Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant
2025-04-23
ECLI:NL:RBOBR:2025:2408
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,054 tokens
Inleiding
RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 24/4390
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 april 2025 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser,
en
de heffingsambtenaar van de gemeente 's-Hertogenbosch, de heffingsambtenaar
(gemachtigde: mr. R.A.M.T. Klaassen).
Procesverloop
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de hoogte van een legesaanslag.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft aan eiser, met dagtekening 21 november 2024, een aanslag leges tot een bedrag van € 1.006 opgelegd. Deze aanslag is opgelegd voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een omgevingsvergunning.
1.2.
Bij uitspraak op bezwaar van 6 december 2024 heeft de heffingsambtenaar deze aanslag gehandhaafd (de bestreden uitspraak).
1.3.
Eiser heeft tegen de bestreden uitspraak beroep ingesteld.
1.4.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 10 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van de heffingsambtenaar.
1.6.
Eiser is niet verschenen. De griffier heeft gecontroleerd op welke wijze de uitnodiging voor de zitting is verstuurd. De brief is aangetekend verzonden. Uit de track & trace-gegevens van PostNL blijkt dat de brief op 25 maart 2025 om 12:36 uur is afgehaald bij een PostNL-punt in [woonplaats]. De rechtbank gaat er daarom van uit dat eiser de brief heeft ontvangen. Eiser heeft niet laten weten dat hij op de datum van de zitting verhinderd is en hij heeft ook niet om uitstel van de zitting verzocht.
Feiten
2.1.
Eiser heeft op 21 juni 2023 op grond van de Wabo een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van een agrarische loods en het aanleggen van een kuilplaat op de locatie [adres] te [woonplaats]. Op 16 mei 2024 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente ‘s-Hertogenbosch (hierna: het college van burgemeester en wethouders) de aangevraagde vergunning geweigerd.
2.2.
De heffingsambtenaar heeft voor het in behandeling nemen van die aanvraag, overeenkomstig de bij de Verordening op de heffing en de invordering van leges 2023 van de gemeente ‘s-Hertogenbosch (de Legesverordening 2023), en de daarbij behorende Tarieventabel 2023, leges opgelegd tot een bedrag van in totaal € 1.006. De opgelegde leges zijn samengesteld uit een bedrag leges voor het bouwen van een agrarische loods en het aanleggen van een kuilplaat (hierna: de bouwleges) ter hoogte van € 1.680, vermeerderd met een bedrag aan leges van € 332 in verband met de strijdigheid van de aanvraag met het bestemmingsplan, en daarmee in totaal € 2.012. Vanwege de weigering van de vergunning zijn beide bedragen met 50% verlaagd. Aan eiser is daarom op 21 november 2024 een aanslag leges (aanslagnummer 310014811) opgelegd, zoals is vermeld in het Procesverloop.
Beoordeling
3. Uit vaste rechtspraak volgt dat de rechtbank zelfstandig (ambtshalve) moet vaststellen of de toepasselijke regelingen op de juiste wijze bekend zijn gemaakt. De rechtbank komt tot de conclusie dat de Legesverordening 2023 en de bijbehorende Tarieventabel 2023 en de daarin opgenomen bijlage en maatstaven, op de voorgeschreven wijze bekend zijn gemaakt, zodat ze in ieder geval in zoverre verbindend zijn. De bekendmaking is ook niet bestreden door eiser.
4. De toepasselijke regelgeving voor deze zaak luidt als volgt.
Op grond van artikel 229, eerste lid, aanhef en onder b, van de Gemeentewet kunnen rechten worden geheven ter zake van door het gemeentebestuur verstrekte diensten.
Op grond van artikel 2, aanhef en onder a, van de Legesverordening 2023 worden onder de naam 'leges' rechten geheven voor het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten, zoals genoemd in de Legesverordening 2023 en de daarbij behorende tarieventabel 2023.
Op grond van artikel 5, eerste lid, van de Legesverordening 2023, worden de leges geheven naar de maatstaven en tarieven, opgenomen in de bij deze verordening behorende Tarieventabel 2023 met de daarbij behorende bijlage (ROEB-lijst), met inachtneming van het overigens in dit artikel bepaalde.
Op grond van artikel 2.1 van de Tarieventabel 2023 wordt, voor zover van belang voor deze zaak omdat sprake is van een bouwwerk dat niet (volledig) is opgenomen in de bijlage 1 weergegeven ROEB-lijst, onder bouwkosten het volgende verstaan:
de op het aanvraagformulier omgevingsvergunning opgegeven geschatte aanneemsom exclusief BTW. Deze geschatte aanneemsom dient overeen te komen met de prijs die een derde in het economische verkeer moet betalen voor het tot stand brengen van het type bouwwerk exclusief omzetbelasting. Indien een aanneemsom ingevolge de Uniforme administratieve voorwaarden voor de uitvoering van werken en van technische installatiewerken 2012 (UAV 2012; Staatscourant 2012, 1567) bekend is, dan worden de bouwkosten gelijkgesteld aan de aanneemsom exclusief BTW.
Uit artikel 2.3.1 van de Tarieventabel 2023 - voor zover hier van belang - volgt dat als een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo, het tarief in verhouding tot de vastgestelde bouwkosten 2,8% bedraagt bij bouwactiviteiten tot een bedrag van € 102.126. Uit artikel 2.3.3 van de Tarieventabel 2023 volgt verder dat indien sprake is van strijdigheid met het bestemmingsplan een legesbedrag van € 332 verschuldigd is. Uit artikel 2.6.3 volgt dat in het geval dat een omgevingsvergunning geweigerd wordt, aanspraak bestaat op teruggaaf van 50% van zowel een deel van de verschuldigde bouwleges als de leges voor het strijdig gebruik met het bestemmingsplan.
5.1.
Niet in geschil is dat eiser op 21 juni 2023 een aanvraag heeft gedaan voor een omgevingsvergunning en dat deze aanvraag in behandeling is genomen. Dit betekent dat het belastbare feit zich heeft voorgedaan en dat de heffingsambtenaar op grond van de Legesverordening 2023, en de daarbij behorende Tarieventabel 2023, in beginsel bevoegd was leges te heffen van eiser.
5.2.
Ook is in dit geschil niet weersproken dat de heffingsambtenaar bij de bepaling van het tarief voor de bouwleges is uitgegaan van de juiste hoogte van de bouwkosten. Het staat daarom niet ter dicussie dat de heffingsambtenaar vervolgens op grond van de Tarieventabel 2023 de hoogte van de leges, met inachtneming van de reductie van de leges vanwege de weigering, in totaal heeft kunnen berekenen op € 1.006.
5.3.
Hoewel eiser dus niet de berekening van de hoogte van de leges bestrijdt, is hij het niet eens met de heffingsambtenaar dat hij die leges (al) moet gaan betalen. Hij voert aan dat de legesaanslag nog niet opgelegd had mogen worden. De beroepszaak tegen de weigering van de omgevingsvergunning loopt nog bij de rechtbank, zodat de hoogte van de legesaanslag nog niet vaststaat. Ook zou betaling volgens eiser kunnen worden aangemerkt als instemming met de weigering.
5.4.
De heffingsambtenaar brengt daar, kort gezegd, tegen in dat het voor de hoogte van de aanslag niet relevant is wat de uitkomst is van de nog lopende beroepsprocedure tegen de weigering van de omgevingsvergunning.
5.5.
De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar de leges terecht en tot een juist bedrag heeft geheven. Eiser heeft een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend. Die aanvraag is door het college van burgemeester en wethouders in behandeling genomen. De heffingsambtenaar, die binnen de gemeente ’s-Hertogenbosch bevoegd is de leges te heffen, is dan gehouden een nota leges op te leggen op basis van de aanvraag zoals eiser die heeft ingediend. Over het bouwwerk dat eiser wilde bouwen en de daarmee gemoeide bouwkosten, bestaat ook geen verschil van mening tussen partijen. Al wat ná het in behandeling nemen van de aanvraag tussen eiser en de gemeente heeft gespeeld, kan daar geen verschil in aanbrengen. Het is voor het in rekening brengen van leges namelijk niet van belang of een omgevingsvergunning al dan niet wordt verleend. Het belastbare feit is op grond van de Legesverordening 2023 het in behandeling nemen van de aanvraag. Hiermee worden twee dingen tot uitdrukking gebracht. In de eerste plaats dat de dienstverlening waarvoor leges worden geheven bestaat uit de activiteiten die verband houden met de behandeling van aanvragen en niet met het verlenen van de vergunning. De activiteit van de gemeente en niet het eindresultaat (het al dan niet verlenen van de gevraagde vergunning) is de dienst. In de tweede plaats wordt hiermee tot uitdrukking gebracht dat leges kunnen worden geheven zodra de aanvraag in behandeling is genomen en dat niet hoeft te worden gewacht tot de behandeling is afgerond. Dat betekent dat ook niet van belang is dat eiser nog een procedure heeft lopen bij de bestuursrechter over de weigering van de omgevingsvergunning. De uitkomst van die procedure speelt geen rol, omdat het in behandeling nemen van de aanvraag voor de heffingsambtenaar het belastbare feit vormt voor de heffing, en daarmee de verschuldigdheid van de leges. Dat leidt tot de conclusie dat de heffingsambtenaar terecht en naar het juiste bedrag leges heeft geheven.
5.6.
In deze procedure kan uitsluitend aan de orde komen of de aanslag leges terecht en op het juiste bedrag is vastgesteld. Wat eiser verder stelt en aanvoert in relatie tot de beroepsprocedure die hij (nog) voert over de weigering van de omgevingsvergunning, staat niet in deze procedure ter beoordeling van de belastingrechter. Daarom laat de rechtbank dat in deze uitspraak verder onbesproken.
6. Ten overvloede en ter informatie aan eiser heeft de heffingsambtenaar op zitting laten weten dat in het geval de beroepsprocedure tegen de weigering van de omgevingsvergunning alsnog zal leiden tot een heroverweging dan wel tot verlening van de door eiser gevraagde omgevingsvergunning, de heffingsambtenaar niet alsnog opnieuw leges in rekening zal brengen voor de al gevraagde vergunning. De heffingsambtenaar zal in dat geval volstaan met het al eerder opgelegde bedrag van € 1.006.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt dus geen gelijk. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug en hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van den Brink, rechter, in aanwezigheid van drs. H.A.J.A. van de Laar, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op
23 april 2025.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op:
Informatie over hoger beroepEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof 's-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof 's-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.
track & trace-code: 3SGQYQ6892890
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Gemeenteblad 2022, 515326