaknummer: SHE 25/779 uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 mei 2025 in de zaak tussen [verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster (gemachtigde: [naam] ), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Best, het college (gemachtigde: [naam] ). Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [naam] uit [woonplaats] (vergunninghouder). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de aan vergunninghouder verleende vergunning voor het uitvoeren van sloopwerkzaamheden aan [adres] (de locatie). Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Zij vreest voor aantasting van de aanwezige archeologische waarden en voor gezondheidsrisico’s als gevolg van bodem-, lucht- en waterverontreiniging. Om te voorkomen dat gebruik wordt gemaakt van de vergunning voordat op het bezwaar is beslist, heeft zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Met de uitspraak van 4 april 2025 heeft de voorzieningenrechter – zonder eerst een zitting te houden – de omgevingsvergunning geschorst voor zover deze betrekking heeft op de sloop van opstallen onder maaiveldpeil en op graafwerkzaamheden en heeft de voorzieningenrechter bepaald dat partijen op een zitting van 29 april 2025 worden gehoord. 1.1. De voorzieningenrechter zal met deze uitspraak de eerder uitgesproken schorsing opheffen, omdat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft. Dat betekent dat de vergunning niet (langer) geschorst is en dat vergunninghouder daar desgewenst gebruik van kan maken. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Procesverloop 2. Vergunninghouder heeft op 11 oktober 2024 een omgevingsvergunning aangevraagd voor het voor het slopen van de bedrijfshallen op de locatie. Met het bestreden besluit van 7 januari 2025 heeft het college de gevraagde vergunning verleend. Aan de vergunning heeft het college voorschriften verbonden. 2.1. De voorzieningenrechter heeft met de uitspraak van 4 april 2025 het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen, omdat niet is uitgesloten dat op zeer korte termijn een onomkeerbare situatie zou ontstaan en er geen gelegenheid was om partijen op deze korte termijn te horen. De voorzieningenrechter heeft het bestreden besluit, voor zover de omgevingsvergunning betrekking heeft op de sloop van opstallen onder maaiveldpeil en op graafwerkzaamheden, geschorst en bepaald dat partijen worden opgeroepen om op 29 april 2025 op een zitting te verschijnen om te beoordelen of deze voorlopige voorziening moet worden opgeheven of gewijzigd. 2.2. Verzoekster heeft aanvullende stukken ingediend. 2.3. Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. 2.4. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 29 april 2025 op zitting behandeld. Hierbij waren namens verzoekster [naam] en [naam] aanwezig. Gemachtigde [naam] heeft met behulp van een beeldverbinding aan de zitting deelgenomen. Namens het college was de gemachtigde aanwezig, vergezeld door [naam] , [naam] en [naam] . Ook de vergunninghouder is verschenen, tezamen met [naam] namens [bedrijf] (huidige eigenaar van de gronden op de locatie). Beoordeling door de voorzieningenrechter Feiten en omstandigheden 3. Op de locatie was een verf- en coatingfabriek in bedrijf, waarvan de bedrijfsactiviteiten inmiddels beëindigd zijn. Op de locatie is nu woningbouw beoogd. Percelen op de locatie zijn ten behoeve daarvan aan [bedrijf] verkocht. Alvorens aan de slag kan worden gegaan met woningbouw, moeten de bedrijfshallen, inclusief funderingen, gesloopt worden. Toetsingskader 4. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet (Ow) in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet heeft elke gemeente, op grond van artikel 22.1, aanhef en onder a, van de Ow in samenhang gelezen met artikel 4.6, eerste lid, aanhef en onder g, van de Invoeringswet Omgevingswet, direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Dat omgevingsplan bestaat voor nu uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden alsook de bestemmingsplannen die na 2024 zijn vastgesteld, maar waarvan het ontwerp vóór de inwerkingtreden van de Ow ter inzage is gelegd. Op de locatie waren vóór 1 januari 2024 het bestemmingsplan “Salderes 2010” (het bestemmingsplan) en het latere parapluplan “Parkeernormen en Archeologie” (het parapluplan) van kracht. Deze plannen maken daarom nu onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente. Op grond van het parapluplan rust op een deel van de locatie de bestemming “Waarde – Archeologie 4” (gebied met een hoge archeologische verwachting) en op een deel van de locatie de bestemming “Waarde – Archeologie 5” (gebied met een middelhoge archeologische verwachting). Binnen deze bestemmingen is een sloopvergunningenstelsel opgenomen met als doel de mogelijke archeologische waarden te beschermen. Op grond van de artikelen 6.6.1 en 7.6.1 van de planregels geldt in dit geval een verbod om aanwezige bouwwerken zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning te slopen. Omdat in (het tijdelijk deel van) het omgevingsplan een sloopvergunningstelsel is opgenomen, is de voorgenomen activiteit vergunningplichtig op grond van artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet. Het college kan op grond van de artikelen 6.6.3 en 7.6.3 van de planregels voor de voorgenomen sloopactiviteit een omgevingsvergunning verlenen met dien verstande dat de omgevingsvergunning moet worden geweigerd indien sloop onevenredige aantasting van de archeologische waarden tot gevolg heeft. Is sprake van een spoedeisend belang? 5. Het college heeft desgevraagd aangegeven dat vergunninghouder niet bereid is om te wachten met het uitvoeren van de vergunde (sloop)werkzaamheden, maar stelt in het verweerschrift dat desondanks geen sprake is van een spoedeisend belang. Uit de vergunning blijkt namelijk dat, onder de daarin opgenomen voorschriften, geen onevenredige aantasting van de archeologische waarden plaats mag vinden. De sloopvergunning ontslaat de vergunninghouder ook niet van de verplichting om mogelijke andere publiekrechtelijke toestemmingen te verkrijgen voordat met de sloop verder wordt gegaan. Volgens het college is daarom geen sprake van vrees voor onomkeerbare gevolgen. 5.1. Omdat vergunninghouder niet wil wachten met het uitvoeren van de werkzaamheden tot op het bezwaar is beslist, komt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat sprake is van een spoedeisend belang. Is verzoekster belanghebbende op grond van haar statuten? 6. Het college heeft in het verweerschrift en tijdens de zitting vraagtekens gezet bij het (statutair) belang van verzoekster. De naam van de stichting is ‘ [naam] ’, waaruit volgens het college lijkt voort te vloeien dat de stichting zich (alleen) verzet tegen hoogbouw in de omgeving. Hoogbouw wordt niet mogelijk gemaakt met onderhavige omgevingsvergunning. 6.1. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter omvat het statutaire doel van verzoekster (mede) het belang waarvoor zij in deze procedure opkomt.
Volledig
De stichting heeft blijkens haar statuten, voor zover relevant, als doel het ontwikkelen, stimuleren en organiseren van en het deelnemen aan activiteiten die betrekking hebben op de ruimtelijke ordening, leefbaarheid, het woonklimaat en het behouden van het dorps(e) karakter en het welzijn van de bewoners in de wijk welke wordt begrensd door [straat] , [straat] en de [straat] in de gemeente [plaats] . Het uitvoeren van graaf- en sloopwerkzaamheden, waarbij mogelijk aantasting van archeologische waarden plaats kan vinden, valt naar het oordeel van de voorzieningenrechter onder dit (breed) omschreven doel. Bovendien ligt de locatie binnen het in de statuten opgenomen geografisch gebied. Omvang van het geding 7. De voorzieningenrechter stelt voorop dat het bestreden besluit een omgevingsvergunning is die (alleen) ziet op het toestaan van sloopactiviteiten in het kader van de artikelen 6 en 7 van het parapluplan. Dat sloopvergunningstelsel is opgezet ten behoeve van het behoud van (mogelijk) aanwezige archeologische waarden. Het voorgaande betekent dat de regels die zijn gesteld in het kader van onder meer bodembescherming en bescherming van de volksgezondheid, waar verzoekster een beroep op doet, geen onderdeel van het toetsingskader zijn. Het college heeft namelijk alleen een vergunning verleend in het kader van de mogelijk aanwezige archeologische waarden en beoordeeld of sprake is van een onevenredige aantasting daarvan. De voorzieningenrechter merkt daarbij op dat met de inwerkingtreding van de Ow de regeling voor de onlosmakelijke samenhang tussen activiteiten is komen te vervallen en dat het college in het bestreden besluit expliciet heeft opgenomen dat de vergunning is verleend in het kader van de archeologische waarden en dat de vergunninghouder mogelijk nog andere toestemmingen moet vragen. De mogelijke aanwezigheid van verontreinigingen in de bodem, de eventuele noodzaak van sanering en de wijze waarop deze saneringen moeten worden uitgevoerd, betreffen aspecten die zijn geregeld in afzonderlijke wetgeving met eigen procedures. Die procedures staan nu niet ter beoordeling. Wat verzoekster heeft aangevoerd over mogelijke bodem-, lucht- en waterverontreiniging, gezondheidsrisico’s en gevaarlijke stoffen, waaronder asbest en PFAS, zal de voorzieningenrechter gelet op het hiervoor omschreven toetsingskader daarom buiten beschouwing laten. Archeologische waarden 8. Verzoekster verzet zich ertegen dat al een omgevingsvergunning voor het slopen is verleend zonder dat er een eindrapport is met betrekking tot het proefsleuvenonderzoek. Er is nagelaten te eisen dat vergunninghouder een archeologisch onderzoek moet doen voorafgaand aan vergunningverlening. Door nu al voorschriften te verbinden aan een toekomstige ‘aanvraag’, rekt het college de vergunning volgens verzoekster op. Volgens verzoekster wordt door deze werkwijze, waarbij al wordt voorgesorteerd op vervolgonderzoeken, gehandeld in strijd met het beginsel van fair play en het rechtszekerheid- en zorgvuldigheidsbeginsel. Verzoekster betoogt verder dat, voor zover dat eindrapport alsnog aangeleverd zou worden, nog steeds onvoldoende onderzoek heeft plaatsgevonden omdat de eerdere veldonderzoeken alleen betrekking hebben op het onderzoeksgebied fase 1, en niet ook op fase 2. Dat klemt temeer nu fase 2 juist het gebied is waar sloop- en graafwerkzaamheden zullen plaatsvinden. Verzoekster wijst er daarbij op dat in fase 1 sporen zijn gevonden die afkomstig lijken uit de Late Middeleeuwen – Nieuwe Tijd en uit de Bronstijd – Vroege Middeleeuwen. 8.1. De voorzieningenrechter ziet in wat verzoekster aanvoert geen aanleiding het bestreden besluit onrechtmatig te achten. De enkele omstandigheid dat sprake is van ‘fasering’, dus dat eerst de vergunning wordt verleend en daarna nog (eind)rapporten moeten worden opgesteld, maakt het besluit niet onrechtmatig. Met het slopen boven maaiveldpeil zal geen aantasting van (eventueel) aanwezige archeologische waarden plaatsvinden. Tegen de uitvoeringsbesluiten (beoordelingen van de vervolgonderzoeken) staat weliswaar geen rechtsbescherming open, maar dat staat wel open tegen onderhavig besluit. In het kader van deze procedure heeft verzoekster echter niet gemotiveerd aangegeven waarom de archeologische waarden onevenredig zouden worden aangetast. 8.2. Dat (nog) geen onderzoek naar fase 2 is gedaan, maakt het besluit evenmin onrechtmatig. Daargelaten dat de bebouwing eerst moet worden verwijderd voordat onderzoek naar de waarden in de grond kan worden gedaan, ziet de voorzieningenrechter niet in waarom het voorlopig ontbreken van een veldonderzoek tot de conclusie zou moeten leiden dat de vergunning onrechtmatig is. Er worden namelijk nog onderzoeken gedaan, die aan vastgestelde eisen moeten voldoen en die worden gecontroleerd door toezichthouders van de omgevingsdienst. Pas als dat is gebeurd, mag daadwerkelijk worden gegraven ten behoeve van de sloop. De voorzieningenrechter merkt daarbij op dat partijen in feite ook hetzelfde doel beogen, namelijk het beschermen van de (mogelijk) aanwezig archeologische waarden. Met de ‘fasering’ kan het college juist de vinger aan de pols houden door een deskundige bij het onderzoek aanwezig te laten zijn of op andere wijze in sloopbegeleiding te voorzien. Toezicht op naleving van de vergunning 9. Verzoekster stelt verder dat het voor omwonenden niet mogelijk is om te controleren of aan de vergunning(voorschriften) wordt gehouden, omdat de werkzaamheden buiten hun zicht plaatsvinden. 9.1. De voorzieningenrechter ziet hierin geen aanleiding het bestreden besluit onrechtmatig te achten. Op grond van de vergunningvoorschriften moet het archeologisch onderzoek worden uitgevoerd door een deskundige op het gebied van de archeologische monumentenzorg en houdt de omgevingsdienst toezicht op de kwaliteit van het onderzoek. De vergunningvoorschriften bevatten ook andere bepalingen over het toezicht door het bevoegd gezag. Het is niet de taak van omwonenden om toezicht uit te oefenen. Deze bezwaargrond kan daarom niet slagen. Conclusie en gevolgen 10. De voorzieningenrechter komt tot de conclusie dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft. Zij zal daarom de met de uitspraak van 4 april 2025 getroffen voorlopige voorziening opheffen en zij zal het verzoek om voorlopige voorziening alsnog afwijzen. Dat betekent dat de omgevingsvergunning niet langer geschorst is en dat vergunninghouder daar desgewenst gebruik van kan maken. Vergunninghouder zal zich aan de in de vergunning opgenomen voorschriften moeten houden. 10.1. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening op zal heffen, ziet zij geen aanleiding het college te veroordelen tot vergoeding van het griffierecht. Voor een proceskostenveroordeling bestaat evenmin aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter: heft de met de uitspraak van 4 april 2025 getroffen voorlopige voorziening op; wijst het ingediende verzoek om voorlopige voorziening alsnog af. Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J. Hutten, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J. Oosterveer, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2025. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Zie ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 26 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:787.